Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

EEN PLEITGROND

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

EEN PLEITGROND

6 minuten leestijd

„Het geloof is een vaste en zekere kennis van Gods welwillendheid jegens óns, gegrond op de waarheid van Zijn genadige beloften in Christus, door den Heiligen Geest aan ons verstand geopenbaard en in ons hart verzegeld". Calvijn.

Prediking en geloof staan niet los naast elkander. Immers het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het Woord Gods. De vraag is daarom gewettigd of wij, na de ontelbare malen die wij onder de prediking des Woords vertoefd hebben, een geloof bezitten dat aan bovenstaande bepaling van Calvijn, welke gegrond is op de Heilige Schrift, voldoet.
Is dit zoo, dan is er voor roem geen plaats, want wat hebt ge, dat ge niet hebt ontvangen ?
Wanneer het ontkennende antwoord moet luiden : „De oogst is voorbij gegaan, de zomer is ten einde en nog zijn wij niet verlost", aan wien dan de schuld ? Is er geen Verlosser ? Is er geen balsem in Gilead ? Is er geen heelmeester aldaar ? Waarom is dan de gezondheid niet gerezen ?
Als wij het zaligmakend geloof bezitten, dan hebben wij dat alleen aan Gods Geest te danken.
En als wij het niet bezitten, hebben wij dat dan aan Gods Geest te wijten ? Of is het misschien zoo, dat niet allereerst het feit dat wij ons niet kunnen bekeeren ons schuldig stelt, doch vóór alles onze onwil daartoe. Moge dit dan ook werkelijk tot schuld worden, want God wacht op hen, die zich niet alleen onmachtig, doch bovenal zich schuldig kennen.
Er is ook nog de mogelijkheid dat wij misschien gemeend hebben geloof te bezitten, doch dat het niet voldoet aan de bepaling, welke Calvijn van het zaligmakende geloof geeft. Niet, dat de oprecht geloovige altijd in de geloofsverzekerdheid staat, doch hij zal niet kunnen ontkennen dat er oogenblikken in zijn leven geweest zijn dat Gods Geest in zijn hart de genadige beloften in Christus jegens hem verzegeld heeft.
Doch wanneer men hieraan heelemaal geen kennis heeft en tóch meende geloof te bezitten, dan komt Calvijn terecht wel allen grond onder de voeten weg te nemen. Niettemin is het goed, tijdig gewezen te worden op den zandgrond, waarop wij staan, opdat wanneer de winden straks gaan waaien en de regenstroomen komen, wij intusschen schuilplaats mogen gevonden hebben op den Rotssteen, die wijkt, noch wankelt.
Calvijn houdt ons in dê bovenstaande bepaling van het geloof als het ware een spiegel voor. Waarbij wij niet dienen te vergeten dat wij een gedoopt voorhoofd hebben !
De reformator zegt dan allereerst dat het geloof een vaste en zekere kennis van Gods welwillendheid jegens ons is.
Is er nu één, die durft te beweren, dat God jegens hem niet welwillend is ? Denk slechts aan uw Doop. „Want als wij gedoopt worden in den Naam des Vaders", aldus luidt ons Doopsformulier, „zoo betuigt en verzegelt ons God de Vader, dat Hij met ons een eeuwig verbond der genade opricht, ons tot Zijn kinderen en erfgenamen aanneemt en daarom van alle goed ons verzorgen en alle kwaad van ons weren of ten onzen beste keeren wil".
Gods welwillendheid jegens ons kwam dus reeds in onze prilste jeugd door .het heilig Sacrament des Doops te verzegelen. Vervolgens zegt Calvijn, moet het geloof gegrond zijn op de waarheid van Zijn genadige beloften in Christus.
Welnu : „als wij in den Naam des Zoons gedoopt worden, zoo verzegelt ons de Zoon dat Hij ons wascht in Zijn bloed van al onze zonden, ons in de gemeenschap Zijns doods en Zijner wederopstanding inlijvende, alzoo dat wij van onze zonden bevrijd en rechtvaardig voor God gerekend worden".
Getuigen onze gedoopte voorhoofden dan niet van de genadige beloften in Christus, waarmede God ons tegenkwam ?
Tenslotte luidt de bepaling van Calvijn, dat de vaste en zekere kennis van Gods welwillendheid jegens ons door den Heiligen Geest aan ons verstand geopenbaard en in ons hart verzegeld moet worden.
Weer gaan wij naar het Doopvont en wij beluisteren : „Desgelijks als wij gedoopt worden in den Naam des Heiligen Geestes, zoo verzekert ons de Heilige Geest door dit heilig Sacrament, dat Hij in ons wonen en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil, ons toeeigenende, hetgeen wij in Christus hebben, namelijk de afwassching onzer zonden en de dagelijksche vernieuwing onzes levens, totdat wij eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt zullen gesteld worden".
Wil het bovenstaande nu zeggen, dat een gedoopt voorhoofd voor de eeuwigheid voldoende is ? Natuurlijk niet. Maar wel, dat God van Zijn zijde alles wat tot de zaligheid van noode is, kwam en komt aan te bieden. En wanneer wij het Kanaan der rust niet zullen ingaan, dan zullen wij nooit kunnen zeggen : dat wij niet wisten of God welwillend tegenover ons was, dat God ons geen beloften gegeven heeft, of dat Gods Geest onwillig was.
Doch dan zal slechts één ding gezegd kunnen worden, n.l. dat men niet kan ingaan vanwege zijn ongeloof.
Groote en dierbare beloften heeft God ons door den Heiligen Doop willen verzegelen. Wederkeer in boetvaardigheid tot den genadetroon van dien God des Verbonds en een pleiten ook op onzen Doop, is ons behoud.
De Doop als pleitgrond ! Men heeft vele pleitgronden, doch niet allen zullen even betrouwbaar zijn als het pleiten op het zegel des Verbonds. Zouden zij beschaamd worden, die den altijd bereidwilligen Geest smeeken, juist op grond van den Heiligen Doop, het geloof in hen te werken of te versterken en het den psalmdichter nabidden :
Gedenk aan 't Woord gesproken tot Uw knecht Waarop Gij mij verwachting hebt gegeven. Dit is mijn troost, in druk mij toegelegd, Dit leert mijn ziel U achteraan te kleven. Al 't geen Uw mond aan mij had toegezegd Gaf aan mijn hart vertroosting, geest en leven.
Daarom kan er ook door het bijwonen eener Doopsbediening een opwekking tot en een versterking van het geloof uitgaan. En het is een slecht teeken, wanneer men thuis blijft, omdat er Doopsbediening is. Dat wijst op onderschatting van een Sacrament dat voor het welwezen des geloofs onder Gods zegen van groote beteekenis kan zijn.
,,Hierom" — zegt Calvijn — „hierom ongetwijfeld is het den satan te doen, wanneer hij met zooveel geweld den Kinderdoop aanvalt, n.l. dat deze betuiging van Gods genade uit den weg wordt geruimd en de belofte, die zich door; haar voor onze oogen vertoont, langzamerhand eindelijk verdwijnt". De Heilige Doop — een pleitgrond.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

EEN PLEITGROND

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

PDF Bekijken