Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HET VERBOND GODS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HET VERBOND GODS

10 minuten leestijd

XIII.

Vindt het aestlietische leven zijn voorbeeld en norm in de werken Gods, zooals die gekend worden door de religie. Ook de eisch van het zedelijke wordt eerst bij het licht der religie ontdekt. Vele zijn de pogingen om een zelfstandige moraal te fundeeren, doch het gebrek, dat al dezen pogingen aankleeft, is daarin gelegen, dat zij haar uitgangspunt nemen in den mensch en wel in den mensch, zooals hij bestaat, precies als de philosophic en de kunst.

Dat is geen wonder, want de mensch gaat bij ailes wat hij doet van zich zelf uit en maakt daarom in al zijne werken dezelfde grondfout. Hij vergeet, dat hij op zich zelf niets is en dat hij alleen iets is in zijn goddelijke roeping en bestemming. Daarin moet derhalve zijn uitgangspunt liggen en niet in zijn subjectieve visie.

Het zedelijk leven wordt ontwricht door dezelfde oorzaak, waardoor de kunst ontaardt, de wijsbegeerte ijdel wordt en het religieuse leven afgodisch en goddeloos. Het gevolg is, dat ook in den socialen arbeid veeltijds het waarachtig sociale is geweken voor subjectief idealisme, hetwelk naar eenig wijsgeerig model werkt, en niet op den bodem der werkelijkheid staat. Ondanks alle goede bedoelingen, welke daaraan mogen ten grondslag liggen, kunnen dergelijke practijken weinig anders uitwerken dan bevordering van egoïsme, afslijping van verantwoordelijkheidsbesef en gemakzucht. Alle socialisme, dat gespeend is aan de waarachtige liefde en den toets der zedewet laat varen, baant den weg naar een verderfelijk staatsidealisme.

Zoodra men Gods Verbond als uitgangspunt neemt staat men onder de norm van de religieus-zedelijke levensverhoudingen. Ook op den algemeenen grondslag van het Noachietisch verbond heeft men met den God der religie van doen en kan men principieel geen ander standpunt verdedigen dan dat de religie, welke den God der Heilige Schrift als Schepper en Onderhouder des levens erkent, algemeene en openbare zaak is.

Het spreekt dan vanzelf, dat de erkenning en eerbiediging van Zijn gezag over het gansche leven dus ook een algemeene en openbare aangelegenheid is, waarmede men op alle levensterrein heeft rekening te houden. Vandaar dat een principieele instelling op de basis van het Verbond, ook in zijn algemeenen vorm in Genesis 9 geopenbaard, als vanzelf grijpt naar nadere bepaling van de verhoudingen der menschelijke samenleving overeenkomstig den eisch van den God des Verbonds.

Zoo wordt men als vanzelf aangewezen op den verderen gang der openbaring des Verbonds niet alleen wat betreft de speciale beteekenis ten aanzien van de verkiezende genade Gods, maar ook in den aangegeven algemeenen zin.

Over de bijzondere beteekenis van het Verbond met Israël werd reeds uitvoerig gehandeld. De afzondering van het voik Israël en zijn leven onder de Wet heeft echter ook een universeele beteekenis. Vooreerst is de Messias ook de Messias der wereld. (Joh. 4 : 42). Israël vervult een roeping onder de volkeren. De God Israels is de God van hemel en aarde. Zijn souvereiniteit gaat over de gansche menschheid, maar daarom geldt ook Zijn Woord en gebod de gansche menschheid. Christus is de Koning der koningen.

De zedewet, aan Israël geopenbaard, de wet des Verbonds, is niet een wet voor Israël alleen, maar openbaring van 's menschen levenswet. Zij heeft uit dien hoofde een algemeene strekking en dat op tweeerlei wijze : 1e. als norm voor de algemeene zedelijke levensverhoudingen, en 2e. in de roeping Gods, die op de wereld uitgaat, tot kennis der genade in Christus Jezus.

Thans is het ons te doen om de universeele beteekenis van het Verbond met Israël in den eerst genoemden zin. Het Verbond met Noach moet worden bezien in het licht van het Verbond met Israël en dit wederom in het licht des Nieuwen Verbonds. Wij kunnen niet halverwege blijven staan, omdat de Schrift zelf leert, dat de verborgenheid des Verbonds in de volheid des tijds tot openbaring is gekomen.

Alhoewel God de tafelen der Wet aan Noach nog niet heeft geopenbaard, kunnen wij het algemeen plan des levens niet terug brengen tot een soort leer der gemeene gratie, die op het niveau van Noach's tijd blijft staan. Dat zou een repristinatie van de slechtste soort zijn.

Gods openbaring kwam tot de menschheid reeds in het Verbond met Noach, ook van Israels Verbond was de vreemdeling niet uitgesloten, de profetische prediking strekt reeds de beloften des Verbonds uit over de volkeren en door Christus wordt het Verbond, ook wat de hoogste genadegifte Gods aangaat, op de heidenwereld betrokken, (Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn. Joh. 10 : 16) gelijk door Hem ook bevel wordt gegeven het Evangelie te prediken aan alle creaturen. (Matth. 28 : 19).

Daar kan dus geen twijfel over zijn, dat Gods Verbond in alle instanties van zijn openbaring de gansche menschheid aangaat en een algemeene aangelegenheid is. Desondanks zijn er verschillende betrekkingen in het Verbond te onderscheiden, zooals uit de openbaring kan blijken. Sommigen zijn bevreesd om van trappen der openbaring te spreken, omdat zij van Coccejus' foederaal theologie - en dat terecht - niet willen weten. Toch zal men niet kunnen ontkennen, dat niet alleen in de openbaring van het Verbond verschillende trappen zijn, maar ook het Verbond zelf omvat verschillende categorieën.

Daar is een algemeene werking der genade buiten de kennis des Woords, die niet tot bewustzijn komt als zoodanig, b.v. de algemeene werking der zedewet. (Rom. 2 : 14 en 15).

Daar zijn bijzondere gaven van Gods Geest, die als zoodanig door de begaafden niet worden gekend of erkend, maar nochtans genadegaven Gods zijn. Daar is een verlichting des verstands, die tot erkenning van Schriftuurlijke waarheid komt, zonder tot den wortel der zaak door te dringen. Daar is een orde der schepping, welke door de gemeene gratie wordt onderhouden en door zulk een verlichting des verstands ook zuiverder wordt gezien en erkend.

Zoo kan er ook een zekere verootmoediging voor God wezen, hoewel zij tot de kennis der zaligheid - niet komt en nochtans barmhartigheid vindt in dit leven. Voorbeelden daarvan geeft de Heilige Schrift b.v. in de geschiedenis van Achab en van Ninevé, dat zich bekeert op de prediking van Jona.

Indien wij dus op deze dingen letten, zullen wij ontdekken dat het gansche Verbond genade is, maar, dat nochtans de werkingen van deze genade zeer verschillend zijn. Daar zijn algemeene genadegaven, waaraan alle menschen deelgenoot zijn gemaaikt, een iegelijk naar de mate, welke de Heere geeft. Zoo ontvingen wij allen den levensadem en genieten van de vruchten der aarde, teneinde ons leven te onderhouden. Dat is een algemeene Verbondsgave. Maar daarom is het aardsche leven van allen nog niet gelijk. Wij worden niet in dezelfde omstandigheden geboren en opgevoed en het is ook lang niet hetzelfde uit welk volk wij geboren worden en in welk land ons een vaderland werd geschonken.

Zoo deelen ook allen in de gaven van verstand en hart, wederom naar de mate, welke God een iegelijk heeft toebedeeld. De algemeene voorrechten des Verbonds zijn niettemin zoozeer verscheiden, dat niet alleen het eene volk verschilt van het andere, maar dat ook ieder mensch verschilt van zijn medemensch. Die gaven dragen tenslotte een persoonlijk karakter.

Telkens weer hebben wij er op gewezen, dat alle menschen uit de genade des Verbonds leven, maar telkens ook moet daaraan worden toegevoegd, dat ondanks deze werkelijkheid alle menschen zulks niet weten, noch ook erkennen. Wanneer wij dit bedenken, komen wij vanzelf van de algemeene genadegaven des Verbonds tot de bijzondere gaven. Het is reeds een bijzondere gave Gods, als daar zeker bewustzijn van deze dingen is, een bijzondere gave, indien het besef daarvan gepaard gaat aan genegenheid tot erkenning en verootmoediging, zooals boven door enkele voorbeelden werd toegelicht.

In al deze werkingen des Verbonds kan een voorbereiding en toebereiding zijn tot de kennis van een gansch bijzondere en verheven betrekking, welke in Christus tot vernieuwing des levens, en waarin de nieuwe mensch geboren wordt door een wederbarende daad Gods.

Wanneer dit stuk aan de orde van behandeling komt, zullen wij kunnen opmerken, dat ook in de nieuwigheid des levens menigerlei genade is, en dat ook hier de gaven verscheiden zijn, hoewel allen vereenigd zijn in één geloof door één Geest en in één Heere. Steeds zal weer blijken, dat de verschillende betrekkingen des Verbonds tenslotte in den persoon worden verwezenlijkt en een persoonlijk karakter dragen. De betrekkingen des Verbonds, waaronder wij leven, monden, om het zoo uit te drukken, in den persoon uit. De persoonlijkheid leeft uit Gods Verbond. Intusschen legt dat een groote verantwoordelijkheid op een iegelijk onzer jegens de openbaring des Verbonds, welke de Heere ons in de Heilige Schrift en inzonderheid in den Christus voor oogen stelt.

Dat Woord is in de wereld en zoowaar wij geboren zijn uit de menschheid, zoowaar heeft dat ons wat te zeggen en zullen wij ons hebben te bezinnen op deze dingen, aangezien wij rekenschap en verantwoording schuldig zijn voor den God des Verbonds.

Ziedaar weer een algemeene betrekking des Verbonds, die van groote beteekenis is voor een iegelijk onzer, want wij zullen weten met welk een God wij van doen hebben en zullen allen geoordeeld worden voor den hoogsten Rechter van hemel en aarde.

Dat Woord stelt ons allen zonder uitzondering onder den eisch des Verbonds, onder den eisch der Wet, en de eerbiedige erkenning van den alleen souvereinen God. In het licht van de algemeene genade des Verbonds reeds verschijnt het als normaal voor alle levenden en de plicht van alle menschen om dien God te eeren en te dienen. Alle afgoderij en eigenwillige godsdienst, alle gebeuzel van godsdienst is privé aangelegenheid, waarmede het openbare leven niet van doen heeft, wordt beschaamd en verijdeld, zoodra men oog heeft voor de algemeene levensbetrekkingen van het Verbond. Het geheele leven, ons gevoelen, denken, leven, handelen, valt daaronder en laat geen ruimte over voor een eigen terrein, waar Gods genade, heerschappij en eisch werkeloos zouden zijn.

Het is uit dien hoofde, dat wij in den breede stilstaan bij de algemeene levensbetrekkingen van Gods Verbond. Want hoewel de mensch daaronder bestaat en daaruit leeft, gedraagt hij zich in het algemeen niet in overeenstemming daarmede. Er is in het algemeen eer ontkenning dan erkenning van deze werkelijkheid, zoowel uitgesproken als onuitgesproken. De mensch heeft geen lust in Gods weg. De eisch des Verbonds gaat trouwens tegen den verdorven mensch in. Immers de algemeenheid der genade, welke daarin geschonken wordt, ontslaat niet van den algemeenen eisch der dienstbaarheid aan den eenigen God, waarvan het Verbond spreekt, als het komt met de Wet.

Deze ligt trouwens opgesloten in de allereerste kennis, waarmede de Heilige Schrift aanvangt, de kennis van God den Schepper. Omdat Hij is de eeuwige Schepper, is-Hij een Heere van allen en alles en zijn allen Hem eere en aanbidding schuldig. Doch, zooals gezegd, de verdorven mensch heeft geen genegenheid tot dezen dienst, en heeft God niet in erkentenis gehouden. Daarom heeft hij geen lust in Zijn Wet, hoewel hij daarin zijn eigen levenswet heeft te vinden. Het zedelijk leven vertoont een beeld van verwarring en ontwrichting, omdat een iegelijk doet, wat goed is in zijn oog.

En geheel ons pleidooi schijnt tevergeefs, als wij daarbij opmerken, dat de genegenheid zonder de genade Gods niet veranderd zal worden.

In dit stuk wordt de zaak wel zeer persoonlijk toegespitst, want de genegenheid is een persoonlijke zaak. En toch is het geen ijdele zaak, dat wij voor de erkenning van Gods Verbond pleiten en trachten in het licht te stellen, hoe de dingen op den grondslag des Verbonds verschij­nen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

HET VERBOND GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

PDF Bekijken