Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

MEDITATIE

Niet in handen van mensen

8 minuten leestijd

Toen zeide David tot God: Mij is zeer bange; laatt ons toch in de hand des Heeren vallen, want Zijne barmhartigheden zijn vele, maar laat mij in de hand van menschen niet vallen. 2 Sam. 24 : 14.

Niet in de Handen van Menschen!

We maken in het slothoofdstuk van het boek Samuel nog eens kennis met David, den man naar Gods hart. Als de bijbel een roman ware, dan had de schrijver zeker dit laatste hoofdstuk weggelaten. De laatste bladzijden van een roman geven ons meestal een schitterenden afloop van het verhaal te zien. Aan het slot van het boek wordt de held meestal het heerlijkst geteekend.

Dat doet Gods Woord echter niet. De bijbel teekent den mensch inderdaad, zooals hij is. De bijbel maakt het niet mooier dan het werkelijk is. En daarom verzwijgt ook de Heilige Schrift de zonden van de bijbelheiligen niet. Maar de Schrift laat ons juist zien, dat de Heere in staat is om met gebrokene rietstaven groote dingen te doen.

Zoo hebben we ook hier met een van de donkere bladzijden uit de levensgeschiedenis van David te doen. Er is over de vergelijking van het begin van dit hoofdstuk met den aanhef van het 21ste hoofdstuk uit het 1ste boek der Kronieken al heel wat afgeredeneerd.

Als men namelijk in ons teksthoofdstuk las, dat de Heere David aanporde om het volk te tellen, meende men God tot auteur van de zonde te hebben gemaakt. Dan hoorde men het toch maar liever weergeven op de manier van den Kroniekschrijver, die ons vertelt, dat Satan David heeft aangepord om het volk te tellen.

Toch maakt de tekst uit 't boek Samuel, den Heere geenszins tot den auteur van Davids ongerechtigheid. Het is de satan, die het hoogmoedige hart van David tot deze zonde heeft aangezet. Het is echter de Heere, die ook door deze zonden van David en door het woeden van den satan heen. Zijnen aanbiddelijken raad vervuld heeft.

Koning David kon op zijn lauweren rusten. Wat hadden de jonkvrouwen Israels menigmaal bezongen, hoe hun koning zijn tienduizenden verslagen had. Nu was er vrede. Geen vijanden benauwden het land. Er was rust rondom. En toch bleek het ook nu weer zoo duidelijk, dat ledigheid des duivels oorkussen is. Zijn hoogmoedig hart was ongeduldig om te weten, hoeveel strijdbare mannen er wel in zijn land woonden. Om het te weten te komen, moest het volk naar zijn bevel onmiddellijk worden geteld.

Tevergeefs heeft zijn ongeloovige, bloeddorstige krijgsoverste Joab hem van de volvoering van zijn plan willen terughouden. Er was geen waarschuwen aan! Niet zonder tegenzin gaat Joab over om het volk te tellen, een bezigheid, die zeker meer dan negen maanden zou vorderen.

Het smart ons, van David te moeten hooren, dat de hoogmoed nog zulk een groote macht op hem heeft uitgeoefend. Wat wordt ook in zijn levensgeschiedenis weer bewaarheid wat er in het bekende Heidelberger leerboek staat opgeteekend, dat de allerheiligsten maar een klein beginsel van gehoorzaamheid bezitten.

En vinden hier de menschenkinderen elkanders hoogmoed al onuitstaanbaar, in het Woord des Heeren lezen we, dat God den hoovaardige wederstaat, doch dat Hij den nederige genade schenkt.

Helaas, David was blind voor zijn zonde van den hoogmoed. En het zou met hem van kwaad tot erger zijn gegaan, als de Heere hem niet had staande gehouden.

Wat lezen we in het 10de vers ? „En Davids hart sloeg hem, nadat hij het volk geteld had en David zeide tot den Heere : Ik heb zeer gezondigd in hetgeen ik gedaan heb ; maar nu, o Heere, neem toch de misdaad Uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gedaan".

't Is de Heilige Geest, die de consciëntie van een zondaar opent en in het diepst van de nienschenziel het schuldbesef opwekt. Maar het is ook Gods Heilige Geest, die den zondaar eenswillens maakt met het recht Gods, ook al zou dat recht hem veroordeelen.

Genade leert om de roede te kussen, waarmede de Heere naar recht komt te kastijden.

We hooren David dan ook niet murmureeren, als de profeet Gods hem spreekt over drieërlei straf, die rusten zal op zijn vergrijp. De Heere stelt hem de keus : óf zeven jaren honger in het land, óf drie maanden vluchten voor den vijand, of drie dagen pestilentie.

Wat het ook worden zou, in elk geval zou het aantal van de strijdbare mannen met tienduizenden worden verminderd, 't zij ze vielen door het zwaard, hetzij ze door den honger omkwamen, hetzij ze vielen als slachtoffer van de pestilentie.

Welke straf zal David kiezen ?

Hij riep uit voor de ooren van den profeet, dat het hem zoo bang was. Toch wilde hij maar liever in de handen van den Heere vallen. Immers diens barmhartigheden waren vele, maar de barmhartigheden van de menschen zijn wreed.

Dat zien we ook thans in dezen krijg, die aan het woeden is. Men bekommert er zich niet over om de schepen en de onderzeeërs naar de diepte te laten wegzinken. Wat geeft men om menschenlevens. 't Is immers oorlog.

Welnu, de keuze was gedaan. David billijkt het recht Gods. De verderfengel gaat door Israëls landpalen. De pestilentie is aan het woeden en maakt tienduizenden slachtoffers.

Ik kan het mij indenken, dat iemand de vraag zou kunnen stellen: waarom er nu toch als gevolg van Davids hoovaardij zooveel tienduizenden moesten vallen.

Ook in onze dagen wordt het probleem wel eens zoo gesteld, waarom er om de zonde en de verblinding van staatslieden, die men voor de ontketening van den oorlog verantwoordelijk stelt, zooveel ellende in de wereld komt.

Toch wordt het probleem op die manier onzuiver gesteld. Men vergeet maar al te zeer, dat volgens het een en twintigste hoofdstuk van het boek Samuel Israël reeds gestraft was met hongersnood.

Bedenk het dus wel, dat deze pestilentie, die gaat woeden, ook mede een oordeel is geweest over de zonde van het gansche volk. De zonde van David mag alleen gezien worden als de onmiddellijke aanleiding van het komen van Gods gericht over een zondig volk.

Neen, laten we in deze veelbewogene tijden de schuld toch maar niet uitsluitend zoeken bij de leidende staatslieden, met hoeveel macht ze ook zijn bekleed.

Laat ons liever vragen, of we ons over de komst van de oordeelen hebben te verwonderen, als we zien op onze eigene schuld en zonden en op de zonden van ons gansche volk.

Of maken wij ons minder schuldig aan de overtreding van Gods geboden in deze eeuw.

Neemt de Godsverzaking in onzen tijd geen gruwelijke vormen aan? Hoe kan het anders of de oordeelen Gods moeten ontbranden ?

We keeren terug tot het teksthoofdstuk.

De verderfengel is Jeruzalem genaderd. Nu krijgt ook de koningsstad haarbeurt. Zal de koning en zijn huis gespaard blijven? Voor Davids besef heeft hij naar recht niet anders te verwachten.

Ziet daar opent de Heere zijne oogen, zoodat hij den verderfengel aanschouwde, die op het bevel des Heeren had opgehouden te verderven. Het had immers den Heere berouwd over het kwaad en Hij had gesproken tot den verderfengel: Het is genoeg, trek uwe hand nu af.

En bij het aanschouwen van het stilstaan van den engel riep de verootmoedigde koning uit: Zie ik, ik heb gezondigd, en ik, ik heb onrecht gehandeld ; maar wat hebben deze schapen gedaan ? Uwe hand zij toch tegen mij en tegen mijns vaders huis.

O welk een diepte van schuldgevoel! Welk een ootmoedige belijdenis! Het waren wel allesbehalve onschuldige schapen. Toch neemt hij het als hun trouwe herder voor hen op, omdat hij alleen maar oog heeft voor eigen zonde en schuld. En de Heere bewees genade. Meen echter niet, dat Hij het deed óm Davids berouw.

Neen, vlak bij de plaats waar de engel stond, lag de dorschvloer van Arauna; op die hooge rots. In de Omar-moskee in Jeruzalem laat men vlak onder de hoofdkoepel u de omheinde rots nog zien. Op bevel van den profeet Gad moet David op die rots, die Arauna voor dorschvloer gebruikte, een altaar oprichten. De koop is spoedig gesloten.

Het vuur van den hemel ontsteekt weldra het offer, gelijk in Kronieken te lezen is.

Het 1e boek van Samuel eindigt met de beschrijving van een offer. Eeuwen geleden had Abraham op die zelfde plaats zijn zoon Izaak willen offeren. Op die plaats is het brandofferaltaar verrezen. O wat zijn er een lammeren en een runderen op verbrand, die allen, heenwezen naar dat eene volmaakte offerlam, hetwelk eeuwen later niet ver van Arauna's dorschvloer op den kruisheuvel Golgotha zou worden geslacht.

Ja, alleen in dien gekruisigden Heiland waren Gods goedertierenheden en barmhartigheden vele over David en zijn huis.

Lezers, er is ook voor ons in deze bange tijden geen andere weg dan de weg van David.

Dat is de weg van het schuldbelijden. Dat is de weg der verootmoediging. Dat is de weg van het roepen om genade en geen recht, opdat de Heere zich nog moge laten verbidden en de wereldellende nog mocht ophouden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van Thursday 15 February 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van Thursday 15 February 1940

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

PDF Bekijken