Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het profetische Woord

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het profetische Woord

7 minuten leestijd

Wij hebben het profetische Woord, zoo zegt de apostel Petrus. In dat profetische wordt het geheel eigene en bijzondere der Heilige Schrift uitgedrukt. Heilige mannen Gods, door den Heiligen Geest gedreven, dat zijn de profeten. Mannen, door God tot dezen dienst der bijzondere openbaring geroepen en door den Heiligen Geest gedreven.

God heeft dus menschen in dezen dienst gesteld, door hen gesproken en door deze mannen Zijn wil bekend gemaakt, en wel zóó, dat zij zich klaar bewust zijn geweest van dezen dienst, dat zij door Hem werden gezonden en met een goddelijke boodschap. Het is niet lanigs hen heen gegaan. Zij weten zich onderscheiden van de valsche profeten en verheffen hun : „Alzoo spreekt de Heere".

Zooals reeds een vorige gelegenheid werd opgemerkt, is het Woord Gods bestemd voor den mensch. God wil Zich aan den mensch bekend maken en komt tot den mensch op een wijze, die menschelijk verstaanbaar en kennelijk is.

Dat is trouwens openbaring. Hoe zou de mensch God kennen, indien Hij op een vreemde, onkennelijke en voor den mensch onverstaanbare wijze had gesproken ?

Niemand verwondere zich derhalve, dat de Heilige Schrift in dit opzicht menschelijk is. Het gaat om den mensoh en voor den mensch, dien God geschapen heeft naar Zijn beeld.

Het ligt reeds in die schepping naar Gods beeld, dat de mensch ook zijn Godskennis als in een beeld draagt, d.w.z. dat Gcd Zich op een menschelijke wijze bekend maakt. Het is de heerlijkheid van den mensch, naar Gods beeld te zijn geschapen, zijn heerlijkheid zulk een Godskennis te dragen, welke God voor hem heeft bestemd en waartoe hij geschapen is.

Dit alles geeft ons te minder aanleiding om in de Schrift een onderscheiding te maken tusschen het goddelijke en het menschelijke. Zij is goddelijk, omdat zij door God is gegeven, en tegelijkertijd is zij menschelijk, omdat God haar den mensch heeft gegeven.

Ook is het waar, dat God niet alleen over Zichzelf spreekt, maar ook over den mensch, zijn oorsprong, wezen en bestemming. Daarom kunnen wij uit de Heilige Schrift een leer aangaande God en een leer aangaande den mensch putten. God laat den mensch zien, zooals hij voor Zijn aangezicht bestaat en dat hij alleen bestaan kan en leven als hij met God verzoend is in Christus. Zoo onderricht zij ons omtrent den val, het rechtvaardig oordeel Gods, maar ook omtrent den weg der verlossing in den eenigen Hoogepriester en Middelaar, welke is Christus Jezus.

Zoo is er ongetwijfeld veel menschelijks in de Schrift : menschelijke zonde en ongerechtigheid, menschelijke strevingen, ongeloof, ontrouw, twijfeling, geloofsworsteling, valsche en oprechte vroomheid te veel, om in enkele regels op te sommen.

Omgekeerd kan men vele goddelijke dingen opmerken : Gods leiding, straffen, ontfermingen, inzettingen, geboden. Godsspraken, beloften, vervullingen, de zending van den Zoon, het gansche evangelie wederom te veel om op te sommen.

Als men dergelijke onderscheidingen naar den inhoud der Schrift wil maken, ware nog veel meer te noemen. Zij spreekt over zoovele zaken en betrekkingen, welke men in rubrieken zou kunnen indeelen, dat het moeilijk te zeggen valt, welk terrein des levens niet wordt aangeraakt.

Weer kan men zeggen, dat dit altegader den mensch raakt, omdat het betrekking heeft op het leven van den mensch. Alleen de Schrift zet den imensch en de dingen nooit op zich zelf, maar ziet alles in goddelijk licht en in betrekking tot God, zoodat het weer alles goddelijk is.

Dergelijke onderscheidingen zijn als zoovele aspecten, waaronder de mensch de dingen plaatst, maar ook dit is niet onverschillig. Het profetische Woord eischt, dat wij ons zullen gesteld zien op de plaats, welke God ons wijst, d.w.z. dat wij de dingen zullen zien in het licht, dat Hij daarover doet opgaan.

De onderscheiding van het goddelijke en menschelijke brengt ons niet dichterbij, maar zij kan ons wel verder afvoeren. En dat is het geval, als wij in het werk der openbaring zelf goddelijke en menschelijke factoren gaan onderscheiden.

Den vorigen keer wezen wij reeds op de Voorzienigheid Gods. Dat is ook naar het Woord. Blijven wij nu op het algemeene plan staan, dan kan men zeggen, dat die Voorzienigheid over alle dingen gaat. Zoo kan men den Koran en de Veda's ook wel voor goddelijke Schrifturen aanzien.

Daarom wijzen wij op het profetische hetwelk de Heilige Schrift van de overige schrifturen onderscheidt. Wij hebben het profetische Woord, dat zeer vast is. Heilige mannen Gods, door den Heiligen Geest gedreven, hebben gesproken. Dat beteekent, dat die heilige mannen door den Heiligen Geest hebben gesproken en dat men alleen door den Heiligen Geest de Heilige Schrift als het profetische Woord kan verstaan. De Auteur der Godsopenbaring is ook de Auteur der kennis. De Heilige Geest getuigt in onze harten, dat zij van God zijn.

Dat is de verborgenheid der kerk en de grond harer belijdenis aangaande het Woord. Het geheele werk der Openbaring is een werk Gods. Zoo is ook de Heilige Schrift een werk Gods met een goddelijke bedoeling en bestemming tot Zijn dienst en tot de vervulling van Zijn wil.

Het feit, dat God daartoe menschen heeft gebruikt, doet in geenen deele iets af van de werkelijkheid, dat wij hier met een werk Gods van doen hebben en wel een zeer bijzonder, door God in de wereld gezet.

Wie in die openbarende daad Gods den mensch een aandeel toeschrijft, ook al was hij daarbij betrokken en daaraan dienstbaar gemaakt, doet tekort aan het goddelijk gezag en de beteekenis der Heilige Schrift.

De profeet is een mensch, maar een mensch, die man Gods wordt genoemd, niet om iets, dat in hem zelf oorzaak heeft, maar in de daad Gods. Een profeet is niet een eigenaardig soort menschen, dat meer of minder zeldzaam onder de menschen voorkomt, maar dan toch met dien verstande, dat het profeet zijn een even gewoon verschijnsel zou zijn als de dichter en toonkunstenaar.

Ook het profetische ambt, waartoe de mensch naar zijn schepping is geroepen, en hetwelk daardoor in beginsel een algemeen menschelijk karakter draagt, kan hier niet worden aangevoerd tot verklaring van het verschijnsel der Schriftprofetie. Want zonder twijfel werd de mensch allermeest van deze gave beroofd door zijn val, omdat alle ware profetie uit den mond Gods moet leven en de zonde de gemeenschap met God verbroken heeft.

Boven dit alles zij men er op bedacht, dat geen schepsel kennis van God zal dragen, zoo God zich niet te kennen geeft. Het zal altijd een daad van Gods vrijmacht zijn en blijven, hoe en op welke wijze en in hoeverre Hij zich openbaart.

Zelfs van een mensch zullen wij het innerlijke niet kennen, tenzij hij ons openbaart, wat in hem is. Hoe zouden wij dan de goddelijke dingen kennen, tenzij God ze ons mededeelt.

Zoo is het een bijzondere beschikking Gods, dat Hij zich geopenbaard heeft door Zijn Woord en Geest, en dat Hij daartoe profeten heeft geroepen. Voorts is het ook geen toevalligheid, dat er meer of minder van die Godsopenbaring bewaard is gebleven. De Heere zelf heeft over Zijn Woord gewaakt. Daarom belijdt de kerk terecht, dat zij dat Woord uit Zijn hand heeft ontvangen.

In de openbaring zelf en in de teboekstelling en overlevering der openbaring, gelijk wij die in de Heilige Schrift mogen hebben, belijdt de kerk een stuk van de bijzondere zorg Gods. Het is niet alleen Zijn Woord, maar ook Zijn werk. En de kerk verstaat het, omdat zij door denzelfden Geest wordt geleid, die ook de Geest der profetie wordt genoemd.

Zoo vallen ook de menschen weg, die daarbij dienstbaar zijn geweest, hetzij zij bekend of onbekend zijn, omdat wij de Heilige Schrift uit Gods hand ontvangen.

Verbeteringen. No. 46, 16 October '41, blz. 362, 1e kolom, . 7e alinea, 6e regel : Gods Woord is de Heilige Schrift, lees : Gods Woord in de Heilige Schrift ; blz. 363, 1e kolom, 8e regel van onder : dwars, lees : dwaas.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1941

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Het profetische Woord

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 1941

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

PDF Bekijken