Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

Wiens wan in Zijn hand is.

9 minuten leestijd

Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorschvloer doorzuiveren en Zijn tarwe in Zijn schuur samenbrengen, en zal het kaf met onuitblusschelijk vuur verbranden. Mattheüs 3 vs. 12.

De waarheid is hard. Over het algemeen leenen we gaarne het oor aan vleitaal, maar een innerlijk verzet ontbrandt in ons, wanneer één het waagt ons op onze fouten te wijzen. Toch is het een vriend, die ons onze feilen toont.

Ook dit tekstwoord is hard. Wie kan het hooren ? Alleen diegene, die de Waarheid liefheeft en door de Waarheid is vrijgemaakt van alle eigenwaan en ingebeelde godsdienst. Dit is, naar het mij voorkomt, een groote fout, die velen bedrijven, dat zij sommige uitspraken van de Schrift bijzonder gewicht toekennen en over andere heenlezen. Zoo boetseert men een Christus naar eigen model, die met den Christus der Schriften weinig of geen gelijkenis vertoont.

Men buigt voor een valschen Christus en met een schijn van recht legt men hem Bijbelsche uitspraken in den mond. Zeker, die woorden heeft Jezus van Nazareth gesproken, maar in ander verband en met ander accent. Men eert wel een Christus, maar niet den Christus, het Vleeschgeworden Woord, den eeniger en natuurlijken Zoon van God. Nooit genoeg kan tegen dit kwaad; om uit den Bijbel te nemen wat ons aanstaat, gewaarschuwd worden. Immers, het is een zeer wijd verbreid kwaad, en degenen, die geen vreemdeling zijn in eigen hart, zullen moeten belijden, dat zij zich maar al te graag en al te spoedig vastklemmen aan woorden des Heeren, die de schijn hebben de traagheid op elk terrein in 't gevlei te komen. Weet, dat het Satan is, die menigmaal met een ,,daar staat geschreven" u aanvalt. We hebben Schrift met Schrift te vergelijken. „Daar staat wederom geschreven !" En daarom, als men u ook in onze dagen veel goeds weet te vertellen van den Bijbel en van Christus, ja, als men zelfs heel vriendelijke dingen van Christus weet te vertellen - en met groote lof van Hem gewaagt, verzuim dan nooit te vragen, over Wien spreekt ge nu eigenlijk ? Wien bedoelt gij ? Ik vrees dat, wanneer ge gaat onderzoeken wie het is, die het hart van den lover zoo in vuur en vlam gezet heeft, het resultaat weleens niet mee zou kunnen vallen. Want de Christus der Schriften heeft nu eenmaal niets bekoorlijks voor het natuurlijke hart. Eér de mensch Zijn lof bezingt en Hem liefheeft, moet er heel wat gebeurd zijn. Is Hij dan niet de Goede Herder, die gekomen is om het verlorene te zoeken en te zaligen ? Is Hij dan niet de liefdevolle Heiland, Die het land doorging; leerende en goeddoende ? Staat Hij nog niet gereed om vermoeiden en beladenen alles te schenken, waaraan zij maar behoefte hebben ? O zeker ! Zijn liefde en barmhartigheid is oneindig groot. Zijn genade en goedertierenheid gaan onze gedachten te boven. Maar . . . . .  Hij is het ook, die een zwaard draagt. Hij is niet gekomen om vrede, maar om het zwaard te brengen. Hij is het, die verdeeldheid brengt in gezinnen, huizen, harten. Hij is het, die de allergeweldigste eischen stelt: zelfverloochening, kruisopname. Hij is het die tot een oordeel in deze wereld is gekomen. Hij is het, Wiens oog van toorn vlamt tegen alle onheiligheid en onreinheid. Hij is het, Die een geesel van touwtjes vlecht en uitdrijft uit het Huis Zijns Vaders allen, die dat Huis tot een huis van koophandel maken. Hij is het, die een wan draagt, waarmee Hij Zijn dorschvloer doorzuivert.

Bekoort deze Christus u ? Hebt ge Hem lief ? Als ge deze vragen met ja kunt beantwoorden, in alle waarheid en oprechtheid, zijt ge niet beklagenswaard, hoe moeilijk ook uw leven moge zijn, hoe zwaar het kruis moge wezen, dat u door Hoogerhand werd opgelegd. Want dan is het vuur van het gericht over u heen gegaan, hebt ge u in uw verlorenheid leeren kennen, zijt ge ontdekt aan de bron van vuile wanbedrijven, en stoot gij u niet meer aan de Waarheid, maar heeft de Waarheid u vrijgemaakt.

Wiens wan in Zijn hand is. Het aan de landbouw ontleende beeld is zonder meer duidelijk. Het wannen of ziften bedoelt koren en kaf te scheiden. Wanneer de zeef geschud wordt, waaien stoppelen en strootjes weg en het gereinigde koren blijft over. Hij komt, zoo zegt de Wegbereider, de Voorlooper, de Heraut, Johannes de Dooper, tot de saamgestroomde schare. Die sterker is dan ik. Wiens schoenen ik niet waardig ben Hem na te dragen : Die zal u met den Heiligen Geest en met vuur doopen. Wiens wan in Zijn hand is, en Hij zal Zijn dorschvloer doorzuiveren Mij dunkt, dat was geen prettige boodschap voor „Zijn dorschvloer". Zijn dorschvloer, Zijn Israël, Zijn volk. Zijn landlieden, de bondelingen, de besnedenen. Opgevoed waren ze in den godsdienst der vaderen. Gods wet. Zijn tempel bezaten zij. Bijzondere zegeningen waren hun geschonken. Maar stond daar nu voor den Dooper een gereinigde schare ? Hadden zij God en Zijn dienst lief ? Vertrouwden ze op Zijn beloften en zagen zij reikhalzend naar de komst of het optreden van den waren Messias uit ? Ach, ook zij spraken enthousiast over den Messias van hun begeeren, zooals in onzen dag zoovelen vriendelijke dingen van Jezus zeggen. Maar de echte Messias kon wel eens niet aan hun verwachtingen beantwoorden. Hij zal schiften, richten, wannen. En het verwaten roepen van : wij hebben Abraham tot een vader, zou wel eens ten eenenmale inhoudlooze pretentie kunnen blijken.

Inderdaad, het optreden van den Messias heeft uitgewezen, dat in en met Hem een schiftende macht is geopenbaard. Hij is tot een oordeel in de wereld gekomen. Hij is gekomen om den mensch tweedrachtig te maken tegen zijn vader en de dochter tegen haar moeder. Waar Christus in waarheid komt, daar schift, zuivert, reinigt Hij. In beginsel en aanvang wordt hier reeds een scheiding voltrokken, een innerlijke scheiding, maar straks aan het eind der tijden, in den grooten en doorluchtigen dag der dagen, zal deze scheiding voor aller oog zichtbaar zijn. De schapen zullen ter rechter, de bokken ter linkerzijde worden gesteld. Of, met het beeld van den tekst: de tarwe zal in de hemelsche schuur worden samengebracht en het kaf zal met onuitblusschelijk vuur worden verbrand. Verstaat ge de ontzaglijke ernst van het tekstwoord ? Het gaat ons van zoo heel nabij aan.

Het handelt niet over het oordeel, dat de Rechter der gansche aarde over de wereld, de heidenen vellen zal, maar over het doorzuiveren van Zijn dorschvloer, waarop de ingehaalde oogst is uitgestort. M.a.w. het geldt in het bijzonder Israël, het O.-Testamentische, maar evengoed het Nieuw-Testamentische Israël. Het geldt u en mij. Het geldt gedoopte christenen, die althans den christennaam dragen. Het geldt kerksche, rechtzinnige menschen, die 's Zondags in één (kerkgebouw tezamen komen, naar één en dezelfde prediking luisteren, leden van één kerk of éen gemeente zijn. Uitwendig is weinig verschil te speuren. Maar innerlijk heeft de schifting reeds plaats gevonden en straks zal het ieder duidelijk zijn, wie tot het kaf, wie tot het koren behoort, wie een hypocriet, een geveinsde, een schijnvrome, wie een waarachtige gekende, een waar kind des Vaders is. Laat ons niet pogen op aarde een kerk van louter wedergeborenen te stichten. Hier beneden zal immer met koren, kaf vermengd zijn. In het vischnet, dat kerk heet, zullen altijd reine en onreine visschen zijn. Innerlijk is de scheiding er. Innerlijk verzetten zich de onbekeerden tegen de prediking, die Gods kinderen een spijze, het gehemelte zoet s. Dat wij toch ernstig de vraag overwegen : Behoor ik tot de tarwe of tot het kaf ? O, als Christus wannen gaat, wat blijft er dan bitter weinig van ons en het onze over ! Hoe slonk de hoop, de schare, toen de Heere Zichzelf als de Volstrekt-Onmisbare predikte en Zijn hoorders voor de keuze plaatste : alles of niets ! Zalig de mensch, die zich wil laten wannen in Christus' wan en de uitkomst niet vreest, omdat hij in den Richter tevens zijn Redder leerde aanbidden, die Jezus' eisch, dat Zijn vuur over al het onze moet gaan, onze ervaringen, onze vroomheid, al onze godsdienstigheid, heeft leeren billijken en uit het reinigingsproces gelouterd te voorschijn getreden is. Hij hehoeft ook den oordeelsdag niet te vreezen, want hij mag deze gewisse hoop koesteren, dat hij als een waardevolle schoof, als voedzaam graan, in de voorraadschuur geborgen worden zal. Beter nog : dat hij als gereinigde tarwe in Gods schuur met al de gezuiverden van den smet der zonde samengebracht zal worden. Welk een heerlijk en machtig oogenblik zal dat zijn ! Mocht daarnaar met heimwee door Gods Kerk worden uitgezien ! Mocht die dag met vurig verlangen worden verbeid !

Maar huiveringwekkend is het, te denken aan het lot van allen, die niet als verlorenen tot Christus mochten komen, die prat gaan op hun deugden en vragen : zijn wij dan ook kaf ? Wie nog iets van het zijne heeft overgehouden, kan Jezus' discipel niet zijn. In de wan, al uw verdiensten, uw gerechtigheden ! Zoo niet, een schrikkelijk lot wacht u, indien ge op nog iets anders hoopt en bouwt, dan enkel op Christus' zoen- en kruisverdienste. De tekst spreekt van onuitblusschelijk vuur. Met dit beeld wordt aangegeven de pijn naar lichaam en ziel, die de verdoemden dulden moeten. De vlam van wroeging en wanhoop zal bloedrood oplaaien en niet uitgebluscht worden. Ik weet wel, het is het ware niet, indien een mensch, een zondaar. God zoekt, om aan de smart van de hel te ontkomen. Laat ons met het gebruik der woorden hel, verdoemenis, onuitblusschelijk vuur, voorzichtig zijn ! Er wordt zoo iets heel vreeselijiks mee tot uitdrukking gebracht ! Maar toch kan het van beteekenis zijn, zooals Calvijn in zijn verklaring van dit Schriftgedeelte opmerkt, dat de huichelaren er van verwittigd worden, dat hun verwerpen van Christus niet straffeloos geduld zal worden, opdat zij, uit hun doodelijken dommel opgeschrikt, den wreker beginnen te duchten, dien zij als de werkmeester van hun zaligheid hebben versmaad. Moge de Christus, zoowel in Zijn gestalte van noodigenden herder als in die van schiftenden landman, ons dierbaar zijn ! Zoolang we , op deze onvolmaakte en zondige wereld leven, zal de kerk het beeld vertoonen van een akIker, waarop voedzame tarwe met waardeloos onkruid tezamen opwast. Laat ons het wannen aan Christus overlaten. Hij vergist zich nooit. Hij is het, die het koninklijk bevel geeft : laat ze tezamen opwassen tot den oogst, en in den tijd des oogstes zal Ik tot de maaiers zeggen : vergadert eerst dat onkruid en bindt het in busselen, om hetzelve te verbranden ; maar brengt de tarwe tezamen in Mijn schuur. Geen korrel zal verloren gaan ! Dat ook ons plaats bereid zij !

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken