Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Vrijzinnig—orthodox

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Vrijzinnig—orthodox

10 minuten leestijd

Verbroedering

Vrijzinnig—orthodox blijve tegenstelling ! Zoo betitelt ds. Buiskool zijn referaat. (Zie elders in dit blad).

Wij kunnen die leus mede onderschrijven in dien zin, dat vrijzinnigheid geen orthodoxie en orthodoxie geen vrijzinnigheid is, dat de grenzen tusschen die beide niet mogen vervloeien. Dan toch kon het eenige resultaat zijn, dat niet de vrijzinnigheidi, maar het orthodox geloof zijn verdwijning nabij was. Kan dat ? Wij gelooven het niet. Zoowaar wij gelooven, dat Christus ten allen tijde Zijn kerk heeft bewaard, ook onder het Pausdom en tegen al het geweld (ook het geestelijk geweld) der wereld in, zoo zeker houden wij het er voor, dat Hij altijd Zijn kinderen zal onderhouden in het geloof, dat den heiligen is overgeleverd.

En aangezien de belijdenis der kerk naar onze overtuiging uit dat waarachtig Christelijk geloof is opgekomen, achten wij met recht orthodox (recht in de leer), die uit datzelfde geloof leven en in de belijdenis der kerk daarvan het getuigenis ontdekken.

Dat waarachtig Christelijk geloof nu, maakt scheiding tusschen rechtzinnig en vrijzinnig. Deze woorden worden veelal met het denken over de geestelijke dingen in verband gezien, maar dat is strikt genomen niet juist. Rechtzinnig beteekent niet slechts het rechte denken over de goddelijke dingen, terwijl vrijzinnig zich daartegenover vrijheden van gedachten zou veroorloven, die in strijd zijn met het rechte denken.

Het godsdienstig leven gaat nu eenmaal niet op in het verstand en het denken, maar het omvat den geheelen mensch in al zijn denken, gevoelen en willen. De liefde Gods eischt geheel uw verstand, geheel uw hart, geheel uw ziel en al uw kracht. Daarin is ook het denken begrepen, maar nog veel meer.

Rechtzinnig ziet derhalve op de genegenheid des harten om door Zijn Woord en Geest geleid te willen worden overeenkomstig het geloof, dat den heiligen is overgeleverd.

Vrijzinnigheid ziet evenzeer op een genegenheid des harten — n.l. een genegenheid der vrijheid jegens het geloof der kerk. Vrijheid op en voor zich zelf is niets. Vrijheid neemt zelfs gebondenheid niet weg en gebondenheid staat de vrijheid niet in den weg. Men zou zelfs kunnen spreken van de gebondenheid der vrijheid. Sta dan in de vrijheid, met welke u Christus vrijgemaakt heeft. (Gal. 5 : 1). Ziedaar de vrijheid in de gebondenheid aan Christus. Vrijzinnigheid zoekt alzoo een vrijheid van een andere gebondenheid, b. v. de gebondenheid aan de rede, aan een wijsgeerig inzicht, aan een cultuur-ideaal, aan een idee der humianiteit, enz., waarop de genegenheid is gericht.

Men kan nu eenmaal geen twee heeren dienen. De genegenheid tot de eene gebondenheid, beteekent een zich niet kunnen geven onder de andere gebondenheid.

Het kan derhalve duidelijk zijn, dat rechtzinnig en vrijzinnig als tweeërlei genegenheid des harten ons in tweeërlei verband, geest en sfeer brengen, welke door die genegenheid worden bepaald. Tweeërlei gemeenschap van geest staan hier naast en tegenover elkander, die elkander ten eenenmale uitsluiten. Daarmede komt overeen tweeërlei centrum van geestelijke werking, tweeërlei gedachtenwereld, tweeërlei gevoelswereld, tweeërlei begeeren en streven.

En nu is er tusschen rechtzinnigheid en vrijzinnigheid één verband. Dat is het religieus beseffen en gevoelen. De religie is een algemeen en centraal verschijnsel, waardoor het hart van  alle menschen in den diepsten grond bewogen wordt.

De vrijzinnigheid is niet ongodsdienstig, want alle menschen zijn ten slotte op hun wijze godsdienstig. Dat waren de Atheners ook, en Athene is nog altoos een sterke magneet der vrijzinnigheid. De vrijzinnigheid handelt vrij en op haar wijze met de goederen, die uit Jeruzalem tot de wereld zijn gekomen. Zij maakt zelfs aanspraak op den naam Christelijik. En zij benadert die goederen van uit haar gebondenheden en wil die zelfs aan haar gebondenheden onderwerpen. Feitelijk zoekt de vrijzinnigheid altoos de synthese tusschen humanisme en Christendom, of met een oude spreekwijze, die tegenwoordig weer opgeld doet, tusschen Athene en Jeruzalem.

De kerk heeft zich voor deze synthese wel te wachten, met name als die onder den schijn van verbroedering wordt nagestreefd. Een van de belangrijkste kenmerken der Reformatie is juist in de overwinning en afschudding van de Atheensche erfenis gelegen. Daarom waarschuwt ds. Buiskool niet ten onrechte tegen verroomsching. En het is in dezen zin, dat wij zijn leuze onderschrijven.

Hij kan echter niet bedoelen, — en dat doet hij ook niet — dat in de kerk die tegenstelling blijve. Wel, dat men er zich van bewust blijve. Maar in een gezond kerkelijk leven functioneert één en dezelfde belijdenis.

Dat wil niet zeggen, dat er in de kerk geen menschen zullen blijven, die zich allerlei vrijheden veroorloven tegenover het geloof en de belijdenis, waaruit de kerk leeft, m.a.w. die vreemd zijn aan het waarachtig geloof en allerlei ketterijen bij zich omvoeren. Dezen worden door de belijdenis saamgevat onder den naam hypocrieten.

Doch wat wij zoeken en nastreven is, dat de belijdenis in de kerk zal functioneeren, dat de kerk dienovereenkomstig door het ambt wordt geregeerd, dat naar de belijdenis zal worden geleerd en gepredikt.

De tegenstelling orthodox en vrijzinnig zal dus blijven, maar de kerk zal orthodox leven, d.w.z. zich openbaren overeenkomstig haar aard en wezen. Geen vrijzinnigheid in de leer en geen vrijzinnigheid in het ambt.

Ook Gemeenteopbouw weet zeer wel, dat de kerk een geloofsgemeenschap is en dat daarin niet onderscheidene gelooven van rechtzinnig tot vrijzinnig naast elkander kunnen staan. Zulk een conglomeraat is geen kerk. En zelfs vrijzinnigen zien dat ook wel in.

En, omdat Gemeenteopbouw dat ook wel weet, wil zij ons opleggen, dat er geen richtingen zijn. Het heeft er althans den schijn van, dat men doet, alsof zij er niet meer zijn. Het behoeft niet gezegd, dat daarmede het richtings vraagstuk niet is opgelost. Doch men hoopt het te overwinnen op een wijze, die door ds. Buiskool wordt getypeerd als „pogingen tot verbroedering".

Ernstig genomen, zou het een schoone oplossing zijn, indien een verbroedering tot stand mocht komen in gehoorzaamheid aan Christus in den vollen Bijbelschen zin en door Gods genade. En als Prof. Kraemer zoo herhaaldelijk op die gehoorzaamheid wijst, bedoelt hij ongetwijfeld ook deze aangelegenheid.

Nu zouden wij niets liever wenschen dan dat zulk een verbroedering en op zulk een grond en wijze tot stand mocht komen, n.l. dat allen zich zouden voegen onder de gehoorzaamheid des geloofs op den grondslag van de belijdenis der kerk.

Nu mag niet ontkend worden, dat er in het vrijzinnig kamp een merkbare verschuiving plaats vindt. Uit den mond van vrijzinnigen, die bij hun oude standpunt volharden, kan men vernemen van geestverwanten, die „orthodox" zijn geworden. Zonder twijfel is er zulk een verschuiving en Gemeenteopbouw schijnt daarin reeds een grond der verbroedering te vinden.

Het ligt voor de hand, dat in geval van ernstige bekeering, maar niet zoo in eens verwacht kan worden, dat iemand de geheele belijdenis met verstand en hart tot de zijne kan maken, ook al zou hij die als de belijdenis der kerk aannemen. Daar komt dan nog bij, dat men weinig inzicht in de dingen hebben kan, zoodat men ook nog niet verstaat, waarom men de belijdenis der kerk als zoodanig zou aannemen. Met nieuwe bekeerlingen zal men altoos zachtkens hebben te handelen. Maar daarom juist kunnen nieuwe bekeerlingen, in het algemeen genomen, zich niet aanmatigen de kerk te regeeren of te ordenen.

Tegen verbroedering behoeft dus geen bezwaar te bestaan, ten aanzien dergenen, die er prijs op stellen in de kerkelijke gemeenschap te worden opgenomen op den grondslag van de belijdenis der kerk.

Geheel anders echter staat de zaak, indien men terwille van de vrijzinnigheid der verschuiving dien grondslag zou loslaten, althans niet al te sterk naar voren brengen, om den aanstoot, dien men daarin zou nemen, uit den weg te ruimen.

Het groote bezwaar, dat wij tegen dit bedrijf gevoelen, vindt zijn aanleiding en oorzaak in bet zeker te verwachten resultaat, dat de kerk aan een proces van moderne verroomsching zou worden prijsgegeven. Het echt gereformeerd protestantsch karakter zou daarbij voor goed verloren gaan. En daartoe kunnen en mogen, die de kerk der belijdenis liefhebben, nooit medewerken.

En dat dit de vrucht van zulk een drijven zou wezen, kan men voor zeker aannemen, omdat de verschuivende vrijzinnigen volstrekt geen prijs blijken te stellen op den naam orthodox, maar stevig vasthouden aan de kwalificatie vrijzinnig. De inhoud van die vrijzinnigheid moge gewijzigd zijn, doch de vrijzinnigheid blijft.

Verbroedering nu van richtingen, als vrijzinnige en orthodox, zal in de eerste plaats eischen, dat men een gemeenschappelijken geestelijken grondslag heeft gevonden, waarop men elkander de hand reikt, om dan gezamenlijk op dien grondslag verder te gaan.

Voorts vergete men niet, dat die verbroedering zou bedoelen kerkelijk verder saam te gaan, de roeping der kerk tezaam te vervullen. Dat beteekent de openbaring der kerk naar haar aard en wezen te bevorderen, zoowel wat haar orde, regeering, dienst, prediking en belijden betreft. Men zal zulk een verbroedering derhalve alléén op den grondslag van het geloof der kerk kunnen zoeken.

Zonder het recht van Gemeenteopbouw te erkennen om de kerk te bouwen, vragen wij : waarom doet Gemeenteopbouw dat niet ?

Wat beweegt haar om een verbroedering van vrijzinnigen en orthodoxen tot stand te willen brengen op ja, waarop eigenlijk? . . . . . . . . .

Op iets, dat in de lucht zweeft . . . . . .  op een ideaal van kerk-zijn. . . . . . . . , waarvan zij geen verantwoording kan doen ?

En waaraan ontleent Gemeenteopbouw macht en bevoegdheid, om niet te spreken van recht, om dat zóó te doen ? Zelfs de oude Synode heeft de kerk in den tijd van de verdrukking meer dan eens bepaald bij en vermaand tot de Schrift en de belijdenis.

Het drijven van Gemeenteopbouw heeft slechts één verklaring. Men vreest klaarblijkelijk, dat op den grondslag der belijdenis de gezochte verbroedering weerstand zal ontmoeten bij de gewenschte broeders.

Of werkt men onder druk van die weerstanden zelf ? Dan zou dat er op wijzen, dat de verbroedering binnen Gemeenteopbouw zelf niet of op een lossen bodem is tot stand gekomen. In gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en op den bodem der belijdenisgeschriften was toch de aangewezen grond.

Men kan die verbroedering niet dekken met de formule : Christus de Heere. Prof. Kraemer vult dat aan, zooals wij gezien hebben, met de veelzeggende woorden : „op Gods genade" en „in den vollen Bijbelschen zin". Het is wel. Wij hopen het zoo te mogen verstaan. Doch hier ligt nu juist de moeilijkheid van het probleem der verbroedering. Hoe verstaat de vrijzinnige dat ? Hoe interpreteert hij „den vollen Bijbelschen zin" van het Christus de Heere ?

Hoe heilig ons dit woord is en hoezeer wij erkennen, dat alles in dat Christus de Heere begrepen is, onze gansche troost in leven en sterven en de gansche kerk, het wordt een onheilige leuze der verbroedering, indien daaraan een vrijheid van uitlegging en opvatting — en dat met kerkelijke sanctie — gegeven zou worden, die de fundamenteele geioofsstukken omtrent de heilsfeiten aan allerlei, wind van leer zou prijs geven.

Daarvoor heeft de kerk te waken. En dat is de beteekenis van de belijdenis des geloofs, die men schromelijk uit het oog verliest.

Verbroedering als eisch der gehoorzaamheid. Die eisch gaat tot allen uit, maar in de eerste plaats — wij spreken nu kerkelijk — tot hen, die tot op heden weigeren de gehoorzaamheid te hrengen aan de klare en duidelijke uitspraken van Gods Woord, welke in deze zaak beslissend zijn.

Indien die gehoorzaamheid gebracht wordt, zal er een weg tot verbroedering zijn en het is die weg, welke de kerk heeft te bewandelen. Die gehoorzaamheid te zoeken is de genegenheid der ware rechtzinnigheid, en in die gehoorzaamheid is geen rechtzinnigheid en vrijzinnigheid, wijl zij vrucht is van het waarachtig geloof in den Christus der Schriften.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Vrijzinnig—orthodox

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken