Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

DOGMATIEK

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

DOGMATIEK

DE SCHEPPING

14 minuten leestijd

Van de kennisse Gods.

De eerste en hoogste gave van de schepping naar Gods Beeld is zonder twijfel in de kennisse Gods gelegen. Het behoeft na het voorafgaande ook geen betoog, dat de kennisse Gods door den Schepper werd voorbereid in de schepping van den mensch tot een levende ziel. Want daarin is de voorwaarde gegeven van een kennenden mensch.

Dit neemt niet weg, dat de scheppende werkzaamheid des Heeren gestalte geeft aan de werken der schepping in het menschelijk bewustzijn, zoodat zij daar in als in een levend beeld verschijnen. En zoo is het ook Zijn Woord, dat aan Zijn deugdenbeeld gestalte geeft in het menschelijk kennen en verstaan.

Het is van beteekenis, daarop te wijzen, omdat men tegenwoordig aan deze dingen tornt en aan deze werkelijkheid te kort doet. De Barthianen willen van geen Godsvoorstellingen en van geen bevinding des geloofs weten.

Zij willen een openbaring, die op een onverklaarbare wijze boven den mensch blijft zweven. Zij spreken dan van een soort van blikseminslag van boven af, maar zoo, dat de openbarende werkzaamheid Gods in de menschelijke ziel geen gestalte of vorm zou aannemen. Er mag dan een zeker beseffen zijn, dat er iets goddelijks geschiedt, doch wat de mensch daaraan verbindt aan voorstellingen of gevoelens is louter menschelijk en ongoddelijk.

Zij noemen dat alles afgoderij, indien men het er voor houdt, dat wij de goddelijke waarheden a.h.w. in ons gemoed zouden omdragen en bewaren.

Hier wordt alzoo een scheiding gemaakt tusschen het menschelijke en het goddelijke, welke geen recht doet aan de leer der schepping.

Het is daarom, dat wij van meet af de aandacht er op hebben gevestigd, dat alle openbaring creatuurlijk is en dat juist daarin de nederbuigende goedheid Gods tot ons komt, dat Hij zelf gestalte wil geven aan Zijn deugdenbeeld in de creatuurlijke Godskennis.

Wij zijn dan ook niet zoo naïef om het er voor te houden, dat de beseffen en gevoelens, de Godsvoorstellingen en bevinding van de werkingen Gods in ons hart op zich zelf genomen, zooals zij bij ons gevonden worden, God zouden zijn.

De voorstellingen, welke Woord en Geest in onze harten werken, zijn uitteraard onderscheiden van den Heere zelf, maar zoowaar zij gewerkt worden door Zijn Woord en Geest, zoowaar zijn zij betrouwbaar. En zoowaar ook mogen wij daaruit spreken.

Het is uit dien hoofde ook van zoo groote beteekenis, dat wij uit de Heilige Schrift geleerd hebben, dat God de Heere zich in zijn Christus zelf een Beeld van Zijn onzienlijk wezen heeft gegeven.

Wij zijn er ons van bewust, dat wij ook dat goddelijke Beeld niet kennen, zooals het bij God is, en dat het aan Gods uitverkorenen gegeven zal zijn Hem in Zijn heerlijkheid te aanschouwen, als zij in Zijn koninkrijk zullen zijn ingegaan. De apostel toch spreekt er van, dat wjj Hem zien zullen gelijk Hij is. Dat hemelsche Beeld is voor ons verborgen, maar het is toch niet verborgen gebleven. Want immers is het des Vaders welbehagen geweest, dat Hij gestalte zou aannemen in de Zijnen.

Dat geschiedt op een creatuurlijke wijze, schepselmatig naar de orde en in de gestalte, zooals de Heere God in de Zijnen wil gekend zijn.

Daarom zien wij deze mededeeling Gods dan ook geheel onder het aspect der schepping.

En dat op tweeërlei wijze.

Vooreerst, dat heel de schepping van hemel en aarde dienstbaar is aan dat groote werk Gods om zich te openbaren, zoodat ook de gansche wereld in den mensch gestalte verkrijgt, zoo objectief in het aanzien der dingen, als subjectief in het beeld, dat wij in onze herinnering dragen. Ten tweede, dat ook de Schepper der wereld, zelf gekend wil zijn door den mensch en in hem gestalte aanneemt.

In het hart van Gods volk is dan ook geen vereenzelviging van den openbarenden God en de geopenbaarde waarheid Gods.

Integendeel, zelfs de heiden beseft, dat God een geheel andere is, boven het schepsel verheven. En ook de uitverkorenen Gods aanbidden niet een Godsvoorstelling of een beeld in zichzelven, maar zij aanbidden dien God, die Zich aan hen door Zijn Woord en Geest bekend maakt.

Zoo weinig als wij de woorden van een mensch, die tot ons spreekt, vereenzelvigen met dien mensch, maar onderscheid maken tusschen hem en datgene, wat hij beweert, zoo weinig vereenzelvigen wij hetgeen God de Heere door Zijn Woord tot ons zegt met Zijn heilig wezen.

En hoe levend het beeld kan zijn van onze medemenschen, dat wij bij ons ronddragen, en waarin zij bij ons leven, toch zijn wij er ons klaar van bewust, dat dit beeld niet de man zelf is, op wien het betrekking heeft.

Zoo is het ook met de kennis van God. De Heilige Schrift zelf spreekt er van, dat Christus gestalte aanneemt in de Zijnen, en die gestalte kan zeer levend zijn, zoodat wij in nauwe gemeenschap met Hem verkeeren, desniettemin weet Gods kind, dat zijn leven met Christus verborgen is bij God.

Weliswaar, dat de vrome mensch zoo rijk is met de bevinding van de gemeenschap met God in Christus, dat hij deze gaat koesteren en troetelen en er een afgod van maakt. Dan verbindt hij die bevinding aan zijn eigen voortreffelijkheid, welke hij zich in Christus toeschrijft. Hij gaat zichzelven aangenaam achten, omdat hij acht aangenaam bevonden te zijn in de verkiezende genade Gods.

Dat is ook een vorm van afgoderij en daaraan nemen zij aanstoot, die van geen bevinding weten willen. En zulks terecht.

De bevinding des geloofs is als het manna in de woestijn. Het is de heilige ervaring van Gods nabijheid, de ervaring van de levende kracht van Zijn Woord, de ervaring van Zijn zorgvolle leiding, van wondere gebedsverhooring, van kinderlijk vertrouwen, van innige gemeenschap. Het is de geestelijke spijs van het levende Woord, de werking van het brood uit den hemel.

Maar, o wee, als men het gaat opsmukken, en bewaren voor den volgenden dag. Dan is het, evenals het manna in de woestijn, bedorven. In de woestijn waren er, die toch wenschten te vergaderen en te bewaren, maar buiten den Sabbath was dat vergeefs. En zoo zijn er in de gemeente ook, die van het levende brood willen overhouden.

Is het dan wonder, dat anderen geen lust hebben in zulk een verdorven goed? De goedertierenheden des Heeren zijn elken morgen nieuw.

Terwijl wij dus waarschuwen tegen de drogredenen van een speculatieve leer der openbaring, die van een scheppende werking in het menschelijke hart niet weten wil, moeten wij niet minder van zulke practijken afmanen, die een schijn van godzaligheid onderhouden willen ten koste van de waarheid Gods.

Die menschen geven zich over aan een groote vergissing, waarvan zij zich zelf dikwijls niet bewust zijn.

Wij willen dat met een vergelijking duidelijk trachten te maken.

Er zijn lieden, die de wereld, zooals die zich aan ons voordoet en zooals God die voor ons oog doet verschijnen, voor schijn en onwerkelijkheid houden. Zij achten, dat de ware werkelijkheid in hun eigen verstand woont. Zooals het hun daar in het licht hunner eigen idee voorkomt, zóó willen zij de ware werkelijkheid zien. Zij leven dus bij de idee en zij blijken alleen heel gewone menschen te zijn, als ze brood eten. Dan dalen ze om zoo te zeggen af in de gewone alledaagsche werkelijkheid. Zoodra ze echter weer gaan redeneeren, zoeken ze weer een toevlucht in de wereld hunner verbeelding.

Zoo kan het nu met den vromen mensch ook gesteld wezen. De gansche werkelijkheid, zooals die in het licht van Gods Woord verschijnt, laat hen onverschillig. De wereld is immers verloren en zij houden zich zelven als niet van de wereld. Geestelijk leven zij in hun eigen wereldje en daarin redeneeren zij als kleine philosoofjes. Zij komen er alleen uit, als het hun eigen tijdelijke belangen raakt, en dan worden zij heel gewone alledaagsche menschen. Als het dan weer over „andere" dingen gaat, trekken zij zich weer in hun heiligdom terug. En dat is zoo betreurenswaardig, omdat er ook tarwe onder het kaf schuilt. In de wan van den hemelschen Landman is die wel veilig, maar de mensch van buitenaf ziet het kaf aan en heeft soms geen oog voor de tarwe.

Daaruit komen dan weer allerlei menschelijke vonden en weerstanden op, die den waren godsdienst verdraaien en met het badwater opk het kind uitwerpen.

Ook die tegestanders komen met waarheden al prediken zij, dat wij eigenlijk geen goddelijke waarheden hebben. Het bloed kruipt nu eenmaal, waar het niet gaan kan. Want hoe het ook zij, daar wprdt in de wereld over God en de goddelijke dingen gesproken en niet het minst onder degenen, die zeggen, dat men eigenlijk over die geestelijke dingen niet spreken kan, omdat zij uit een andere wereld zijn.

Men spreekt er toch over en men moet er over spreken. Over geen zaak zijn in de wereld zooveel boeken geschreven als over de goddelijke dingen en geen zaak wekt zooveel weerstand en vijandschap in de wereld als de zaak van den godsdienst.

Daarin betoont God niet alleen, dat Hij Zich openbaart, maar daarin betoont ook de mensch nog altijd, dat hij naar Gods Beeld werd geschapen, hoewel het hem beschuldigt, dat hij niet eenstemmig is en over God als over een Onbekende handelt.

Een van de ouden heeft gezegd : Als de goden er zijn, kunnen wij hen niet kennen, en als zij er niet zijn, hebben wij niets te vreezen. En ten allen tijde zijn er menschen, die zich met een dergelijke redeneering willen tevreden stellen. Als God er is, kunnen wij niets van Hem weten. En ook de wijsgeer heeft gezegd, dat wij God niet kunnen kennen, omdat Hij boven deze wereld verheven is en niet van deze aarde.

Daarin is een waarheid, als wij beginnen met twee dingen buiten te sluiten. Ten eerste, dat God Zich heeft geopenbaard. Ten tweede, dat de mensch, die zoo spreekt, nochtans naar het Beeld Gods is geschapen.

Die twee zijn eigenlijk één. Want daarin, dat de mensch naar Gods Beeld is geschapen, ligt besloten, dat God Zich in en aan dien mensch wil openbaren.

Indien wij deze zaak vergeten en het besef, dat God boven deze wereld verheven is, laten spreken, dan kunnen wij zeggen, dat wij, aardelingen, van God niets kunnen weten, tenzij dan, dat Hij boven de wereld verheven is.

Zoo plaatst men God eerst buiten den gezichtskring van den mensch, om dan te zeggen, dat Hij buiten den horizon van deze wereld valt. Er is in dit zeggen een zeker spel, een zoeken om in een onschuldige onwetendheid te vluchten en op grond van een waarheid aan den drang der waarheid te ontkomen.

Dank zij het Woord der openbaring, wéten wij, dat de Heere woont in de eeuwige verborgenheid van Zijn heilig Wezen. Gedachtig dat wij stof zijn, weten wij, dat wij in die verborgenheid van Zijn heerlijkheid niet vermogen in te dringen met ons verstand. Ten slotte zou de mensch nu juist in die verborgenheid Gods willen indringen om Hem onder de macht van zijn geest te brengen, zooals hij de verborgenheden van de schepping zoekt te doorgronden.

De menschelijke rede maakt geen halt, d.w.z. is niet geneigd tot die eerbiedige houding. De mensch wil alle dingen redelijk beheerschen.

Dat is een drang, welke ook beantwoordt aan een gave van zijn schepping en bestemming, waarop wij nog terugkomen.

Er is dus een waarheid in, dat wij niet bij machte zijn in de verborgenheid van Gods Wezen in te dringen. De geopenbaarde dingen zijn voor ons en voor onze kinderen, maar de verborgenheden zijn Godes.

Wat bedoelen de menschen nu verder met zulke redeneeringen?

Dit, dat God, zooals Hij aan Zichzelf bekend is in Zijn goddelijke Zelfkennis, zóó op die goddelijke en rein geestelijke wijze niet door ons kan gekend worden.

En voorts, dat wij God niet kunnen maken tot voorwerp van onze onderzoeking, zooals wij dat doen met de ons omringende dingen. De mensch kan indringen in de bewegingen en werkingen van de elementen der wereld. Denk aan den atoombom. Hij kan den weg der electronen nagpeuren. Maar zoo kan hij niet indringen in de verborgen bewegingen en werkingen Gods. Men heeft er dus geen oog voor, dat de Schepper hem toelaat in de wereld zoovele wonderen van Zijn hand te ontdekken. Want dat is toch het wonder, dat God ons Zijn werk in de creatuurlijke dingen voor oogen stelt en doet ontdekken. Het groote wonder, dat God Zijn heerlijkheid en eeuwige kracht in de gestalten én bewegingen van het schepselmatige zijn kenbaar maken wil en doet kennen.

Dat is niet alleen een wonder der schepping, maar tegelijk een wonder der openbaring.

Dat wonder der openbaring nu krijgt zijn eigenlijke beslag in de menschelijke Godskennis, d.w.z. in de kennis van God, zooals God die aan den mensch schenkt in de gestalte en naar de wijze van het menschelijke kennen.

Zij, die dit niet voor een ware en betrouwbare kennis van God willen houden, omdat zij zeggen, dat wij God niet op goddelijke wijze kennen, zooals Hij alleen Zich zelf kent, miskennen in dit opzicht de weldaden Gods en blijven bij het creatuurlijk symbool staan zonder tot de geestelijke werkelijkheid door te dringen.

Want, hoezeer het waarachtig is, dat het levende Woord Gods gestalte aanneemt in het hart van den mensch, en zoowaar die gestalte op schepselmatige wijze tot stand komt, zoo waar is het ook, dat het besef van de geestelijke werkelijkheid Gods steeds aan de gestalte gepaard gaat. Ook die gestalte is symbolisch van aard. Als er gesproken wordt van Gods hand, van Zijn voet, van Zijn doen en laten overeenkomstig de menschvormigheid, dan wordt God geenszins voorgesteld als een groot mensch. Dat kan men op grond van die uitdrukkingen wel zoo zeggen, maar dat is zoo niet.

Als God een vaste burcht wordt genoemd, stelt men Hem niet voor als een sterk kasteel of een fort, maar dit wordt symbolisch verstaan. Het is dan ook volkomen onjuist en ten onrechte. zooals iemand wel eens beweerd heeft, dat als de ezels God zouden voorstellen, zii Hem als een van hun soort zouden voorstellen. Kenmerkend voor de openbaring is het juist, dat zij zich bedient van die menschelijke en creartuurljjke symbolen om de geestelijke werkelijkheid Gods tot expressie te brengen en het geestelijk beeld in des menschen gemoed op te wekken.

Zonder twijfel kunnen wij daarom van Godskennis spreken. De Heilige Schrift spreekt ook van een geestelijk verstaan. De natuurlijke mensch verstaat niet de dingen, die des Geestes Gods zijn, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.

Maar daarom wordt het haast te veel om van Godsvoorstelling te spreken. Godsbesef is te weinig. Want de kennisse Gods gaat verder dan beseffen. Begrip en idee zijn woorden, die wij in verbinding met God geheel en al moeten vermijden. Een begrip of idee van God is een wijsgeerige structuur, een makelij van de denkende rede, een ding, dat in de hersenen van eenigen philosoof rondzweeft. Het ligt voor de hand, dat zulk een idee nooit of te nimmer met God kan vereenzelvigd worden.

God is niet een idee of een begrip in een menschelijk brein.

Daarom is het beter om van een voorstelling te spreken. Ook in den gewonen gebruikelijken zin: wij hebben voorstellingen van de wereld om ons heen, is er onderscheiding tusschen de voorstelling en het ding en tegelijk een innig verband. De voorstelling is er niet zonder het ding. De voorstelling is het ding in zijn gekendan vorm. Het ding als gekend is voorstelling.

Op dergelijke wijze kan men zeggen, dat de Godsvoorstelling er niet is zonder God en dat de voorstelling van God de gekende — uiteraard menschelijk gekende — God is.

En toch kan dit niet heelemaal bevredigen, omdat de Godsvoorstelling wel de vormen van het geschapene te hulp roept, maar daarin niet opgaat. Zij is in zooverre slechts symbool. Alé wij over God spreken, gaan wij over Hem spreken in de taal der openbaring, d.i. in de beelden der openbaring.

Maar de Godsvoorstelling is meer en is anders. Zij is geestelijk. Wij zeggen Vader, Koning, Heere, Herder, Rechter der gansche aarde, maar de Godsvoorstelling is niet een Vader, die zit in Zijn stoel, geen Koning, die zit op Zijn troon, geen Herder, die de kudde weidt.

Zoo praten wij, als wij het vaderlijke, het koninklijke, het herderlijke enz. van God gaan voor ons zetten in een beeld, maar dan alleen als expressie, als symbool, want wij verstaan deze dingen oneindig veel meer werkelijk en geestelijk. En dat nu is het wonder der kennisse Gods, dat wij Hem oneindig meer werkelijk en, rein geestelijk kennen, dan de beelden en symbolen, waarvan God Zich bij Zijn openbaring bedient. En daarom kunnen wij zeggen, dat het Woord

Gods in Zijn openbarende werkzaamheid scheppend werkzaam is en gestalte aanneemt Doch uit dien hoofde wordt de gestalte niet geestelijk verstaan zonder de levendmakende werking van den Heiligen Geest. Want ook in deze is het: de mensch ziet aan, wat voor oogen is. Maar als de Heilige Geest Zijn licht over de gestalte doet opgaan, wordt zij transparant en geleide der geestelijke werkelijkheid.

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

DOGMATIEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1946

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

PDF Bekijken