Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Samuël, een zoon der Wet

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Samuël, een zoon der Wet

FEUILLETON

10 minuten leestijd

EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA

72)

De verpleging van de nog steeds zieke, rijke, oude Jood te Haïfa had deze al lang opgegeven, toen hij met het feest van Samuël naar Schaloom kwam. De reden daarvan hoorde Lemberger niet. Daarna werkte hij enige weken lang in een van de talrijke wagenmakerijen te Haïfa, en liet die ook weer in de steek. Ook daar begreep zijn vader niets van, omdat hij er zo voor het oog met werkelijke ijver en genoeg vaardigheid geweest was. Want toen hij thuis weer opdook, bracht hij verscheiden kleine gereedschappen met zich mee, die hij in zijn vrije uren voor zichzelf had vervaardigd. Lemberger vond deze in zijn zak, toen hij die doorsnuffelde. De bedoeling van dit alles was hem niet duidelijk, maar in ieder geval waren er geen gereedschappen voor de landbouw bij, en Fanuël wierp alles knorrig opzij, toen zijn vader ze wat nader wilde bekijken. Hij nam ze in het donker van de avond mee naar buiten het veld in en keerde later met lege handen terug, en met een gelaatsuitdrukking, die het verdere doen van vragen niet raadzaam deed schijnen. Daarop vertelde hij op een morgen, dat hij weer naar de stad wou gaan, om daar een reeds vroeger gevonden positie te aanvaarden, en hij trok er met zijn buidel en een geweldig dikke stok op uit. Dus kwam Lemberger verder niets daarvan te weten. Toch was hij bijna blij, dat hij de onbetrouwbare arbeider en de tevens zo vreselijk ontevreden eter weer kwijt was. Wel was hij na enige dagen weer thuis en werkte toen zelfs enige dagen zó ijverig aan de ophoging van een moerassig stuk land op zijns vaders erf. dat hij, zo lang het licht was, haast geen mens onder de ogen kwam.

Ook de huishouding van Tulpenbloesem en van de aanbehuwdkinderen had weer enige toevoer uit Haïfa nodig, en Sinaï die de koopmanszin van Lemberger, als het niet héél nodig was, liever niet wou begunstigen, wenste dat Samuël zich bij hem zou aansluiten en dat hij met de grote witte rijezel zelf een boodschappenreis naar Haïfa zou ondernemen, om op zijn minst de door Lemberger ingekochte waren dan op eigen gelegenheid weer naar huis te brengen.

In het begin van December, op een vroege morgen, terwijl het nog dauwde, trok dus Samuël zijn ezel aan de toom leidend, in gezelschap van de koopman en diens zoon Fanuël, van huis. Het bos op de berg met het frisse groen lag aan hun linkerhand, de grond was bedekt met groen kruid, waarin de voetstappen van mens en dier al heel gemakkelijk konden gaan. Het was als een Meidag in Rusland. Talloze crocusplantjes staken haar knoppen tussen het groene gras uit, Alpenviooltjes wiegden op hun slanke stengeltjes. Grote, dieprode anemonenbloesems knikten, glinsterend van de dauw, uit hun fijn en groen kleed. Bloemen, zó rood, als hadden zij uit de bodem der oude vlakte, waar zoveel veldslagen waren geleverd, het bloed gedronken. De ezels wilden grazen en moesten voortdurend worden aangezet. Het was de dag na een Sabbat, een christelijke Zondag dus. Toch hoefde dat geen bezwaar te zijn, omdat zij alleen in Joodse zaken hun inkopen wilden gaan doen. En dan kon deze dag juist de blinde Suze misschien wat helpen om over het raadselachtige doen en laten van dat schoenmakersgezin, dat zij sedert de dag van hun vertrek uit Haïfa nog geen dag vergeten was, iets betrouwbaars te weten te komen. Zachtjes onder vier ogen had zij Samuël opgedragen om die mensen zo mogelijk eens op te zoeken en hen te ondervragen.

Lemberger, die iets vroeger van huis was gegaan, liep met zijn dier vooruit. Fanuël slenterde mop­perend en onregelmatig met zijn knoestige stok, waar hem dat zo eens inviel. En Samuël liep in die droomsternming, die na zijn feestdag bij wat rustiger bezigheden altijd weer over hem kwam. Voor het eerst had hij bij deze gelegenheid duidelijk ondervonden, dat hij ook op volwassenen invloed kon hebben. Hij was zich nu zijn kracht bewust geworden, zoals hij zich reeds lang zijn wil bewust was geweest. Het ging om het hoogstg, wat hij bereiken kon. Zijn geest verloor zich profetisch in allerlei voorstellingen, zoals bijvoorbeeld, dat hij zelf een groot Rabbijn of zelfs een Zaddik zou kunnen worden, machtig in woorden en in wijsheid. Dan wenste hij zichzelf eeh onbegrensd inzicht toe in alles, wat er rondom hem te horen, te zien en te gevoelen was, ook in de natuur.

Want hier was de aarde des Heeren ! In Samuël was sedert zijn tocht over de Karmel een vurig verlangen om haar openbaringen te weten te komen, die hier vol geheimenissen moesten zijn, van Israël en vóór Israël. En voor hem zweeg ook de wereld niet. Als het hem eens mocht gelukken de mond van dit land te worden, dan zou zijn rede alle zielen tot hem trekken, zoals in Rusland de mond der Zaddikim dit deed, en hij zou de gemeenten beheersen en ze leiden tot haar heil. En de kringen van zijn invloed zouden steeds breder en breder worden over heel het land ! Er begon een dorst in hem te branden naar die inwendige macht, en hij kon nog niet onderscheiden, of het was, omdat die hemzelf boven heel het volk, of Israël weer aan het hoofd van alle volken zou plaatsen. Als er enige eerzucht doorheen speelde, zo was hij zich daarvan toch niet bewust. Of hij de mensen tot zich zou weten te trekken ? Of hij ze de Messias tegemoet voerde ? O, duizendmaal ja. Hem, die te komen stond !

Dat was een gedachte, die in staat was zijn hart te doen barsten. Als de Messias dan verscheen, en hij kon die scharen Hem brengen en die zaelen Hem aan de voeten leggen ! Als dat kon gebeuren, geen moeite, geen lijden, geen vernedering zelfs zou hij

er voor schuwen ! Al zijn voorstellingen bewogen zich rondom deze hoogste wens van zijn ziel. —

Door een slag, die Fanuël met zijn harde stok de ezel gaf, werd Samuel op wat hardhandige wijze tot de werkelijkheid teruggebracht. Zijn boos protest vond de forse jonge man blijkbaar niet de moeite waard om daar acht op te geven.

Nu liep Fanuël weer een eind vooruit, en het was alsof hij er plezier in had, zijn brede voeten zo vaak dat maar mogelijk was, juist te zetten op frisse jonge bloemen, die daareven door de volle zon tot het licht waren 'geroepen. Samuel zag dat én overwon zijn boosheid door hem kalm te herinneren : „Laat toch leven, wat leven wil; waarom heb je daarnu schik in ? "

Maar dat maakte de ander juist nog ijveriger in die bezigheid. „Wat ben jij toch een overdreven, fijngevoelig mannetje ! Zijn de bloemen dan niet net goed genoeg voor mijn Voeten ? Iemand heeft mü verteld, dat er in Rusland een of ander groot vorst, dure, gekochte bloemen voor de voeten gestrooid werden, en dat hij daar dan overheen liep. Ben ik dan soms minder ? Hebben deze bloemen jou mis; schien iets gekost ? Zeg eens, ik ben óók een grootvorst, hoor ! En in vergelijking met jou ben ik er wel zeven keer een. Slungel, die je bent ! Ik zal mij Wat om jou bekommeren ? "

, , Voor mijn part mag je een grootvorst worden in Haïfa, het is mij best. Wij willen vorsten zijn Wat om jou bekommeren !"

„En wat jij dan wel voor een vorst zult worden, Hoogheid ? Maar jij blijft een arm Jodenjoggie al je levensdagen, hoor, en je zult blijven doen, wat domme Joden altijd hebben gedaan : je beult je af, en sterft, of je houdt school en sterft, of je hebt je leven-lang honger 'en sterft. dan ! Wie van jullie denkt ergens anders aan of over ? Maar van mij 2ul je iets anders beleven ! Houd eens even stil, niijnheer de vorst: nou, zo, halt ! Nu is het goed ! 2ie, zo hoort het, als men in het leven vooruit wil komen". En vóórdat Samuöl het kon verhinderen, had Fanuël de rijezel aangehouden en was hiJ daarop gaan zitten.

„Ga er af ! Ik wil het niet hebben ! Van het dier af ! Mijn vader heeft gezegd, dat ik het aan de teugel zou leiden".

„Nu, daar verhinder ik je toch niet in ? Je moogt het beest gerust leiden ! Loop maar vooruit. Trek je daar maar niets van aan, mijn jongen !"

„Ik wil het niet en jif moogt het niet ! Dat is bedrog en geweld. Ik zelf mag ook niet op de ezel rijden, omdat hij op kracht moet blijven voor de terugreis — ik zou er zelf ook wat graag op gaan zitten".

, , Aha, nu zie je eens, dat is nog eens mannenr taal ! Sn jij dacht, dat je in het leven vooruit zoudt komen ? Je blijft op die manier altijd een ellen< ^ige schooier".

„Nog eens : ga er af ! Ik wil het niet hebben !" Samuel hield het dier aan de teugel vast, en het ging dus niet van ziJn plaats.

„Ga weg, of je wordt ondersteboven gesmeten". Fanuël begon nu de ezel op zijn achterste te slaan met zijn stok en tegelijk met zijn hakken zijn zijden te bewerken, zodat het dier met geweld vooruitdrong. Omdat Samnuël niet los liet, werd het dier op pijnlijke wijze aan zijn bek getrokken.

De moeilijke positie perste de grote jongen de tranen uit de ogen. „Werp hem af, grauwtje ! Steiger toch ! Sla achteruit! Schud hem van je af !" Fanuël's onbeschaamdheid was hem een soort smaad tegen de eerwaar'digheid van Sinaï, die immers, de enige man was, die op dit dier mocht rijden. Nu werd hij opzij gedrongen en moest hij een eind weegs in draf er naast lopen, om niet de teugels kwijt te raken. Fanuël lachte en deed de hele tijd zijn best om de ezel nog tot harder draven aan' te zetten.

Eindelijk werd hun gang weer wat kalmer, en nu hield Samuel de ezel plotseling staande, trok hem de teugel over de kop heen, zodat Fanuël die niet zo gemakkelijk meer grijpen kon, en wierp zich toen op.deze, om hem met geweld van het dier af te trekken. Zijn woede was zó groot, dat hij vergat, hoe hun krachten lang niet gelijk stonden. Hij trok hem aan een been, ging aan zijn arm hangen en deed zulke krachtige rukken, dat de ezel er zelfs van wankelde.

„Ben je gek ? " schreeuwde Fanuël. „Wat mankeer je wel ? Dacht je nu heus, dat ik mij door een kind op de kop zou laten zitten ? "

„Kom er dan af ; ik duld het niet langer !"

„Jij' krabbelaar, jij lelijke kat ! Wil je je huid gelooid hebben ? Weg dan !"

„Ik laat niet los. Ik wil het niet. De ezel bshoort aan Reb Sinaï".

„En jij ? Van wie ben jij ? Lompenverzamelaar ! Men weet Kfelemaal niet, waar jij vandaan komt! Of hoor je misschien helemaal niet biJ ons ? Als jö jezelf tegen een volwassen man druft stellen als een mal kind, zal je ook als zodanig worden bestraft —" En ^Fanuël's hand kwam plomp neer op Samuels gezicht. „Je bent een fijn heertje ! —

Men geeft je maar eerst eens een klap voor je snuit, en dan koopt geen sterveling je meer voor een duit"

Samuel tuimelde achterover. Het bloed stroomde hem eerst naar zijn hart, en toen kwam het weer opzetten tot onder zijn haarwortels. „Hond ! Leelijke hond !" Hij wierp zich weer op Fanuël en bevs^erkte hem nu met zijn vuisten. Zijn jonge sterke spierkracht, door zijn drift nog vermeerderd, bracht , de tegenstander erg in het nauw.. Hü bekommerde zich zelfs niet om de .harde slagen en stompen, die hemzelf troffen» „O, jij ellendige hond, jij — !"

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1947

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Samuël, een zoon der Wet

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1947

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken