Bekijk het origineel

De Moorse kamerling

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Moorse kamerling

22 minuten leestijd

En een engel des Heeren sprak tot Filippus zeggende: Sta op en ga heen tot het Zuiden, op de weg, die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, welke woest is. En hij stond op en ging heen; en ziet, een Moorman, een kamerling, en een machtig heer van Candacé, de koningin der Moren, die over al haar schat was, welke was gekomen om te aanbidden te Jeruzalem. En hij keerde wederom en zat op zijn wagen en las de profeet Jesaja. En de Geest zeide tot Filippus: Ga toe en voeg u bij deze wagen. En Filippus liep toe en hoorde hem de profeet Jesaja lezen, en zeide: Verstaat gij ook hetgeen gij leest? En hij zeide: Hoe zou ik toch kunnen, zo mij niet iemand onderricht? En hij bad Filippus dat hij zou opkomen en bij hem zitten. En de plaats der Schriftuur die hij las was deze: Hij is gelijk een schaap ter slachting geleid, en gelijk een lam stemmeloos is voor dien die het scheert, alzo deed Hij zijn mond niet open. In Zijn vernedering is Zijn oordeel weggenomen, en wie zal Zijn geslacht verhalen? Want Zijn leven wordt, van de aarde weggenomen. En de kamerling antwoordde Filippus en zeide: Ik bid u, van wien zegt de profeet dit? Van zichzelf of van iemand anders? En Filippus deed zijn mond open, en beginnende van die Schrift, verkondigde Hem Jezus. En alzo zij overweg reisden, kwamen zij aan een zeker water, en de kamerling zeide: Zie daar, water, wat verhindert mij gedoopt te worden? En Filippus zeide: Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoorloofd. En hij, antwoordende, zeide: Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is. En hij gebood de wagen stil te houden, en zij daalden beiden af in het water, zo Filippus als de kamerling, en hij doopte hem. En toen zij uit het water waren opgekomen, nam de Geest des Heeren Filippus weg, en de kamerling zag hem niet meer; want hij reisde zijn weg met blijdschap. Maar Filippus werd gevonden te Azóte; en het land doorgaande, verkondigde hij het Evangelie in alle steden, totdat hij te Cesaréa kwam. Handelingen 8 vers 26-40.

1. DE MOORMAN EN DE PROFEET.

Lukas stelt ons de Moorman eerst voor: een Moorman, een kamerling en een machtig heer van Candacé, de koningin der Moren, die over al haar schat was, vers 27. De Moorman was een Ethiopiër, een Cusjiet, afkomstig uit het land ten Zuiden van Egypte, de tegenwoordige Soedan. Kamerling is de vertaling van Eunuch. Dit woord wijst een gesnedene aan, maar wordt hier misschien gebruikt als titel voor een hooggeplaatst ambtenaar. En dit was de Moorman, die immers een machtig heer van Candacé, de koningin der Moren, genoemd wordt, die over al haar schat was. Hij was dus zoiets als minister van financiën. Candacé is een titel voor de koninginnen der Moren, zoals Farao voor de koningen van Egypte. De huid van de Moorman was donkerkleurig en dit doet ons denken aan het woord van Jeremia (13 vs. 23): Zal ook een Moorman zijn huid veranderen? Of een luipaard zijn vlekken? Zo zult gijlieden ook kunnen goed doen, die geleerd zijt kwaad te doen. Onder de oude bedeling waren de Moren, evenals de andere heidenen, van het heil uitgesloten, maar toch voorzegt het Oude Testament in Psalm 87: Ik zal Rahab en Babel vermelden onder degenen, die Mij kennen; ziet, de Filistijn en de Tyriër, met de Moor, deze is aldaar (in de Godsstad) geboren, vers 4. En in Psalm 68 lezen we: Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte; Morenland zal zich haasten, zijn handen tot God uit te strekken, vers 32. En we moeten erkennen, dat onze Moorman het bewijs levert, dat die profetie in vervulling ging.

Lukas deelt mede, dat de kamerling was gekomen om aan te bidden in Jeruzalem. Blijkbaar was hij met de Joden in aanraking gekomen, wat niet verwondert, als we bedenken, dat zij onder alle volken verstrooid waren. Zie Handelingen 2 vs. 5-11. Zij waren ook in Egypte en vlakbij het vaderland van de Moorman. Het blijkt, dat hij in de godsdienst van Israël belang stelde, zodat hij zelfs een reis naar de heilige stad maakte, om de levende God te aanbidden in Zijn tempel. Indien hij werkelijk een gesnedene was, kan hij niet in de voorhof geweest zijn, maar moest hij van verre blijven staan volgens Deuteronomium 23 vs. 1. Dan heeft hij zich nog kunnen troosten met de belofte Gods, die we in Jesaja 56 lezen: En de gesnedene zegge niet: ziet, ik ben een dorre boom, want alzo zegt de Heere van de gesnedenen, die Mijn sabbatten houden, en verkiezen hetgeen, waartoe Ik lust heb, en vasthouden aan Mijn verbond: Ik zal hun ook in Mijn huis en binnen Mijn muren een plaats en een naam geven, beter dan der zonen en dan der dochteren; een eeuwige naam zal Ik een ieder van hen geven, die niet uitgeroeid zal worden, vers 3-5. Maar, zoals gezegd, is het niet uitgesloten, dat hij wel de naam, maar niet de daad van een gesnedene had, en dan heeft hij wel de voorhof der heiligen betreden. Want hij was een heiden, die zich bij Israël aansloot, een z.g. Godvruchtige, evenals de bekende Cornelius. Hoe dit zij, hij was opgegaan naar Jeruzalem, om te aanbidden, en daar zal hij dan zeker de schone dienst Gods aanschouwd en meegemaakt hebben. Maar toch had hij daar nog niet gevonden, wat hij zocht.

De kamerling heeft zeker zijn redenen gehad om zijn heidense godsdienst af te zweren en de Joodse godsdienst aan te nemen. Hij heeft ongetwijfeld wat hij deed, als afgoderij leren waarderen, en toen hij zijn goden liet varen, heeft hij geweten, dat de God Israëls God was. De levende God had Zich bij hem aangediend en had hem zoekende gemaakt. God had hem verstand gegeven, met goddelijk licht bestraald, en nu kon hij evenmin berusten in zijn hoge positie en wereldse genietingen, als in het bijgeloof, waarin hij opgevoed was. Hij zocht de vrede des harten en de weg, waarin hij die zou kunnen vinden. Hij was onrustig gemaakt, zoals allen, die door het goddelijk licht bestraald worden, en een blik in hun zonden en ellende slaan. Zwart was de Moorman van buiten, maar niet minder ook van binnen, in de ziel. Het was hem niet genoeg, dat hij God diende en Zijn Naam beleed in zijn vaderland, maar hij maakte ook de reis naar Jeruzalem, ongetwijfeld omdat hij de dienst Gods ver boven de wereld had leren stellen, maar ook in het verlangen rust te vinden voor zijn ziel. Hij was nu als een koopman, die parelen zoekt, en als een man, die graaft in de akker. De parel van grote waarde had hij nog niet gezien en evenmin de schat. Maar zijn ziel was heilbegerig en zijn hart dorstte naar vrede, en hij zocht. Hij zocht het thuis en in Jeruzalem, in de Tempel en op zijn wagen, in het Woord en in het gebed. De kamerling was zoekende gemaakt door God en naar God. Een zoekende ziel.

Zijn wij dat ook?

Hij zocht alom. Hij zocht het ook bij de profeet Jesaja, wiens boekrol hij bezat. Als de Heere een ziel zoekende maakt, brengt Hij haar bij Zijn Woord. En waar kan men God en het zieleheil beter zoeken? De kamerling zocht dan en hij onderzocht. Hij deed dit, toen hij nog maar pas de tempel had verlaten; en hij deed het tijdens zijn terugreis, op zijn reiswagen. Zullen wij uit de kerk komen, waar we een preek hebben beluisterd, en dan terstond weer de Bijbel ter hand nemen? Zullen we in de trein zitten en daar de Bijbel lezen? Zo deed de kamerling, want hij was zoekende gemaakt, een zoekende ziel. In de tempel had hij het niet gevonden. Hoe dikwijls keren ook wij uit de kerk huiswaarts, zonder „het" gevonden te hebben. De middelen zijn nodig en door de middelen zal de Heere het werken en schenken, maar de middelen zélf kunnen het niet doen. Maar hij gaf het zoeken niet op. Hij zoekt in het boek des Heeren. Hij leest de profeet Jesaja en nog wel het 53ste hoofdstuk, dat wij allen uit het hoofd kennen. Daar verrijst voor zijn blik het beeld van de lijdende Knecht des Heeren, de Man van Smarten. O, wat een hoofdstuk! Welk een gewichtige stof! Hoe komen ze bij elkaar, een zoekende ziel, een heilbegerig hart, een zacht en verlicht gemoed, en Jesaja 53! De Moorman las, niet zoals wij thuis dagelijks de Schrift lezen, maar zoals Gods kinderen soms wel eens een hoofdstuk mogen lezen, want lezen en lezen is twee. De woorden gingen in oor en hart. De ziel luisterde. De man ontving met zachtmoedigheid het woord, dat in hem geplant werd, en dat hem zalig zou maken door het geloof in de Man van Smarten. Maar wie was dat? Heerlijke dingen las hij in dat hoofdstuk van Gods Woord, zo troostelijk voor een ziel, die bekommerd is vanwege haar zonden. Niet, dat hij alles reeds begreep, maar hij werd geboeid door de gestalte van die Man, die geplaagd, geslagen en verdrukt was, en blijkbaar onschuldig. En toch leed Hij voor de zonde. Hij leed en Hij stierf voor de zonden Zijns volks. En dat volk roemde, dat het zo van zijn zonde en ellende ontslagen was. Het nam alle schuld van die Man af en schreef die ten volle zichzelf toe: om onze zonden verwond, om onze ongerechtigheden verbrijzeld. Ook dat volk had het eerst niet verstaan, en het had Hem verdacht van eigen schuld, maar nu, beter onderricht, erkende het, dat het de enige oorzaak was van al Zijn smarten. O, hoe roemde het nu in Hem. Hij ontving al de eer om Zijn onschuld, om Zijn liefde, omdat Hij zijn ziel uitstortte in de dood. Hoe zachtmoedig leed Hij: Als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stemmeloos is voor dien, die het scheert, alzo deed Hij Zijn mond niet open. Wie is dat toch? Zou de profeet het zelf zijn of een ander? De kamerling kon er niet uit komen. Wist hij het maar. Zonde en ellende was er ook bij hem. Was het deze last niet, die hem drukte? Zocht hij geen vrede? En hier stond het: de straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem en door Zijn striemen is ons genezing geworden. Door Zijn kennis zal Mijn Knecht, de Rechtvaardige, velen rechtvaardig maken, want Hij zal hun ongerechtigheden dragen. Door Zijn kennis. Maar de Moorman kende Hem niet. Gelooft gij in de Zoon van God? Wie is Hij, Heere, opdat ik in Hem geloven moge. Ja, zo was het ook hier. Wie is Hij?

2. DE MOORMAN EN DE EVANGELIST.

Op deze vraag, die in zijn ziel brandde, zou hij een antwoord ontvangen. Hoewel de weg, die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, woest was, onbebouwd en eenzaam, was de kamerling toch niet buiten Gods oog. Zijn weg werd door de Heere, Die Hem getrokken had, bestierd. Die goddelijke bestiering komt in alles uit: in de engel des Heeren, die tot Filippus sprak: sta op en ga heen tegen het Zuiden, en dus in de zending van Filippus; in de Geest, Die tot Filippus zeide: Ga toe, en voeg u bij deze wagen; in het Bijbelboek, dat de Moorman bezat; en in de tekst, die hij las. De Heere regeerde hem door Zijn Woord en Geest, door mensen, en middelen. O, hoe troostelijk is dit voor de zoekende zielen, die zo eenzaam en verschoven, door de ellende worden neergedrukt. Zij denken alleen gelaten te zijn en vergeten, en zie, de Heere denkt aan hen en bestiert hun weg en zaken. Zij sukkelen en tobben, maar zijn bij God niet onbekend, noch vergeten. Al moet de Heere dan Zijn knecht uit Samaria halen en uit zijn werk trekken, de zoekende ziel moet worden geholpen. De Heere is nabij de ziel, die naar Hem zoekt. Hij heelt de gebrokenen van hart en verbindt ze in hun smart. Als Filippus dan toeloopt, hoort hij de Moorman, die hardop las, de profeet Jesaja lezen. Zonder inleiding of omhaal vraagt hij hem: Verstaat ge ook wat ge leest? Een wenk voor de dienaren des Heeren, om bij huisbezoek niet over koetjes en kalfjes te praten, om dan pas tegen het heengaan met de zaak van Gods Koninkrijk voor de dag te komen. We mogen gerust met de deur in huis vallen. Is het niet wat vrijpostig van Filippus, om die hoge man maar zó met zo'n vraag op het lijf te vallen? En zal de Moorman dat niet kwalijk nemen? Hier zien we, dat genade een mens klein en nederig maakt, want de Moorman toont zich in het geheel niet beledigd. Integendeel. Hij antwoordt: Hoe zou ik het toch kunnen, zo mij niet iemand onderricht? En hij bad Filippus zelfs, dat hij op de wagen zou klimmen en bij hem zitten, om hem te onderwijzen. O, hoe leerzaam was hij geworden. De Geest weet een mens wel op zijn plaats te brengen en hem liefelijk te maken, daar een mens van nature zo hoog en groot, zo wijs en hatelijk is. Hoe onderworpen is die grote man jegens de eenvoudige evangelist. In dat opzicht zijn er in de gemeente van heden maar weinigen de Moorman gelijk, daar de een het nog al beter weet dan de ander, en velen het ook beter denken te weten dan de dienaar des Heeren. De Kamerling erkent grif zijn onkunde in het Woord. En toch was hij door de Geest verlicht. Want dat zijn twee dingen: de letterlijke en de geestelijke kennis. Het ontbrak hem aan kennis van de letter. Zonder de letter heeft de geestelijke kennis geen basis. Daarom moeten we de letter niet verachten. Aan de andere zijde is de letter niet genoeg. Het is niet de Geest zonder de letter, maar óok niet de letter zonder de Geest. In het gebrek aan letterkennis kan Filippus voorzien. Er is een Schriftkennis nodig, die de Moorman nog ontbrak. Hij had wel enige kennis van de wet en de profeten, maar hij miste de sleutel, die de Schrift opent. De Schrift is Messiaans. Het getuigenis van Jezus is de Geest der profetie. De Oud Testamentische geschriften getuigen van Jezus. Ook en in het bijzonder Jesaja 53 en de plaats, die de Moorman nu nog eens met Filippus las: Hij is gelijk een schaap ter slachting geleid. En op de vraag van de Moorman: Ik bid u, van wie zegt de profeet dit? van zichzelf of van iemand anders? kon de Evangelist hem antwoorden: van Jezus. Maar wie was Jezus? Filippus deed zijn mond open, en beginnende van diezelfde Schrift, verkondigde hem Jezus. Van die plaats beginnende, kon hij terug en vooruit in de historie en in de Schrift. Filippus zal als Jezus gedaan hebben. Die de Emmaüsgangers leerde wat van Hem in het Oude Testament geschreven was, ook aangaande Zijn lijden en dood. Maar hierbij kon hij niet blijven staan. Hij moest ook vooruit. Filippus was geen profeet, maar een Evangelist. Hij behoorde niet tot de belofte, zoals Jesaja, maar tot de vervulling. De Moorman moest van de profeet naar de evangelist, van de belofte naar de vervulling. En Filippus heeft hem van Jezus, Gods eniggeboren Zoon, verhaald, Die in de volheid des tijds in het vlees gekomen was, om de profetie van Jesaja 53 te vervullen. Hij heeft hem Jezus dus verkondigd als de vanouds beloofde Messias, als de lijdende Knecht des Heeren en de Man van Smarten, Die de aandacht van de Moorman zo geboeid had. Jezus dus had voor de zonden Zijns volks geleden.

Jezus was dat zachtmoedige Lam. Jezus was ter slachting geleid. Jezus had Zijn ziel uitgestort in de dood. En zo had Jezus de zonden des volks gedragen en verzoend. De lof des volks betrof Jezus, Die, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden had teweeggebracht blijkens Zijn opstanding uit de doden, was opgevaren ten hemel, waar Hij triumfeert aan de Rechterhand Gods, en vanwaar Hij komt om te oordelen de levenden en de doden. Filippus verkondigde hem Jezus, zoals wij de leerlingen bekend maken met Zijn namen, ambten, staten, naturen en weldaden. Zoals wij Hem prediken op de kansel als Borg en Middelaar, Verlosser en Zaligmaker. Bijzonder het lijden en sterven voor de zonden des volks wees Jesaja aan, en dus het plaatsbekledende en borgtochtelijke werk. En dit zal dan ook in Filippus' prediking op de voorgrond hebben gestaan, zoals Jesaja het voorzien had door de Geest, en zoals Jezus het vervuld had en voleindigd op Golgotha. Filippus heeft de kamerling verkondigd Jezus Christus en dien gekruisigd, de vervulling van voorzeggingen, schaduwen en beloften. Het blijkt echter, dat Filippus aan de andere zijde gesproken heeft over geloof en doop. Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, had de Heere Jezus gezegd, maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.

3. DE MOORMAN EN DE ZALIGMAKER.

De Kamerling kwam eerst bij de profeet, daarna bij de Evangelist en ten slotte bij de Zaligmaker. En daar moest hij zijn en blijven. De profeet had niet tevergeefs gesproken, en de Evangelist had niet zonder vrucht gepredikt. Hier waren geen dovemansoren. De Heere was voorgegaan en had de oren en het hart geopend. De Heere wrocht mede met de profeet en de evangelist. De Heilige Geest werkte in het hart van de Moorman het geloof door middel van de prediking des Evangelies. En Hij deed dat, nadat Hij tevoren de man onrustig en zoekende gemaakt had. Hij had een oog voor Jezus gekregen, omdat hij ook een oog voor zijn eigen zonde en ellende had ontvangen. Immers betekent een Man, die voor de zonden van een ander met de dood gestraft wordt, niets voor ons, wanneer wij zelf geen zonden hebben en niet in gevaar zijn van de goddelijke straf. Zo was het ook met de Moorman. Toen hem uit Jesaja 53 de persoon en het werk van Jezus verklaard was, vond hij in Hem, Die de zonde wegnam, juist wat hij behoefde. Hier was nu Degene, Die met Zijn bloed de zwarte Moriaan kon wassen. Die zijn zonden kon wegnemen en hem vrede en geluk kon schenken. Waar een Filippus predikt van Jezus en de Heilige Geest als Leermeester des harten optreedt, wordt het heilgeheim spoedig verstaan. Zijn uitgaan was geweest:

„Geef, dat mijn oog het goed aanschouw,
't Welk Gij uit onbezweken trouw,
Uw uitverkoor'nen toe wilt voegen,
Opdat ik U mijn Rotssteen noem.

Hij had gelezen van dat volk, dat in Jezus roemde, in Jesaja 53, omdat Hij voor hun zonden was gestorven en hen van de straf had bevrijd. En nu zou hij delen in het genoegen van dat volk en zich met dat erfdeel Gods blij beroemen. Dat blijkt, als hij uit eigen beweging vraagt: Ziedaar, water, wat verhindert mij gedoopt te worden? Hij begeert de doop, de afwassing der zonden en de vernieuwing des levens, door het bloed en de Geest van Christus. Maar dan komt het op het geloof in Jezus aan. Vandaar het antwoord van Filippus: Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoorloofd. Hoewel de kinderdoop, ingeval het kinderen der gelovigen betreft, geoorloofd is, is het niet toegestaan een volwassene te dopen, die niet in Jezus gelooft. Van ganser harte geloven is echter niet hetzelfde als met een volkomen geloof geloven. Het ziet meer op de gezindheid des harten. Er moet oprechtheid zijn. Nu, de Moorman kon zeggen: Ik geloof, dat Jezus Christus de Zoon van God is. Hieraan zien we, wat Filippus gepredikt had. De prediking en het geloof hebben dezelfde inhoud. De belijdenis is kort, maar ze bevat ontegenzeggelijk de hoofdzaak der leer. De namen zeggen, dat Jezus de Zaligmaker van zondaren is, en voorts de Middelaar, de hoogste Profeet en Leraar der Kerk, de enige Hogepriester en de eeuwige Koning. Behalve op deze ambten, wijst Filippus in het bijzonder op de Godheid van Jezus, zoals blijkt uit de echo, die van de lippen van de Moorman klinkt. Uit Jesaja 53 was niet zo licht op te maken, dat de Man van Smarten de Metgezel Gods was. Daar werd Hij als mens getekend, in diepe vernedering. Te meer treft het, dat de Moorman de Godheid van Jezus belijdt, wat zeker aan het onderricht van Filippus is ontleend, die dus vooral op dit stuk gewezen heeft. En dat is dan ook van zo hoog belang, want was Jezus niet de waarachtige God en het eeuwige leven. Zijn lijden en sterven zou ons niet baten. Hij zou dan onze Zaligmaker niet kunnen zijn, en wij zouden ons niet aan Hem mogen overgeven, om op Hem alleen te vertrouwen. Daarom moeten wij ook thans aan deze waarheid vasthouden, tegen alle wind der leer ook op dit punt. Wie het kruis, de borgtocht, de Godheid van Jezus loochent, is geen christen, maar een antichrist.

Filippus, die wist, wat hij de Moorman verkondigd had, en die de weerslag van zijn prediking in de geloofsbelijdenis hoorde, achtte die belijdenis voldoende, en hij doopte hem. Dit was tevens zijn laatste dienst aan hem. De Geest des Heeren nam hem weg vandaar, waarin we weder de bestiering Gods in deze ganse handel met de Moorman opmerken. Wie kan twijfelen, of de kamerling is niet slechts door Filippus, maar ook door Jezus, niet alleen met water, maar ook met de Heilige Geest en met vuur gedoopt? Hij ontving het teken en zegel van de gerechtigheid des geloofs. Hij ontving ook de betekende zaak. Toen hij uit het watergraf opkwam, was zijn lichaam nog zwart als tevoren, maar de ziel was gereinigd en wit als sneeuw. Hij had zijn klederen gewassen en wit gemaakt in het bloed des Lams. Om aan deze gedachte uitdrukking te geven, deed men de gedoopten soms een blinkend, wit kleed aan, tevens teken van het heilig leven, waartoe zij nu geroepen waren. Hij was nu met Jezus door de doop begraven in Zijn dood, en opgestaan tot een nieuw leven. Hij had gezocht en nu had hij gevonden. Hij had gevonden de parel van grote waarde, en de schat in de akker had hij nu gekocht door het geloof. Onrustig was hij uitgegaan, en nu in Jezus had hij vrede gevonden. Heilbegerig was hij geweest, en daar had hij nu het heil gevonden. God had hem vergund zijn zielsverlangen. Dit mocht hij zó gevoelen, dat hij zijn weg reisde met blijdschap. En zo miste hij Filippus niet eens, want hij was op de Zaligmaker overgegaan.

De Moorman is geleid naar het Oude Testament, naar de schaduw en de profeet. Daarna naar de Evangelist, naar het Nieuwe Testament en de vervulling. Door deze weg bracht hem de Heere tot Jezus. Ook innerlijk heeft de Heere hem geleid door ontdekking en onrust, zondekennis en gemis van vrede en geluk, door zielsbegeerte en heilsverlangen. Zo sloot het een op het ander, en werd Jezus hem onmisbaar, genoegzaam en dierbaar. De Heere werd zijn deel en met Hem ontving hij nu alle dingen. Zijn zonden waren uitgewist en hij was met God verzoend en in Jezus was al zijn heil. En daarom was hij verblijd met een blijdschap in God, en meer verheugd dan de kinderen der wereld, als zij in de oogst met koren en most verzadigd worden. En hoezeer hij het anders betreurd zou hebben een leermeester als Filippus te moeten missen, hij merkte het nu niet op, want hij reisde zijn weg met blijdschap. Hij verheugde zich als een, die een grote buit vindt. Hij had nu Jezus gevonden, de Zaligmaker van zijn ziel, en zo gedacht hij aan Filippus niet meer. Johannes de Dooper, een vriend des Bruidegoms, en Filippus een wegwijzer naar Christus. Zij zijn met alle andere predikers en evangelisten, profeten en apostelen, maar knechten, die wegvallen voor de ziel, als zij bij Jezus is. Zo reisde dan de kamerling zijn weg met blijdschap, verheugd in God, naar waarde nooit te danken. Hij was zeer vrolijk in de Heere en zijn geest verblijdde zich in God, zijn Zaligmaker, want Hij had hem bekleed met de klederen des heils, de mantel der gerechtigheid had Hij hem omgedaan. We zullen hem niet verder volgen op zijn reis, en niet vragen hoelang zijn blijdschap geduurd heeft. Wij geloven, dat hij ook weer andere dagen zal hebben beleefd. Maar daar hij het beginsel der eeuwige vreugde bezat, zo zal hij namaals volkomen zaligheid en eeuwige blijdschap ontvangen hebben.

Die zoekt, die vindt. Die bidt, die ontvangt. En die klopt, hem zal worden open gedaan. Dit heeft de Moorman ondervonden, maar dit ervaart ook een ieder, die zoekt, bidt en klopt, gelijk hij.

Er zijn veel Christenen, veel gedoopten, veel belijders, veel „gelovigen".

Zijn er ook veel zoekers? Veel bidders? Veel kloppers?

Wij weten, wat Mozes en de Profeten, wat Jezus en de Apostelen geleerd hebben. We weten ook, wat Jezus gedaan heeft om ons zalig te maken. We verstaan de Schrift in belofte en vervulling misschien zo goed als Filippus, maar geloven we ook in Jezus, als de Moorman?

Komen we tot Jezus als de kamerling, zoekend en heilbegerig, met afzwering van de afgoden en de wereld? En vinden we in Hem de vrede en de zaligheid, waarnaar wij smachten? Zo ja, waar is dan de blijdschap?

Wij geloven alles, en zijn toch niet blij. Waar ligt dat dan aan?

We moeten eerst zoeken, echt zoeken. Daar zijn gelovigen, die nooit gezocht hebben. Zij hebben Jezus niet, al denken zij het wellicht.

Die zoekt, die vindt. Die bidt, die ontvangt. Die klopt, hem wordt open gedaan. En die vindt, is gelukkig.

Hoogeveen.
G. C. SEVERIJN.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Moorse kamerling

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken