Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

VAN RIET EN PTT

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

VAN RIET EN PTT

11 minuten leestijd

„Het gekrookte riet zal Hij niet verbreken en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen". Jesaja 42 vers 3a.

Hoe wonderschoon was de gouden kandelaar, staande in het Heilige van de Tabernakel, de woning Gods onder Israël. Exodus 25 vers 31—36 beschrijft ons hem, hoe hij bestond uit louter goud, de edelste der metalen. Hij was niet hol, maar van massief werk. Ziet hem voor u in zijn volle pracht van zeven armen met amandelbloesems, kelken, knoppen, lampen. Geen moeite is aan dit Heilig voorwerp gespaard. Schouten wijst er op, dat deze kandelaar van zulk een maaksel is, dat hij de gewone menselijke kunstvaardigheid ver te boven gaat. Deze fraaie kandelaar moet branden. Hij moet schijnen, gevuld met de beste onvermengde olijfolie. Nooit mag er die tekort zijn. Hier ligt voor ons de verkondi: ging van de gemeente des Heeren, die uit de Geest leeft in het heil des Heeren.

De Kerk Gods is een gouden kandelaar, met haar 7 lampen, als gemeenten levende uit de Genadebedeling Gods. Haar licht moet schijnen door de Heilige Geest over de gehele aarde. De lampen worden ontstoken als de kennis der genade haar vertroostende kracht schenkt aan Gods kinderen. De Kerk des Heeren is van zuiver goud, drager zijnde van Christus' borggerechtigheid. In de Statenvertaling staat inplaats van armen: rieten. Daarop stonden de lampen. Het beeld van de kandelaar met zijn rieten en pitten is wel zeer ideaal gesteld. Alles goud, niet hol, maar massief. Helaas, wat is de^ Nieuw-Testamentische Kerk, en wel vooral de Kerk onzer dagen, ver van dit ideale beeld verwijderd. Zij er bij ons allen een gevoel van: zó moet het zijn. Er zij een bede, dat de Heere de gouden kandelaar der Kerk weer nieuw licht geve, om van de Heere en Zijn dienst te getuigen. De Heere geve veel gebed en veel geloof.

Onze tekst spreekt ook van riet en pit. Welk een beschamende roepstem ligt er in de prediking van het gekrookte riet.

Wij brengen u aan de waterkant van een moeras. Daar staat het riet in zijn volle fierheid. De stengels recht opwaarts, naar boven. Fier draagt het zijn pluimen als een vorstelijk sieraad. Wanneer de wind er over heengaat, dan wuift en ruist dit riet zachtkens heen en weer. Steekt er echter een storm op, dan verdwijnt al haar fierheid. De holle stengel breekt en de pluim hangt slap terneder, verdwijnende in de modder van het moeras. Alleen ziet ge nog de scherpe punten van de gebroken stengels.

Jesaja staat ook aan de waterkant te luisteren naar wat God hem door deze prediking te zeggen heeft. Mogen wij uw beeld tonen in dit riet? Zijn wij ook niet in onze natuur moerasplanten, levende in deze stilstaande wateren van zondendiepten? Wij allen zijn in zonden en ongerechtigheid geboren. Ongezonde dampen stijgen op uit de woorden onzer lippen, uit onze veelvuldige gedachten, uit de sprekende daden. Het zijn ruisende kuilen van modderig slijk. De val des mensen is o zo diep, dat na ontvangen genade nog getuigd moet worden: Het zondig vlees begeert tegen de Geest. Job zegt: „Verheft zich de bieze zonder slijk? " Neen, zo is en blijft ons leven. De onherboren mens voelt zijn val niet. Het riet groeit altijd maar hoger, soms wel 3 m. lang. Het verheft zich in zijn kennen en kunnen. Wij zijn Babels torenbouwers gelijk. Soms onder het leed en het kruis van dit leven, soms door gewetensaanklachten wordt de mens even bewogen. Als Kaïn, die de grootheid van zijn misdaad gevoelde, of Judas, die berouw toonde na zijn verraad, komt de zondaar tot zichzelf. Het duurt echter niet lang of alle roepstemmen worden vergeten en het gebogen riet verheft zich weer fier in de hoogte. Zo is, helaas, de mens der zonde. Weer wordt in volle teugen het zondenleven ingedronken.

Och, mijn lezer, neemt toch eens even zulk een rietstengel in handen, en God zegene deze meditatie, beluisterd aan de oever van het moeras.

Ziet ge, hoe dun en hol die stengel is? Is het leven der ijdelheid niet met recht ijdel, dat wil zeggen: leeg? Leeg zijn uw woorden, leeg zijn uw daden, omdat er niets van Christus in is. Zaligheid wil zeggen volheid. Wat is ons spreken ijdel, als ge niets beters weet te zeggen als wat uw oog boeit, terwijl uw ziel hongerende blijft.

En als dit riet breekt, houdt het zijn scherpe punten opwaarts en doorboort uw handen. Hoe scherp is het verzet, de vijandschap tegen God en Zijn Woord. Gods wil is niet onze wil en Gods gedachten zijn niet onze gedachten. Wij moeten in het bitterste leed ingewonnen worden voor de weg, die de Heere met ons houdt.

Dat riet is geen gouden riet in de kandelaar, maar met recht is er niets te prijzen aan hem. Zijn wij die diepgevallen mens geworden ? Zijt gij die man, M. L. ? Alleen plui­ men, maar geen vruchten brengt hij voort. Riet deugt nergens toe. Het is geen boom, zelfs geen tak van de boom. Waardeloos, onbetrouwbaar, zwak zijn de rietstengels der moerassen. Zou de Heere er nog iets goeds van maken kunnen?

Een riet in het Heiligdom met een schaal, met olie vol, in de tabernakel? Dan is de pit een beeld voor onze natuurstaat. Een rokende vlaswiek is zij, niet lichtende, niet brandende. De rook, die opstijgt als bij de ouderwetse olielamp, is het ganse huis vervullende. Er is geen licht van kennis Gods. Ons verstand is verduisterd. Wij zijn het beeld Gods kwijt geraakt door de val. De rook der wereld vervult het ganse huis. En dit kan God onmogelijk behagen. De rook stijgt op. Er is ongeloof, er is werelddienst, er is een verlaten van God en Zijn Woord. Door Gods algemene genade is er nog een vonk overgebleven. Niet gans uitgeblust. Immers er blijft een getuigend geweten. Er zijn indrukken, die niet tot zwijgen te brengen zijn. Doch de slotsom: zo God niet in Zijn nederbuigende goedheid zich buigt tot de zondaar, het riet zal riet blijven in zwakheid en de rook zal de ellende vergroten.

Doch de Heere zal het anders maken. Hij is een wonderdoend God, die in mensen een welbehagen heeft.

Wij lezen nóg eens onze tekst : Het gekrookte riet zal Hij Wie is deze Hij? De Allerhoogste wordt hier genoemd : „de knecht. Mijn knecht". Als ge Jesaja 42 leest met aandacht, dan zult ge hier vinden het heerlijk Godswerk der verlossing.

Deze Jezus, deze van de Vader uitverkorene, werd zelf een gekrookt riet, door in de ellende der zondaren neer te dalen. Hij werd ontluisterd. Geen gouden scepter droeg Hij in Zijn omwandeling op aarde. Een rietstok was Zijn scepter, waarmede Hij nog door Zijn vijanden geslagen werd. Stil deed deze Zoon Gods Zijn werk, zonder pracht en praal. Onze ziel verlustige zich in dit Gode welbehagelijke werk. Zegen bracht Hij, licht in de duisternis. Nederdalen wil Hij voor de Zijnen, hen roepen uit de wereld, hen van de ellende verlossen. Welk een nederbuigende goedheid van zulk een nederdalende Jezus. Geduldig droeg Hij het lijden van het kruis voor een volk, dat Hem niet begeerde.

Als ge vraagt: voor wie toch al die belangstelling van de hemel? , dan is het antwoord: voor Zijn vijanden.

Hij wierp een Saulus in het stof. Hij nam zijn pluimen van eigengerechtigheid en wierp ze in het slijk, en dan brak de Heere zijn wil,

zijn verzet, door hem te roepen: „Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij; het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan".

Het eigen ik moet gebroken worden door de onwederstandelijke kracht van de Heilige Geest. Er breekt wat. Er knakt wat. Men kan niet meer meedoen met de wereld. Al trekt het vlees gedurig naar de aarde, er komt een breuk met de wereld.

Geknakt zijt gij. Er is een Godsgemis geboren, gij wordt een arme, een verslagene, die het leven in eigen hand niet meer vinden kan. Na ontvangen genade, is uw geloof aan twijfel onderhevig. Het zij u een schuldige twijfel. Er is vrees voor de dood, vrees voor de zonden. Er is zoveel, dat tegen ons is.

Geknakt blijft dit leven ; nimmer zal de volmaaktheid op aarde gevonden worden. De tarwe moet gezift in de wan, om het kaf kwijt te raken. Och, arme, wat is toch van de mens, óok van de gelovige mens te verwachten !

Het lichtpunt dat onze tekst schijnen doet is, dat de Heere in opzoekende liefde zo teder spreekt over die gekrookte rieten en die rokende vlaswieken. De pit moet telkens schoon gemaakt. Altijd moet ze gereinigd worden. Als de rook weer eens weg is, dan is er leven in het geloof in de vertroosting van Gods zekere, ontwijfelbare beloften. Bang wordt ge, als ge het ongeloof ziet komen als de domper, die alle licht wegneemt.

Het ongeloof maakt de wedergeborene schuldig. Nimmer moogt ge tevreden zijn met een klein geloof. De rokende vlaswiek is door eigen schuld zo berookt en besmookt.

Doch ook ditmaal daalt de Heere neder in een zaligend Medelijden, vol ontferming. Hij buigt zich neder over het gekrookte riet en de rokende vlaswiek. Hoort toch dit heerlijk Evangelie! Laat u niet ontmoedigen! De Heere verstoot u niet. Hij weet hoe zwak gij zijt, hoe klein van krachten, en dat ge stof van jongsaf zijt geweest.

Op deze gekrookte zal Ik nederzien en met welgevallen zal Mijn oog op u rusten. Welk een onbegrijpelijke, opzoekende liefde!

Onze tekst spreekt van 's Heereii grote lankmoedigheid.

Hier spreekt de Borg en Middelaar tot Zijn zondaarsvolk: Niet verbreken, niet uitblussen. Vergeet de dag der kleine dingen niet ; och, wat zeg ik : kleine dingen. O, hoe groot is Gods goedertierenheid.

Hij verbreekt niet. Hij geneest en heelt de geslagen wonden in teder mededogen. Er is een verzachtende olie, een balsem, die volkomen gezond maakt. Hij geeft hun moed en krachten, die hopend op Hem wachten.

Ziet, de gebogenen na de opstanding van Jezus Christus! Zij missen Christus' tegenwoordigheid. Hij verschijnt aan Simon Petrus, Thomas en al de Zijnen. Hij richt de gebogenen weer op en versterkt hun geloof. O, dag der grote dingen! De rieten worden takken, worden zelfs bomen, eikebomen der gerechtigheid, pilaren der vastigheid der Waarheid.

Niet meegedreven door de wind, als riet in de moerassen.

Zij worden standvastig, onbewegelijk, op een rotssteen gesteld. De poorten der hel zullen dezelven niet overweldigen.

Rijk klinkt de geloofstaal als een hemellied : „Dood, waar is uw prikkel ; hel, waar is uw overwinning!"

Dan lijkt er geen wankeling meer te komen. Niet uitblussen. Altijd zal die lamp branden. Er zal een profetisch getuigenis zijn. Zij zullen verkondigen Gods grote daden. Het licht zal schijnen met een diepe glans.

De Heilige Geest gaf tongen als van vuur. Zo rijdt het Woord der Waarheid voorspoedig. Gij zult horen, zelfs op de eilanden, zelfs in de veraf gelegen streken, van de wegen des Heeren.

Hier is het op aarde, dat de tocht van de openstaande deur de kaars het licht beneemt. Maar als eenmaal de deur naar de zijde der wereld gesloten is, dan zal het licht in volle glorie branden.

Hier is het nog ten dele kennen en ten dele profeteren, maar dan zal het zijn, eenmaal, als de hemelpoort opengaat, ten volle in de volheid van het aanschouwen van uw Borg in de hemel.

De gouden kandelaar staat in het Heiligdom. De rieten worden massief door het goud der genade. Ziet ge nu die gouden kandelaar in het hemelse Heiligdom? Zij zal zijn vol knoppen en bloesems. Zij zal leven, eeuwig leven bij haar Zaligmaker.

Deze Jezus is haar kaars. Nimmer is daar duisternis. Ziet, wat Gods genade vermag! Het gekrookte riet nimmer verbroken.

De rokende vlaswiek nimmer uitgeblust. Wie volharden zal tot het einde toe, deze zal zalig worden.

De vraag, waarmede wij eindigen, is : Zijt gij waarlijk een gekrookt riet geworden? Weet toch, als gij nog ongekrookt zijt, dat eenmaal de tijd uwer zaligheid voorbij is. De toorn Gods zal u eenmaal verpletteren. Die lamp zal zeker uitgeblust worden, wanneer de oordeelsdag komt en Jezus zal komen op de wolken des hemels, oordelende de levenden en de doden. Op deze dood volgt een eeuwige dood, een plaats der smarten, dan eeuwige duisternis.

De Heilige Geest breke uw wil, uw ik, uw leven ; neme uw pluimen af als het trotse riet, dat zijn staat moet weten.

O, wonder van genade! Het gekrookte riet, dat hier leven moet in de strijdende Kerk met veel gebedsworstelingen om de genade te mogen bewaren, wordt straks overgeplant naar de kristallijnen stromen, waar geen modder meer te vinden is. Aldaar is geen zonde en dus geen zondesmart. Aldaar zal het geen riet meer zijn, maar luistert : daar zijn bomen met onverwelkte bladen.

Dit is het zalig einde.

Want hij zal zijn, gelijk een frisse boom, in vette grond, ge{ilant bij enen stroom, die op zijn tijd met vruchten is beladen en sierlijk pronkt met onverwelkte bladen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VAN RIET EN PTT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 september 1951

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken