Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

AUGUSTINUS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

AUGUSTINUS

6 minuten leestijd

IV.

Zij wordt niet tot rust gebracht door de kosmische speculaties van de Manichaeërs, noch door het idealisme van de Neo-Platonici.

Het cestheticisme en het intellectualisme schieten radicaal te kort. Hulp kan alleen komen van God, Die met Zijn souvereine liefdeswil ons tot geloof brengt en hiermee onze wil omzet en vernieuwt. God werkt in de mens het geloof door Zijn Woord en Sacrament, zó, dat de mens uit zichzelf wil, wat God van hem verlangt. De wet heeft hierbij een voorbereidende functie : slechts in en door de duisternis van de wet, die alleen beveelt, komt de mens in het bevrijdende licht van het Evangelie, dat alléén geeft. De wet zegt : , , doe wat ik beveel" en het evangelie zegt: „geef, wat gij beveelt". Het geloof is méér dan een intellectueel schouwen of een quietistisch genieten : het is de werkzame wil van de mens om te ontvangen, wat God hem zeer reëel in Zijn Woord en Sacrament aanbiedt. Slechts de genade is opgewassen tegen de algemene zondigheid, het complex van de vrije, zondige wilsdaden van de mens.

De mens heeft genade nodig. De genade bestaat vóór alles hierin, dat hem vergeving der zonde geschonken wordt. Het is begrijpelijk, dat een man met zo een diep besef van de menselijke zonde en schuld de vergeving der zonde als de unieke genadedaad Gods proclameert. In de mens is niets, dat op zelfverlossing aanspraak kan maken. Alleen de genade Gods redt. Zij is als de vrijsprekende daad Gods tegelijk het principe van zedelijke en geestelijke vernieuwing van de mens. Zij schenkt de mens kracht, het goede niet alleen te willen, maar óók te dóen. Zij geeft de wil haar eigenlijke richting — de heide! De liefde is de positieve inhoud van de wil — de wet wordt in de liefde vervuld. Zij is het centrale, alles be­ heersende motief in de ethiek van Augustinus : de liefde stilt de onrust van de immer golvende wilsbeweging — zij stelt hem zijn uiteindelijk doel, zij schenkt hem het volle genot van het hoogste Goed. De demensies der liefde zijn zó wijd, dat naast de ethische contouren ook haar ontologische structuur op vele plaatsen openbaar wordt : zij is dan het Neo-Platonische Zijn, dat met haar stralen de intenties der men-., selijke ziel verlicht (illuminatie-theo- . rie), het absolute ontische subject, dat liefde is én liefde schenkt door , , de uitstorting van de goede wil en daad". , , .,

Het is van de grootste betekenis, dat Augustinus de genade als de souvereine daad van Gods liefdeswil en als de' enige mogelijkheid van verlossing met' de meeste nadruk op de voorgrond geplaatst heeft. Zonder vrees voor tegen-' werping van eenzijdigheid durven wij beweren dat Augustinus met zijn genadeleer het pad der Kerkhervorming heeft gebaand. Door zijn genadeleer is ~ Augustinus nog actueel en blijft hij het. En ook al is er in de ruimte van dit begrip grote verscheidenheid van schakering en dus veelheid van opvatting mogelijk — genade als goddelijke hulp, beschermend kleed, bovennatuurlijke verlichting ; genade óók als verlossende daad Gods in de overweldiging van 's mensen boze wil door de goddelijke liefdeswil — van het objectief-qualita-. tieve tot het subjectief-contingente — wij hebben met grote dankbaarheid hiervan te getuigen, dat Augustinus een samenwerking van de vrije wil met de genade absoluut afgewezen heeft. Dit belangrijk theologisch gezichtspunt is uit zijn strijd met Pelagius te voorschijn gekomen. Hoe zou de vrije wil op eigen kracht het goede kunnen willen ? Hoe zou hij een voorwaarde kunnen zijn tot het ontvangen van de genade ?

Augustinus' grote verdienste is geweest dat hij, zonder de vrije wil van de mens in enigerlei opzicht tekort te

doen, de onweerstandelijkheid der genade als de grond van de menselijke bevrijding uit de macht der zonde met een alles omverwerpend radicalisme in het licht heeft gesteld. De beide lijnen van Gods vrijmacht en 's mensen verantwoordelijkheid raken elkaar niet. Het onweerstandelijke van de genade is dit, dat de mens door de genade de verkeerde richting verlaat en de richting) naar God opgaat. De genade bekeert de wil. Zij is nu in de ware zin vrij, omdat hij bevrijd is. Dat wil nog niet zeggen, dat de mens in zijn nieuwe vrijheid vrij zou zijn van concrete spanningen en aanvechtingen. De concupiscentia blijft met onverminderde hevigheid op alle fronten van het innerlijke leven haar aggressiepolitiek voortzetten. Strijd en waakzaamheid blijven vereist, om de geschonken vrijheid te bewaren.

De functie van de wil en het daarmee samenhangend probleem van de vrijheid is de eeuwen door een alomstrederu punt geweest. Wij releveren hier slechts de tegenstelling tussen Luther en Melanchton t.a.v. deze locus. Men kan zeggen : natuurlijk — ieder mens heeft in principe een vrije wil. Hij kan immers doen en laten wat hij wil. De vrijheid is toch het essentiële van dé mens. Wie zó spreekt, heeft gelijk, en toch ook niet. Hij spreekt wel over de mens, maar niet over het essentiële van de mens. Hij spreekt wel over de totaliteit van de afzonderlijke wilshandelingen, maar hij negeert de herkomst van de wilsdaden. Hij miskent de grond, waaruit zij voortkomen. Anders gezegd : hij verliest het fundamentele onderscheid tussen de psychologische en de metaphysische vrijheid uit het oog. De mens kan psychologisch vrij zijn en metaphysisch gebonden — hij kan ook metaphysisch bevrijd zijn en psychologisch nog gebonden. Tussen beide vormen van existeren staat de daad van de onweerstaanbare genade Gods.

Augustinus heeft deze beide aspecten der menselijke vrijheid scherp onderscheiden. Door de zondeval van de eerste Adam heeft de mens zijn natuurlijke vrijheid, waarmee hij geschapen was, verloren, en is hij voortaan restloos overgeleverd aan de bewegingen van zijn ziel (concupiscentia).

In de sfeer van het psychische leven heeft de mens zekere vrijheid : hij kan vrij kiezen, zware zonden vermijden, natuurlijke deugden als rechtvaardigheid, dapperheid, wijsheid en gematigdheid betrachten. Hij kan streven naar het goede. Maar deze wilsacten, gewoonten en deugden, blijven gekluisterd binnen de metaphysische omgrenzing van de algemeen menselijke zondigheid en dragen als zodanig hun gebondenheid in zich. Zij bewegen zich binnen de ondoordringbare muren van de door hemzelf opgetrokken gevangenis. De concupiscentia richt de gezindheid die ten grondslag ligt aan het veelsoortige complex van de menselijke handelingen,

Door de genadewerking van de tweede Adam zijn de barrières weggevallen ; nu is de richting op God de speelruimte van de vrijheid geworden. De metaphysische gerichtheid van de wil op God is de den mens terug geschonken staat van zijn natuurlijke bestemming. Nog is er strijd, maar zij accentueert te duidelijker dat op grondslag van de metaphysische vrijheid de psychologische vrijheid niet verloren is — ja wordt de psychologische vrijheid in de haar geschonken ruimte zozeer gerespecteerd, dat zij zich in haar actuele intenties op generlei wijze onderscheidt van haar vroegere door de concupiscentia geleide openbaringen.

Daarom is de gave der volharding nodig om de bevrijde wil in haar vrijheid te houden en de concupiscentia te overwinnen. Zo is ook de bevrijde wil geen zelfstandig principe tot een nieuw leven : de continuïteit van het omgezette, nieuwe leven rust in de wil Gods, zó, dat de mens met zijn eigen vrije keuze datgene wil, wat God wil dat

hij wil.

(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

AUGUSTINUS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken