Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

OP REIS

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

OP REIS

12 minuten leestijd

en ziet, een Moorman, een kamerling en een machtig heer van Candacé Hand. 8 vs. 27 v.

Wij hebben het Paradijs verloren, waar geen doornen en distelen, geen noden en kwellingen waren. Daar was leven en levensgeluk onafscheidelijk één. Maar met de vloek, die de mens, door zijn afval van God, over zich gehaald heeft, is het lijden geboren en het ware levensgeluk verwoest. Vandaar, dat vroeg of laat ieder daarmede in aanraking komt.

Hiervoor waren de ogen van de bekende Kamerling uit Hand. 8 opengegaan. In zijn ziel was onrust geboren, die stand noch positie, noch vreugde en genoegen in staat waren weg te nemen. Hij is in het hart gegrepen geworden. Hij heeft het leren inzien, dat hier beneden alles bereiken en genieten, waarnaar het hart van de mens allereerst uitgaat, niet wezenlijke voldoening en innerlijke vrede kon geven. Bij deze man is van binnen het gaan knagen. Midden in zijn prachtige positie heeft hem de leegheid van het leven aangegrepen, dat telkens wederkerende gevoel, dat hem brengt tot de grote levensvragen : , , Waarheen ga ik, en hoe ga ik? " Werkt hier niet Gods ontdekkende Geest? Zoekt hij niet naar een schat, waarvan hij de sleutel echter niet bezit ?

Daar hoort hij, waarschijnlijk van Joodse kooplieden, dat er maar één God is. Het Jodendom van die tijd legde bijzonder nadruk op de majesteit en heilige verhevenheid van God, Zijn naam dorst men zelfs niet uit te spreken, uit vrees zich aan Majesteitschennis schuldig te maken. Dat wil niet zeggen, dat die Joden innerlijk godvruchtig waren. De oprechte vreze des Heeren was hun vreemd. Maar dat doorzag, deze Kamerling nog niet. Wat hem echter aangrijpt, dat is dit. Als die éne God zo heilig is, wie ben ik dan ? Het is het zondebesef, dat bij hem wakker wordt.

Daarom zal het blijken, dat bij deze man tenslotte het Evangelie plaats zal vinden, dat het bij duizenden niet vindt. Die zich geen verloren zondaar weet, die hoort niet op, als hem gezegd wordt dat er een Redder en Zaligmaker is ; die mist niet iets, die slaapt maar door en pleziert maar door en zwoegt maar door — en daarbij kan men op 't oog een heel net mens zijn — zonder te luisteren naar het , , maar één ding is nodig".

Weet gij dan, , lezers, al van zulk een onvrede ?

Mogelijk denken verschillenden : is dat nu voor iedereen nodig te weten ? We zijn toch oppassende mensen, we lezen de Bijbel, we houden met God rekening. Maar dan stellen we u een tegenvraag. Is er één, die niet als vijand van God ter wereld is gekomen? En nu lees ik nergens in de Heilige Schrift, dat die vijandschap zo onbewust wordt weggenomen en een vijand in een vriend veranderd.

Integendeel. Als Paulus in Rom. 3 zo onomwonden zegt, dat alle mensen zondaren zijn, dan haalt hij ten bewijze daarvoor aan het psalmwoord: „er is niemand, die verstandig is, er is niemand, die God zoekt. Allen zijn zij afgeweken ; er is niemand, die goed doet, ook niet tot één toe".

Dat woord werpt ons neer. Heeft het u al neergeworpen?

Zeker, de mate van schuldgevoel kan aan zich zelf ontdekte zondaren verschillend zijn, maar hoe het ook zij, in de weg der ontdekking - brengt de Heilige Geest hen, die hun toestand tegenover God zien, tot heilige verlegenheid, zodat ze raad en middelen zoeken om zalig te worden.

Dit deed ook de Kamerling.

Nu is het echter zo, dat een oprecht zoekende toch eerst nog lang kan dwalen. Men gaat b.v. af op bepaalde klanken of bewegingen, die men opmerkt bij zekere mensen of kerken of kerkjes en men denkt, dat men het daar zal vinden. Doch men komt teleurgesteld uit. De onvrede blijft.

Of men gaat ineens over tot een wettische werkheiligheid. Men doet dit niet meer en dat wél en is ondertussen bezig zo een eigen gerechtigheid op te bouwen. De onvrede hlijft.

Of men moge eens een ogenblik hebben van geestelijk genot door een aangenaam gesprek, het gevoel moge eens aangedaan worden, maar daarmee kan men voor God niet bestaan. De onvrede blijft.

Aan Gods gerechtigheid moet voldaan worden. Zo ge waarlijk zoekt, hebt ge dan uw zoeken wel eens onderzocht en ook daaromtrent gevraagd : , , Heere, zie of bij mij een schadelijke weg zij" ?

Intussen kunnen we het begrijpen, dat de Kamerling, die vrede zoekt, ook allereerst aan het werken gaat.

Hij wil naar Jeruzalem gaan. Daar is immers de tempel van de God der Joden. Daar worden offer gebracht ter verzoening. Daar wil hij ook gaarne alles voor geven. Dan zal er zeker rust in zijn hart komen. De reis van 150 mijlen, is hem niet te ver. De slechte wegen zijn voor hem geen bezwaar. Ja wat zal iemand niet geven tot lossing van zijn ziel ?

Hij komt in Jeruzalem aan. Maar als we nu het eenvoudige verhaal lezen en daarbij denken aan bepaalde woorden der Heilige Schrift, dan kunnen we nog wel wat tussen de regels doorlezen. Allereerst dit. Hij heeft de tempel niet mogen betreden. Zelfs niet de voorhof. Want aan deze Kamerling was een lichamelijke verminking toegebracht — zoals het grondwoord duidelijk aangeeft, waarmee hij wordt aangeduid — waardoor volgens Deut. 23, hij verre moest blijven van het heiligdom.

Is dit niet voor hem een smartelijke ontgoocheling geweest ?

Al zijn inspanning heeft niets geholpen, al zijn pogen en hopen om uit zichzelf God te verzoenen. Heel die lange reis is tevergeefs.

Laten wij hem niet veroordelen. Deze Kamerling beschaamt veeleer velen, voor wie de deuren der kerk wijd open staan, maar om de minste redenen geen zin höbben naar Gods huis op te gaan.

De Kamerling, teleurgesteld, is — dunkt ons — niet lang in Jeruzalem gebleven. Toch heeft hij niet gedacht, ik schei er maar mee uit. Mijn zoeken helpt niet. Dat kón hij niet. Want heel het verhaal bewijst zo duidelijk, dat God niet alleen zoekende maakt, maar ook de zoeker doet volharden en vinden. Het gaat nooit, zonder strijd.' En ieder, die eenmaal binnengaat, leert die op eigen wijze kennen, afhangend van zoveel omstandigheden, bijvoorbeeld, waaronder hij is opgegroeid of heeft verkeert.

Maar toch is er bij allen, bij alle onderscheid, één lijn te ontdekken, n.l. dat de zoeker vindt door het Woord des Heeren.

Daarom is het niet bij geval, dat de Kamerling vóór zijn vertrek uit Jeruzalem in het bezit komt van één van de heilige geschriften.

Het is het boek van Jesaja. Zal hij daarin kunnen vinden, wat hem rust weet te bieden ? Merkt ge het niet, dat hij aanhoudt, maar ook dat God de Heere iemand, die waarlijk zoekt, altijd tenslotte bij Zijn Woord doet uitkomen en — het zal ons aanstonds blijken —de levendige verkondiging daarvan nodig maakt.

De Kamerling neemt op zijn terugreis de woeste weg naar Gaza. Deze was eenzaam, in tegenstelling met de drukke verkeersweg, die er tooh ook was, Maar hij wil rust in gezelschap met Gods Woord. Beschamend, niet waar? Wat zegt het hem, dat hij schatbewaarder is van koningin Candacé! Éénmaal legt hij dit ambt en deze waardigheid af. Hij moet een andere schat bezitten. Daarnaar dorst zijn ziel. Zou de Heere zulk één ongetroost laten ? Hij verbindt ze in hunne smarte, die in hun zonden en ellenden, tot Hem zich ter genezing wenden!

Wanneer de Kamerling nog te Jeruzalem is, ontvangt Filippus, één van de zeven diakenen, een boodschap door een engel. Hij is op dat ogenblik in Samaria. Hij moet vandaar zich begeven naar de woeste weg van Jeruzalem naar Gaza. Gewillig doet hij dit. Als hij daar is aangekomen en wacht, ziet hij een reiswagen naderen. De Geest zegt tot hem: , , Ga toe, en voeg u bij deze wagen".

Dichterbij gekomen, hoort hij hem welbekende klanken, woorden uit dat kostelijke hoofdstuk Jesaja 53. De Oosterlingen lazen doorgaans voor zichzelf hardop. De man is zó verdiept in hetgeen hij leest, dat hij Filippus niet eer opmerkt, dan nadat deze vrijmoedig — iets anders dan vrijpostig — heeft gevraagd : „Verstaat gij ook, hetgeen gij leest ? "

Deze rijke heer voelt zich niet beledigd, als hij door zulk een eenvoudige man wordt aangesproken. Velen kunnen het nog wel hebben, dat een predikant tot hen spreekt over de eeuwige dingen — daar is hij immers voor —, maar als iemand dat doet, die maatschappelijk lager staat, dan wordt vaak fijne spot gebruikt als afweermiddel.

De Kamerling zegt echter als antwoord op Filippus' vraag: , , Verstaat gij ook hetgeen gij leest", , , 'hoe zou ik toch kunnen, zo mij niet iemand onderricht? ", en 'hij nodigt Filippus uit bij hem op .de wagen te komen.

Merken wij hier niet op de zuivere kenmerken der genade, ootmoed en nederigheid? De Kamerling doet niet nederig, zodat Filippus toch de afstand goed moet voelen, zoals lieden, die zich van hun stand bewust zijn, zo echt kunnen doen. Ach, wat deren hem deze dingen ! Zijn ziel hunkert en schreeuwt naar vrede.

Hij heeft Gods Woord voor zich, maar verstaat het niet. Legt hij het dus maar weg ? Ja, zó doen velen. Wat lezen wij en verstaan wij van de Heilige Schrift ? Hoe gaat het doorgaans ? Wel, Genesis, Exodus, een deel althans ervan, dat gaat, maar wat dan verder volgt, och, daar is niet veel aan, Richteren, Koningen, de Evangelieverhalen, dat gaat ook, maar de profeten en Paulus' brieven, dat is alles zo onverstaanbaar! Het vragend hart zegt echter, ik moet het weten; het bidt: , , geef mij verstand met goddelijk licht bestraald'.

De Kamerling leest dan ook het voor hem zo geheimnisvolle Schriftgedeelte van Jesaja 53 zeker nog eens over; dat gaat over Eén, die gewillig zich, als een schaap ten slachtbank leiden liet. Wie wordt daarmee bedoeld?

Heeft hij dan niet van een Messias gehoord en gelezen? Natuurlijk wel. Maar zolang hij zelf vroom trachtte te worden, zei die naam hem niets. Zo zijn er zovelen, die wel weten, dat er een Zaligmaker is, maar Hij is voor hen geen levende Zaligmaker, wel Eén, die ze kennen uit de geloofsleer, doch Hij leeft voor hen niet, omdat ze nog het leven bij zichzelf zoeken. Eerst bij waarachtige 'belijdenis van eigen onkunde : , , Heere, ik wee't niets', brengt de Heilige Geest het woord van die Zaligmaker nabij, tot het hart.

Welnu, zulk een heilbegerig, onwetend man hunkert hier naar het verklarend woord van Filippus. Hij vraagt: , ik bid u, van Wien zegt de profeet dit? "

En Filippus deed zijn mond open en beginnende van die Schrift verkondigde hem Jezus. Hij verkondigde hem Jezus.

Welk een rijkdom en volheid van genade ligt in dit enkele woord ! Filippus spreekt over Hem, Die in onze diepste verlorenheid en ellende is afgedaald, Zich neergebogen heeft onder Gods recht en toorn, waaronder wij eeuwig hadden moeten verzinken.

En de Kamerling luistert met een brandend hart. Hij hangt aan Filippus' lippen. Gemengde gevoelens houden hem bezig. Hij volgt Filippus op de lijdensweg van de Man van Smarten. Die zo de weg ontsloot naar de onverdiende vrede Gods. O, als dit alles zo nodig was, ach, wat is hij dan toch arm, geestelijk arm! Zijn innerlijke leven wordt hem blootgelegd. Het is alles zonde. Doch ook anderzijds rijst steeds weer voor zijn zielsoog het beeld en het werk van die grote Middelaar. En de doorbraak komt, de wonderlijke ruil vindt plaats, het ontroerende geloofsbeleven: , , Heere Jezus, ik ben Uwe zonde en Gij zijt mijne gerechtigheid". Sommigen menen, dat dit wel wat vlug gaat. Zo aanstonds wenst hij zelfs de doop te ontvangen; hij spreekt een korte geloofsbelijdenis uit, nadat hij om de verzegeling van Gods genadeverbond heeft gevraagd, waarover Filippus zeker ook gesproken heeft.

Wij weten uit Hebr. 6, dat de leer van de doop behoorde tot de eerste beginselen der prediking. Welnu, de Kamerling vraagt om het teken van Gods eeuwige trouw.

Te vlug ? Vergeten wij dan niet, hoe­ veel deze man reeds had afgeworsteld en laten wij vooral niet vergeten, dat het toen een levendige tijd was, de lentetijd der kerk. •

Maar het kan ook nu nog.

Een nieuwe wereld kan nog ontsloten worden.

De ware zoeker zal ook nu nog vinden. Hij vindt door het Woord en de bediening des Woords, zoals uit deze eenvoudige geschiedenis — maar echt kenmerkt van.het ware — zo treffend blijkt.

Welk een onvergetelijke dag werd het in het leven van de Kamerling! Nu heeft hij vrede. Vrede en blijdschap in Jezus Christus.

De reis gaat weer verder. Filippus Is verdwenen. Maar de Kamerling reist zijn weg voort met blijdschap. Nu eerst weet hij in waarheid dat hij , , op reis" is.

Hij zal wel weer zijn gaan lezen op zijn wagen, verder uit Jesaja, onder meer , , want bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid van van u niet wijken, en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer". Dat zal hij 'later ongetwijfeld meermalen nodig gehad hebben te bedenken.

Ook onze reis gaat voort. Zijn wij op die reis gebogen over die kostelijke schat ? Wat leest gij ? Waar zoekt gij de vrede? Eens houdt de reis op. Waar zullen we dan uitstappen?

Laten we toch. niet op goed geluk afreizen. Als we reizen, moeten wij toch weten waar wij! heen gaan. Weet gij het al ? Waarheen gaat gij en hoe gaat gij ?

Van nature rijden wij op verkeerd spoor. De wissel moet omgehaald.

Smeekt God daar toch om , nu is het nog het heden der genade, de welaangename tijd, de dag der zaligheid. Straks komt de nacht. Zoekt geen uitvluchten, geen verontschuldigingen. De Heere neemt ze niet aan.

Bedenkt het, ja, laten wij het allen bedenken: , , Wie heeft lust de Heer' te vrezen ? " Smartelijk, dat dat moet gevraagd worden. Maar ook , , wie Hem nedrig valt te voet, zal van Hem Zijn wegen leren".

Die kan , , op reis" gaan.

Die komt thuis.

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

OP REIS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1955

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken