Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

HERMAN WITSIUS III

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

HERMAN WITSIUS III

10 minuten leestijd

De betekenis van Witsius, zo stellen we na het tot nu toe gezegde vast, ligt vooral in het eerherstel van het stuk van het Verbond, dat bij Coccejus tot het één en het al dreigde te worden en, uit reactie, bij de Voetianen al meer verdacht en geschuwd werd. Om even te doen blijken, dat de , , Verbondstheologie" (men spreekt er onder theologen meestal over als over de foederaaltheologie (foedus betekent: verbond ; de oe moet worden uitgesproken als eu) in het Gereformeerd Protestantisme helemaal niet vreemd was, kunnen we wijzen op de plaats, die het Verbond Gods bij Calvijn in, neemt; op het feit, dat Gomarus, toen hij hoogleraar werd, een rede hield over , , het Verbond Gods" en dat J. Cloppenburch, een te weinig bekend, maar belangrijk gereformeerd theoloog, hoogleraar in Harderwijk, zijn dogmatisch onderwijs ook op verbondsmatige leest had geschoeid. Dat het Verbond in discrediet kwam, schreven we toe aan Coccejus, maar dan moeten we vooral niet vergeten daaraan toe te voegen, dat begrijpelijkerwijze de felle critiek die door De Labadie en Van Lodenstein op de Kerk werd geoefend, er wel toe moest meewerken, dat ook het Verbond geen brede plaats kon krijgen, daar men het voor ontheiligd en ontledigd verklaarde.

Tegen een bepaalde misvatting moeten we hier nog waarschuwen. Men denkt nog al vaak, dat Verbond en Verkiezing elkaar uitsluiten, dus ook Verbondstheologie en een theologie, die de Verkiezing belijdt als hart der kerk. In deze lijn voortgaand, meent men dan wel, dat Coccejus dus wel een man moet zijn, die de Verkiezing verloochent, zodat daaruit het verschil met Voetius, als man (ook) der Verkiezing, zou moeten worden verklaard.

Maar dat klopt helemaal niet. Er is geen sprake van, dat Coccejus de Verkiezing loochent. Hij is in dit stuk goed gereformeerd (zijn latere aanhangers veel minder) en we begrijpen dus wel, dat de grond van de botsing op een andere plaats ligt. Dat het verschil tussen Voetius en Coccejus óok wel overdreven en nodelijk opgescherpt is in de felle strijd, wordt bewezen door het feit, dat ze elkaar achteraf hebben kunnen vinden, als de Coccejanen veel hebben overgenomen van de Voetiaanse ernst en de Voetianen het Verbond weer meer laten spreken, inziend, dat het goedbijbels en zuiver-gereformeerd en niet bepaald Coccejaans kan heten. Daartoe heeft Van Lodenstein al een grond gelegd en Witsius, met later á Brakel, hebben dit voltooid.

Witsius neemt van Coccejus over, wat hij bijbels acht, maar wijst af, wat hij daarmee strijdig rekent. Typisch voor Coccejus' gedachte is het sluiten en vernieuwen van het Verbond in allerlei gedaanten (scheppings- of natuurverbond, Noachitisch verbond ; Verbond met Abraham; Verbond bij de Sinaï, enz.), die dan successievelijk weer worden afgedaan. Daartegenover wezen de Voetianen graag op de God als de Onveranderlijke, ook als de „bedelingen" wisselen.  In het kader van al die afdoeningen van de Verbonden tot hét nieuwe en eeuwige, past, dat bij Coccejus een neiging optreedt om het Oude Testament te onderschatten, wat uitloopt op een overschatting (ten koste van het Oude van het Nieuwe Verbond. Coccejus leerde b.v. dat de gelovigen onder het Oude Verbond nog geen volle vergeving hadden gekend, eigenlijk alleen een , , laten passeren", iets als een „de hand lichten". Pas onder het Nieuwe Ver'bond zou de vergeving volledig worden gekend, omdat Christus dan pas geopenbaard werd. Dat wezen de Voetianen èn Witsius, terecht af : Christus is een eeuwig Koning, Wien het nooit aan onderdanen heeft ontbroken en die, ook onder de belofte, geen half werk doet.

Coccejus en de zijnen preken maar over die Verbonden, in hun opgaan, blinken en verzinken. Als dat, zoals gebeurde, erg voorwerpelijk en onpersoonlijk plaats heeft, moet dat iets zeer kils en hards zijn, met weinig kracht tot vermaan of tot troost. Witsius daarom wil de aandacht niet zo op die Verbondsbedelingen vestigen, maar op de heilsorde, die er de vrucht van is. Hij spreekt graag over de roeping en Verkiezing, die in het genadeverbind vast liggen ; op vergeving, rechtvaardigmaking en heiligmaking, die er de vruchten en de verheerlijking, die er de bekroning van is. Zo brengt hij die Verbondstheologie terug in de , , bevindelijke", de persoonlijke en essentiële sfeer, waar ze in de Schrift dan ook staat, zo goed als bij de gezonde, gereformeerde vaderen. En we merken met voldoening op, dat een deel van de Coccejanen deze ommekeer hebben toegejuicht en gevolgd. Zij gaan van de Voetianen overnemen die aandacht voor het persoonlijke, geestelijke leven, voor bekering en wandel als bekeerde; voor de praktijk der godzaligheid die de , , ascetiek" meebrengt, waarover we menigmaal spreken en die betekent een de tijdelijke dingen zó (positief) waarderen en gebruiken, dat ze toch geen verhindering zijn voor onze reis naar ons eeuwig huis.

Zo komen er dan, mede door de arbeid van Witsius, á Brakel e.a., de z.g. , .ernstige" Coccejanen, die naar de Voetianen toegroeien en straks met hen versmelten. Die deze gang van zaken met verbolgenheid aanzagen, en bij het oude bleven, noemen we , , Leidse" of , , groene" Coccejanen. De laatste naam, afgeleid van ds. H. Groenewegen van Enkhuizen, een heel ander figuur als de onder ons licht bekende Jacob Groenewegen, die de bundel geestelijke poëzie: De lofzangen Israels, waaronder de Here woont, heeft uitgegeven, een bundel, die in geestelijk opzicht doet denken aan Van Lodenstein's Uitspanningen en aan Sluiters gedichten, maar in dichterlijk opzicht daar heel ver beneden blijft.

Naar deze kant heeft Witsius dus stellig gezegend werk gedaan. Dat hij, als ongeveer eerste op dit gebied, niet aanstonds tot de volheid zou komen, valt te begrijpen. We hebben de indruk, dat bij hem het Verbond nog te sterk wordt beheerst door de Verkiezing en zo niet voldoende tot een eigen recht en functie wordt gebracht, waarbij de bijbelse spanning tussen die twee blijft gehandhaafd, zonder dat het ene het andere overheerst. Maar op gereformeerde erve was en blijft die verhouding een zeer gevoelig punt, dat onze aandacht wel gedurig mag hebben. Want wie hier fout gaat, gaat tenslotte helemaal uit de baan.

Wat tenslotte Witsius nog van Coccejus onderscheidt, is, dat bij hem het z.g. Verbond der Verlossing veel meer nadruk heeft dan bij laatst genoemde. We verstaan daaronder immers die overeenstemming tussen Vader, Zoon en H. Geest om het werk der verlossing te volbrengen. Daarbij komt het genadeverbond dus te staan in het teken van het geloof in Christus, van het in Christus en van Christus zijn, en zo delend in Zijn borgtocht. Als bij Coccejus dé rasse afdoening van Verbondsbedelingen een zo vlot, optimistisch karakter aan het leven geeft, dan brengt het Verbond der Verlossing daar het echte fundament onder, en dus de echte hoop en het , , optimisme", dat niet bedriegt.

We opperden, dat o.i. deze ontwikkeling bij Witsius al niet zonder zekere eenzijdigheid verloopt. We zien dat heel sterk in een lijn- van ontwikkeling in de Schotse kerken en ten onzent in de gang van zaken in de Gereformeerde Gemeenten, waar de neiging groot is en nog groter wordt, het Verbond der Verlossing en het Verbond der genade te vereenzelvigen, zodat er alleen beloften zijn voor de zichzelf als in Christus verkoren kennenden. Zo komt het tot een uitverkorenheidsfilosofie (we moeten helaas eerder zeggen : een verworpenheidsfilosofie), die genadeloos en belofteloos, juist voor een goddeloze en zondaar en voor de Christen, die nog niet de volle zekerheid greep. We zijn daar wel héél ver van Calvijn af, die de Verkiezing Gods in Christus, niet als een idee, als een blok vooropstelde, maar de Verkiezing pas behandelt in het stuk van , , de toepassing des heils", zó, dat de kennis der verkiezing (als goddeloze en verlorene, in Christus) wordt bekend uit de , .bevinding" des geloofs, d.w.z. in de weg van het zich levend en echt als zondaar verliezen, door zondaarsgeloof aan de Middelaar van het genadeverbond.

In die gang van het leven wordt dus het Verbond geenszins als bagatel beschouwd. Het heeft z'n plaats in , , de toeleidende weg"  het maakt de volstrektheid van Gods trouw groot; het doet geen tweespalt zien tussen Verbond en Verkiezing.

Witsius kent dit nog wel, maar we hebben de vrees, dat hij ook andere dingen kent, die dit in de weg staan. Althans vinden we ook in dezen W. á Brakel niet bepaald zijn mindere, denk aan het hoofdstuk in diens Redelijke Godsdienst, dat tot titel heeft: Het leven des geloofs op de beloften. Maar ook á Brakel weet hier van andere dingen, waarover we te zijner tijd zullen pogen te berichten.

Met nog een laatste boek, dat voor ons bijzonder belang heeft, besluiten we onze beschouwing van Witsius. Het is het boek, gewijd aan wat wij de ethiek noemen en wat de vaderen betitelden als Practicale Godgeleerdheid, ook wel: Dadelijke Godgeleerdheid. Witsius heeft daar nogal aandacht voor en beschouwt de christenmens in zijn verschillende samenlevingsverbanden.

Tegenover de oorspronkelijke bedoeling van de Hervorming betekent het afsplitsen van de ethiek van de dogmatiek (het leven van de leer) geen vooruitgang. In Calvijn's Institutie vindt ge de ethiek nog helemaal verweven met de dogmatiek — een ideale oplossing. Later heeft men dat verlaten. Dat kunnen we wel begrijpen en zelfs goedkeuren. Tegenover die eerste tijd neemt de dogmatiek in omvang toe. De tijd van het vakmanschap komt: de één legt zich op dit onderdeel toe, de ander op dat. Begrijpelijk, dat dan ook de ethiek wel los kan komen van de dogmatiek, zonder dat de wortelstok, die ze samen draagt, wordt doorgesneden of afgestoken. Maar doorgaans is het niet zo onschuldig. Zoals in de beschouwing van het geloof, juist in de tijd, die we nu behandelen, ook opkomt dat men het vertrouwen des geloofs, dus de geloofszekerheid, gaat afscheiden van het geloof zelf, zo kan het ook bedenkelijk worden, als men het christenleven losmaakt van zijn belijden. Het gevaar van een van, elkaar afgroeien is dan groot en is ook geenszins uitgebleven.

Witsius' ethiek is nog weinig uitgewerkt. Het is een christelijke ethiek, waarin het theologische overheerst, ook het persoonlijke, zodat het sociale en het kerkelijke niet voldoende tot hun recht komen. Vergeleken bij zijn voorgangers, vooral Voetius, is Witsius nuchterder. Het uitgewerkte „ascetisiche", dat we daar vonden keert bij Witsius zo niet weer. We staan met hem op de drempel van de 18e eeuw: eeuw van nuchterheid, van maathouden en van groter belangstelling voor het hoofd dan voor het hart.

Het zal ons, als we volgend maal iets naders uit één van Witsius' werken meedelen, blijken, dat óók bij hem dit verloop al op te merken is. De Nadere Reformatie begint oud te worden en dat gaat met ouderdomsgebreken gepaard.

We hopen dat te de'monstreren aan een boekje, dat zich o.i. het beste leent voor een korte weergave, 't Zou eigenlijk wel het beste zijn geweest als we De Verbonden kort weergaven, maar dit zou te omvangrijk worden. We kiezen dus iets anders, namelijk het boekje, gewijd aan de Practicale Godgeleerdheid (ethiek).

Maar Witsius heeft daaraan laten voorafgaan een inleiding, die hem wel het best doet uitkomen als man van de Nadere Reformatie, n.l. Geestelijke printen over een onwedergeborene op syn beste en een wedergeboorne op syn slechtste. Daaraan laat zich, wat in Witsius aantrekkelijk lijkt en wat ons in hem zorg geeft, goed aanwijzen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HERMAN WITSIUS III

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 januari 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken