Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het verdriet van God

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het verdriet van God

8 minuten leestijd

„Gij hebt Mij arbeid gemaakt met uw zonden, gij hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden. Ik, Ik ben het, die uwe overtredingen uitdelg om Mijnentwil en Ik gedenk uwer zonden niet". Jes. 43 : 24b-25.

Er is niet alleen een verdriet der mensen. Er is ook een verdriet van God. Dat er een verdriet van mensen is, dat weet iedereen. Een bekend vers zegt: , , Daar is zoveel te klagen. Daar is zoveel geween en zoveel leed te dragen", en van de waarheid van deze. versregel komt ieder mens op zijn tijd op de hoogte. Geen mens op aarde wordt voor het leed gespaard. Maar onnoemelijk veel zwaarder dan het leed der mensen is het verdriet van God. Hebt u daar wel eens over gemediteerd, over nagedacht?

Ook de Heere heeft te kampen met moeite en verdriet, meer nog dan enig mens. Hij, de Volzalige in Zichzelf, die niet van node heeft, dat iemand Hem dienen zou, Hij gaat nochtans — wanneer we dat zo met eerbied eens zeggen mogen — gebukt onder een zwaar verdriet. Het is het verdriet over de zonde. Met die zonde tobt de Heere Zich af. Hij kan de zonde niet zo maar door de vingers zien. Daarvoor is Hij te heilig, te rein van ogen. Hij heeft de zonde te straffen met de eeuwige dood. En toch heeft Hij het mensdom zo lief, dat Hij geen lust heeft in de dood van de zondaar, maar daarin, dat hij zich bekeert en leeft. Dat is de strijd, die de Heere te strijden heeft, het verdriet van God.

De tekst, die van deze meditatie het uitgangspunt is, wil ons bij dat verdriet bepalen Het is een adembenemende tijd, waarin deze tekst geschreven is. Kores, de koning van Perzië. is bezig de wereld te veroveren. De rijke koning Croesus van Lydië en de Grieken in Klein-Azië zijn reeds onder de voet gelopen en Kores is op mars naar het Babylonische wereldrijk en dreigt Babel te verpletteren. In Babel wonen de Joodse ballingen en zij sidderen van vrees. Zij zijn daar vanwege hun zonden. De Heere is bezig Zijn volk te louteren in de smeltkroes. De eis der gerechtigheid moet worden vervuld, Niet veel nog heeft het volk van de ballingschap geleerd. Niemand onder hen gaat, nu de tijd zo benard wordt, de troon der genade bestormen in verootmoediging over de zonden en smekend om genade. Slechts één is er, die geen vrees kent en dat is de profeet, die het tweede gedeelte van de boekrol Jesaja schreef. Hij laat juist in deze tijd zijn bemoedigende prediking horen. Hij heeft de sprake Gods in de geschiedenis verstaan. Hij verheft zijn stem en roept: , .Troost, troost mijn volk". Want het is genoeg. Het volk heeft van de hand des Heeren dubbel ontvangen voor al zijn zonden. De strijd is vervuld. De ongerechtigheid is verzoend en Kores is een instrument in de hand des Heeren om het volk te verlossen en het verlof te geven naar zijn land terug te keren en de tempel te herbouwen.

Heeft het volk dit dan verdiend ? Is het volk in de ballingschap tot inkeer gekomen? Heeft het de Heere opgezocht met brandoffers en schuldoffers ? Neen, integendeel wij lezen in Jesaja 43 : , , Doch gij hebt Mij niet aangeroepen, o Jacob ! Mij hebt gij niet gebracht het kleine vee uwer brandofferen en met uw slachtofferen hebt gij Mij niet geëerd. Maar gij hebt Mij arbeid gemaakt met uw zonden ; gij hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden".

Ziedaar het verdriet van God. De Heere heeft dit volk in de smeltkroes geworpen. Hij heeft door de ballingschap dat volk tot inkeer willen brengen, want Hij wil dat Israël in Zijn dienst in vrijheid en vreugde zou leven. Maar Israël wil niet. Het is een volk met een verdwaasd en dwaalziek hart. Daarover tobt de Heere Zich af. Dat is niet sinds vandaag of gisteren. Neen, de zonde zit dat volk in merg en been. , , Uw eerste vader heeft gezondigd en uw uitleggers hebben tegen Mij overtreden", zo lezen wij in het vervolg van Jes. 43. Het volk is gedrenkt in de zonde en daarmee heeft Israël de Heere arbeid gemaakt. Daar heeft de Heere verdriet van.

Herkent gij uw beeld in het portret van Israël ? Ook van u geldt: , , Uw eerste vader heeft gezondigd". Ook u zit de zonde in merg en been en weet u, wat het ergste is ? Dit u dit niet wilt inzien, dat u het hier niet mee eens wilt zijn. Zeker, verstandelijk zult ge de tekst wel gelijk geven. Het is goed Gereformeerd om dat te doen. Maar om het bevindelijk toe te geven, dat ge welbewust van Gods wezen zijt afgedwaald en dat ge door uw ongerechtigheid het oordeel Gods over u hebt ingeroepen, daarvoor zijt ge te hardleers. Misschien is de Heere wel met u bezig om u dit te leren. Misschien is op de één of andere manier uw leven wel in de smeltkroes geworpen. Misschien is er een onvrede in uw hart of een kruis in uw leven, ' waarin de Heere met u bezig is. Maar ge blijft u toch zo lang mogelijk verzetten. Ge zijt zo hardleers van nature, dat ge uw schuld voor God niet wilt inzien.

Weet u, wanneer 'n mens zichzelf pas recht gaat leren kennen? Wanneer hij een blik werpt in het hart van God. En dat wil deze tekst uit Jesaja 43 u laten doen. Dan gaat ge inzien, dat ge met uw zonde de Heere moede maakt, dat ge Hem er mee laat zwoegen en tobben. Dan gaat ge iets ontdekken van het verdriet van God. Wist u dat nog niet, dat u door uw hardleersheid de schuld zijt van een enorm verdriet, dat de Heere lijdt ? Dat wil de Heere door deze tekst laten zien. De Heere roept u in deze meditatie toe : Mens, Ik ben al zo lang met u bezig. Ik heb al zo vaak aan de deur van uw hart geklopt. En telkens houdt gij de deur toch maar dicht. Mens hoe langer gij u verzet, hoe groter ge Mijn verdriet maakt. Denk daar toch eens aan: , , Gij hebt Mij arbeid gemaakt met uw zonden ; gij hebt Mij vermoeid met uw ongerechtigheden".

En wat is nu tegenover onze houding de houding des Heeren? De Heere zou natuurlijk met Zijn oordeel kunnen komen. Hij zou ons in onze opstandige verharding aan onszelf over kunnen laten. Hij zou ook met Zijn eisen kunnen komen. Hij zou van ons kunnen verlangen, dat wij voor de bergen schuld betalen, dat wij alles, wat wij misdreven hebben goed maken. Maar Hij doet het niet. Hij wil de mens niet vermoeien met geweldige eisen. Zelf tobt Hij zich af. Zelf wordt Hij er door vermoeid. Zelf heeft Hij er onnoemelijk veel verdriet van. Maar Hij laat, als het er op aankomt, de mens er buiten. Uiteindelijk wordt het heil buiten de mens volbracht. Hij treedt Zelf de pers alleen en daalt in Jezus Christus in deze zondige wereld neer en draagt de schuld. Dat is het allergrootste verdriet Gods, dat Hij het leven van Zijn eigen Zoon er voor over moet hebben om zondaren te. redden. Dat is de allerzwaarste arbeid geweest, die wij den Heere hebben gemaakt. Maar omdat de Heere er zo zwaar aan getild heeft, daarom kan Hij tot een zondig volk zeggen : , , Ik ben het, die de overtredingen uitdelg om Mijnentwil en Ik gedenk uw zonden niet".

Wanneer wij dat zien, dan worden we stil. Wie zou er immers nog iets te zeggen hebben? Ik doe het , , om Mijnentwil", spreekt de Heere. Dan valt er voor een mens niets meer te zeggen. Dan is het honderd procent genade en dan kan de zondaar alleen nog maar stil zijn, stil van schaamte, omdat hij zelf niets aan zijn zaligheid heeft willen toedoen en stil van verwondering over zoveel liefde, die hem uit de dood heeft gered. Voor zoveel liefde zijn immers geen woorden te vinden. Hier schieten alle menselijke woorden tekort om de Heere te prijzen. Hier is de eeuwigheid voor nodig om Hem lof te brengen. Om Zijnentwil heeft de Heere het gedaan. Het is alleen Zijn vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog. Het is de eer van God, die hier in het middelpunt staat en alle mensen en engelentongen zijn nog te zwak om die eer groot te maken.

Zo staan onze onwaardigheid en des Heeren genade naast elkaar en beiden hebben wij nodig om deze tekst bevindelijk te leren verstaan. Beiden moeten ons gepredikt worden en worden ons in deze tekst gepredikt. De boodschap, die de Heere voor ons heeft in deze tekst, luidt: Gij zijt niets, o mens, helemaal niets. Het enige, wat gij doet, is Mij in de weg lopen. Gij maakt Mij arbeid met uw zonden en gij vermoeit Mij met uw ongerechtigheden. Ik heb een groot verdriet aan u. En nochtans neem ik u mee in de vaart van Mijn werken en uit genade zijt gij Mijn kind. Nochtans wordt uw leven gered dat zo grondeloos verloren was. Het wordt gered uit alle diepten van de dood. Want Ik ben het, die uw overtredingen uitdelg om Mijnentwil en Ik gedenk uw zonden niet. En nu komt het in orde en het is in orde, want Ik heb alles volbracht.

Wanneer wij deze boodschap horen en wanneer deze boodschap mag doordringen in onze harten, dan worden wij stil. Maar dan kan het toch niet lang stil blijven, want dan wordt in de stilte de lofzang geboren. Dan klimt de lofzang uit Sions zalen tot God met stil ontzag. En dan jubelt het straks door het luchtruim : , , Gij, Gij zult vreselijke dingen ons in gerechtigheid doen horen en ons blij doen zingen van het heil, voor ons bereid".

J. V. d. S.

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Het verdriet van God

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 november 1957

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's