Bekijk het origineel

Het Réveil

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het Réveil

Het Réveil 09

9 minuten leestijd

Groen en de Kerk

Guillaume Groen van Prinsterer (1801—1876) V

Groen en de Kerk.

„Sedert geruimen tijd hoort men in Nederland gewagen van regtsgedingen, van boete en gevangenisstraf, van inlegering, van aanschrijvingen met buitengewone scherpheid gesteld; (strengheid b.v. „Bij onvermogenden verkoopt men huisraad, kleederen en kindergoed. Te Oenkerk heeft men de vrouw eens veroordeeld en gedwongen nog een rok uit te trekken die daarop verkocht is. — De verkooping geschiedt op Zondag, om den wederinkoop te beletten) en dit alles is tegen ééne klasse van ingezetenen gerigt; tegen de Gereformeerde christenen die zich van het kerkgenootschap in 1816 gesticht afgescheiden hebben. Natuurlijk dat menigeen deelnemend vraagt: Wat hebben zij strafwaardigs gedaan?

Ook ik deed mij gedurig die vraag, en telkens werd ik versterkt in de overtuiging, dat hun de bevoegdheid om God naar hun geweten te dienen niet moest worden betwist. En zou ik bij die overtuiging, na drie jaren gewacht te hebben, schromen eenige woorden ten hunnen behoeve in het midden te brengen? omdat ik de scheiding afkeur? Maar, zoo men prijs op geregtigheid stelt, moet immers, zonder aanneming des persoons, het regt voor allen bestaan".

Aldus is de aanhef van Groen's geruchtmakende brochure: „De maatregelen tegen afgescheidenen aan het staatsregt getoetst". 1837. Het was een moedige daad om dit geschrift te publiceren en voor de afgescheidenen in het krijt te treden. Groen wist dat dit de koning zeer onaangenaam moest zijn. Trouwens, de koning was inderdaad niet weinig ontstemd over dit moedig betoog. Het gevolg was verkoeling tussen de koning en Groen. De slag van Groen kwam aan.

Groen deelde zijn betoog naar drie punten in: „ ... de oorzaken der onrust in de Hervormde Kerk; de wijs waarop het Separatismus zich uit die onrust heeft ontwikkeld; het onstaatkundige en vooral het onregtmatige der vervolging".

Groen sprak eerst over „de oorzaken der onrust in de Hervormde Kerk". De oorzaak ligt in het feit, dat de kerk in 1816 onder staatsvoogdij werd gebracht. De Gereformeerde Kerk is nu „geadministreerd. Zij is een deel der staatsmachine geworden". Dit acht Groen toepassing van onchristelijke beginsels in de kerk. En hij stelt vast: „zoolang men de heerschappij, de overheersing van die beginsels niet in aanmerking neemt, is het, naar mij voorkomt, eene onmogelijkheid over de oorzaak en strekking der afscheiding hier te lande een billijk oordeel te vellen".

Merkwaardig is, dat de klachten van de afgescheidenen allereerst betrekking hadden op het niet handhaven der belijdenis, en toen deze genegeerd werden, pas zich richtten tegen de staatsinmenging in de kerk. Men zou het juist andersom verwacht hebben. Maar men moet niet doen alsof de afscheiding als iets nieuws ineens uit de lucht komt vallen. „Voorwaar in 1834 had men, om de naderende scheuring niet te zien, al zeer kortzigtig moeten zijn", „waartegen lang gewaarschuwd was, vond eindelijk plaats". Groen kon geen lans breken, noch voor de afscheiding, noch voor het kerkbestuur. „De Synode riep het wereldlijk gezag te hulp". „Hier bleek het tot welke buitensporigheid de gelijkstelling van kerkleden met onderdanen brengt. Het was of men in de Afgescheidenen weggeloopene lijfeigenen zag".

Groen toetst de vervolging op twee manieren aan het staatsrecht. Allereerst schrijft de grondwet voor, dat vrijheden en rechten geëerbiedigd moeten worden. De vervolging is een weerzinwekkend middel, dat wel Napoleon paste, maar geen constitutioneel vorst als Willem I.

Het tweede wat Groen met klem naar voren brengt is zijn inzicht, dat de Afgescheidenen zich wel hebben onttrokken aan het bestuur van het genootschap, niet aan de Kerk. „De Afgescheidenen zijn geen nieuwe secte; zij zijn leden der Gereformeerde Gezindheid. Als zoodanig, hebben zij, met de leden van het Hervormd Kerkgenootschap, aanspraak op die gelijke bescherming, welke aan alle bestaande Gezindheden toegezegd is". Zij zijn Gereformeerden bij uitstek, „afvalligen welligt van het Kerkgenootschap, maar voorzeker getrouwe leden van de Gezindheid, van de Kerk". De belijdenis, de uitdrukking van 't gemeenschappelijk geloof, kenteekent de Gezindheid". Omdat het genootschap de belijdenis terzijde heeft gelegd, komt Groen tot de volgende conclusie: „Het Genootschap heeft zich, dunkt mij, facto, afgescheiden van de Gereformeerde Kerk; zij daarentegen die men Afgescheidenen noemt, hebben, dewijl zij deze feiten (mijns inziens zeer ten onregte) onherroepelijk achten, zich buiten het genootschap begeven om te kunnen blijven in de Kerk".

De felste oppositie ondervond Groen van zijn vroegere studievriend Thorbecke: „Deze brochure is een partijgeschrift. De wanbegrippen der partij, waartoe de schrijver behoort, omtrent de gesteldheid der tegenwoordige wereld, zijn bekend. Die partij zoekt het leven bij de dooden. Zij vat niet, dat dezen geleefd hebben om nieuw leven mogelijk te maken". Zij begeert: „hare Kerk als publieke en heersende Kerk hersteld te zien.Slechts op hare wijs kan God worden gediend; en buiten den bekrompen kring, dien zij trekt, is het Opperwezen niet te vinden of te naderen". Thorbecke handelt in deze niet fair, hij schimpt „de partij-ijver van den Heer Groen", en hij verbloemt het feit, dat het optreden van de regering geen steun vindt in de wet. Thorbecke probeert in een persoonlijke brief de goede verstandhouding te bewaren. „De fransche uitdrukking mijner denkbeelden behaagt mij niet". „De zaak, die wij in 't publiek verhandelen, deert onze bijzondere gezindheid wederzijds niet". Groen reageert onmiddellijk: „Ik ontwaar daaruit, met groot genoegen, dat Gij door sommige uitdrukkingen van uw antwoord niet hebt bedoeld wat, naar mijn inzien, in de woorden opgesloten ligt".

Nog jaren daarna blijft Groen protesteren tegen dit onrecht tegen de afgescheidenen, hoewel Groen ernstig bezwaar heeft tegen de Afscheiding zelf. „Afkeuring van het onregt dat den Afgescheidenen geschied is, moet niet met een goedkeuring der Afscheiding worden verward". Hij acht, dat de afgescheidenen „in woord en daad, voorbarig en onlsesuisd" te werk zijn gegaan. „Het verlaten van een Kerk is zonde, wanneer het niet pligt is".

Bij het vele wat hem tegen staat, is vooral het aanvragen van autorisatie bij dé Regering door de afgescheidenen. Daardoor ondergroeven zij hun rechtspositie. Zij presenteerden zich als een nieuwe secte en vroegen om erkenning bij de overheid. Daarmee gaven zij hun recht als deeluitmakend van de Hervormde Gezindheid prijs, en gaven een soort van rechtmatigheid aan de vervolging: zij waren immers nog niet erkend. Maar ook werd op deze wijze de kleur aan Groen's verdediging ontnomen, en de kracht en werking van zijn oppositie in het kerkgenootschap verlamd. In feite verlieten de afgescheidenen de oude theocratische lijn, leverden zichzelf uit aan versplintering en de hoop op hereniging verbleekte. Groen had gewild, dat door hun „standvastigheid en regtmatigheid" van hun „aanspraak en het eigenlijke kenmerk der bestaande Hervormde Gezindheid van Gouvernementswege erkend was". Zij hadden „hun regtmatig standpunt in de Hervormde Kerk" niet prijs mogen geven. Dat zou „voor den invloed der Evangelie-verkondiging hier te lande van onberekenbaar belang geweest zijn". Helaas, „de afscheiding is in een fuik geloopen".

Groen heeft hier scherp gezien. Het loslaten van de theocratie was in feite het toevallen aan het moderne staatsrecht en dat heeft steeds de hereniging in de weg gestaan. Of beter gezegd: alleen het theocratisch beginsel geeft de ware samenbinding, al het andere is modern individualisme. En al laat zich de vraag stellen of Groen's geliefkoosd begrip , Hervormde Gezindheid" ook niet te subjectief gekleurd is. Groen is één van de weinigen geweest die de gevaren van het individualisme links én rechts heeft onderkend.

Het blijkt ook daaruit, dat Groen zich nooit bij de afgescheidenen heeft aangesloten, „het pligtbesef van een lid der Gereformeerde Kerk" weerhield hem daarvan. Het ging hem om herstel van de oude nationale Gereformeerde Kerk, opdat het volle evangelie weer in al haar gemeenten gehoord zou worden. Die Kerk waarin men alleen maar pleiten kan voor „het recht der Hervormde Gezindheid" en niet voor „het recht van de Groningse of vrijzinnige gezindheid". Die andere gezindheden hebben wel recht in de staat maar niet in de Hervormde Kerk. Dat was voor hem „de brandende kwestie van het to be or not to be van deze Kerk".

Het recht waarvoor Groen opkwam is geen star, formeel juridisch beginsel. De Kerk moet haar Christus-belijdenis hooghouden „op een onbekrompen, doch tevens ondubbelzinnige wijs". Wij lezen in het bekende adres van de zeven Haagse heren, door Groen opgesteld: „Zij kennen geen Nederlandsche Hervormde Kerk dan die gebouwd is op het fondament der Apostelen en Profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen en die alzo, naar het Woord van God... de volgende onveranderlijke waarheden belijdt: de genoegzaamheid der Heilige Schrift tot éénige kenbron en onfeilbaren toetssteen van het geloof: God één in wezen, nochtans in drie personen onderscheiden; de waarachtige en eeuwige Godheid van den Heilige Geest; des menschen val en onvermogen tot het ware goed; de erfzonde; de eeuwige verkiezing Gods; de voldoening van Christus voor ons; de rechtvaardigmaking alleen door het geloof in Hem; de heiligmaking en de goede werken voortkomende uit de goede wortel des geloofs; de algemeene Christelijke Kerk, die geweest is van het begin der wereld en zal zijn tot den einde toe, verwerpende alle dingen, die zijn tegen het zuivere Woord Gods, houdende Jezus Christus voor het eenige Hoofd; de rechtmatigheid der onderwerping aan de wettige Overheid, door welke het God belieft ons te regeeren; de verwachting van het eeuwig oordeel, waarbij de geloovigen, uit genade, met eere en hartelijkheid zullen worden gekroond".

Het adres eiste o.m. maatregelen te­gen de Groningers, en wijziging van het Kerkbestuur. Geen wonder, dat het veel rumoer veroorzaakte. Ook Da Costa gaf Rekenschap van gevoelens. Het gaat hem om dezelfde zaak, maar hij wil niet strijden om formulieren. „De kracht eener Belijdenis ligt in hare verschheid. Een Belijdenis voor onze tijd moet ook van onze tijd zijn". Hij erkent „het goede recht van den juridischen weg". „Maar gelijk ik van harte toegeef, dat het (ook door mij gaarne dus genoemde) medische standpunt zonder het juridische een schier onmisbare steun in de kerkelijke strijdvoering zoude missen, zoo geloof ik evenzeer, dat het medische naast, ja boven het juridische staat, waar het de hoop geldt op een gewenscht herstel en op een wezenlijke overwinning". Het verschil gaat over de tuchtvraag: „De treurige kwaal... wordt door geen afsnijding of middelen van bedwang overwonnen. Vrije ontwikkeling ter eener, mits vrije en ruime toediening van het eenig redmiddel, dat is Gods Woord, ter andere zijde; ziedaar mijns inziens , de behoeften van het oogenblik in onze Vaderlandsche Kerk", aldus Da Costa.

Op het stuk van de Kerk zou het Réveil uiteengaan en hier kwam de breuk openbaar. De Synode maakte zich van het adres af op haar bekende nietszeggende wijze.

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Het Réveil

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 februari 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken