Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

GENESIS II

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

GENESIS II

7 minuten leestijd

III.

De schepping van de mens nader toegelicht.

God, de Heere, formeerde de mens, stof uit de bodem, en blies in zijn neusgaten een levensadem, waardoor de mens werd tot een levend wezen. (Vertaling van Prof. Aalders).

De Statenvertaling luidt: „En de Heere God had den mens geformeerd uit het stof der aarde en in zijn neusgaten geblazen den adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel". (Zie Genesis 2 : '7). Taalkundig heeft Prof. Aalders gelijk.

Van meer betekenis is 't woord „formeren". Het is waar, dat het hier gebruikte werkwoord ook de werkzaamheid van de pottenbakker aanduidt. Dat is echter niet uitsluitend zo. Vgl. Jes. 43 : 1 : „Maar nu, alzo zegt de Heere, uw Schepper, o Jacob, en uw Formeerder, o Israël" enz. Jes. 44 : 2: , zo zegt de Heere, uw Maker en uw Formeerder". Jes. 45 : 7: ,Ik formeer het licht".

Het is derhalve zeer eenzijdig en gewild om aan het boetseren van een pop van leem te denken.

Daarbij komt, dat het woord, dat in het Hebreeuws staat, niet bepaald klei of aarde betekent. Dat kan wel, maar hier is het toch wel meer algemeen: „het stof der aarde". Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren. Dat woord staat b.v. ook in Deut. 9 : 21, voor het fijngestampte stof van het gouden kalf. Zie ook Genesis 3 : 14, waar de Heere God tot de slang zegt: „en stof zult gij eten, al de dagen uws levens". Dat wil toch niet zeggen : „klei zult gij eten".

De opmerking van Prof. Aalders lijkt ons juist, dat de mens stof is, stof uit de aarde naar zijn lichamelijke gestalte, maar dat zegt nog niet, dat God een kleipop formeerde. Het zegt echter wèl, dat wij stof zijn en aan de aarde verwant.

Van geheel andere orde is het, dat God de adem des levens de mens heeft ingeblazen, waardoor hij werd tot een levende ziel. „Wat adem heeft", is een Schriftuurlijke uitdrukking voor „wat leeft", b.v. Genesis 7 : 22; Deut. 20 : 16; Joz. 10 : 40; Ü : 11 en 14.

God blies de adem des levens in zijn neusgaten, alzo werd de mens tot een levende ziel. Dat is het wonder. Het leven van de mens is een gave Gods. Een kenmerk van het leven is de adem en de ademhaling, maar de ademhaling is het leven niet. Het is een verschijnsel van het leven, maar het leven is een gave Gods.

De mens is een wezen met een lichaam uit de aarde geformeerd, maar zijn leven is een gave Gods, welke hem verheft boven de dieren des velds. Hij is geschapen lichaam en ziel. Hij is stof uit de aardbodem, maar God schiep de mens naar Zijn beeld en gelijkenis. Daarin schuilt iets, dat aan het geestelijke verwant is.

Het lichaam is een wonderlijk organisme, een kunstwerk van de Schepper, dat de mens niet alleen tot een woning is gegeven, maar ook een machtig orgaan tot arbeid en kennis. Zover het is gebouwd uit de natuur, die ons overal omringt, is het onderworpen aan de orde en wetten der stof. Daarin komt het zo bijzonder uit: stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren. Wij ervaren dat dit ook geschiedt, zodra de ziel uit het lichaam is verdwenen, m.a.w. zodra de dood is ingetreden.

Maar als de ziel in het lichaam woont, en het lichaam doet leven, wordt het lichaam boven de natuurlijke gang van zaken verheven. Dat is het wonder, hetwelk nu in Genesis 2 : 7 wordt beschreven: De Heere God blies de adem des levens in zijn neusgaten, alzo werd de mens tot een levende ziel. Maar zodra die levende ziel uit het lichaam verdwijnt, treedt de dood in en wordt het lichaam tot stof en aan de orde der stof onderworpen.

In hoofdstuk 2 van de Heilige Schrift worden we bij deze zaak bepaald als een inleiding op de geschiedenis van de val des mensen in het derde hoofdstuk van het boek Genesis.

De hof van Eden.

De Heere God had een hof gebouwd tegen het Oosten. Veelal wordt die hof .paradijs genoemd, een woord van Per­zische oorsprong, dat met de Griekse vertaling van het Oude Testament, die Septuagint wordt genoemd, bij de Joden in gebruik is gekomen.

In Genesis 2 : 8 staat het Hebreeuwse woord tuin of hof.

Het is goed de aandacht er op te vestigen, dat God zelf die tuin heeft geplant en dat Hij de mens, die Hij geformeerd had, daarin plaatste. De mens is dus niet begonnen als een arme zwerver, een vreemdeling in een onbekende omgeving, die een bijna onmogelijke strijd om het bestaan moest voeren, maar hij werd geleid door de almachtige God, die hem geformeerd had en hem in zijn woning, de hof van Eden, en tot zijn werk inleidde.

Zo nam de Heere God de mens en zette hem in de. hof van Eden om die te houwen en die te bewaren. (Gen. 2 : 15; zie ook vs. 19).

De Heere God gaf hem een goede raad ter bestrijding van een kwaad, dat hem, de mens naar Zijn beeld en gelijkenis, bedreigde, een goede raad en een zichtbaar teken.

Wij lezen in vs. 9 van dit hoofdstuk: En de Heere God had alle geboomte uit het aardrijk doen spruiten, begeerlijk voor het gezicht en goed tot spijze. (vs. 9).

Maar dan worden nog twee bomen genoemd, staande in het midden van de hof: n.l. de boom des levens en de boom der kennis des goeds en des kwaads.

Klaarblijkelijk zien ze er uit als de andere bomen „Goed tot spijze en een lust voor het oog". (Genesis 3:6).

Toch is het niet gewoon met die bomen. Ze dragen een bijzondere titel: Boom der kennis des goeds en des kwaads.

Dat is een merkwaardig geval.

Adam weet nog van geen kwaad, als de Heere God hem rondleidt door de hof en inleidt tot zijn arbeid. (Zie 2 : 19 en 20).

De Heere God bracht al het gedierte, dat Hij geschapen had, tot Adam „om te zien, hoe hij ze noemen zou". Het is dus duidelijk, dat de Heere zich veel met Adam bezig hield.

Wij kunnen dat verstaan, want Adam was alleen, een mens alleen. En dat kwam klaarder voor zijn, geest te staan, toen hij zich met de dieren moest bezig houden en ze zelfs namen moest geven. Dit betekent toch, dat hij het wezen in de naam moest uitdrukken. Wij zouden zeggen, dat hij studie van de dieren moest maken om ze zo te benoemen, dat de Heere God het goed kon vinden. Dat staat er trouwens ook. Zie maar in VS. 19: „Zo bracht Hij die tot Adam, om te zien, hóe hij ze noemen zou; en zo als Adam alle levende ziel noemen zou, dat zou haar naam zijn".

Deze bestudering van de rijke schepping van vogels, vee en gedierte, had Adam een gemis doen ontdekken: voor de mens vond hij geen hulpe als tegenover hem.

De Heere God had dit verwacht en Zijn machtige arm greep in. Toen deed de Heere God een diepe slaap op Adam vallen, en hij sliep; en Hij nam een van zijn ribben en sloot de plaats toe.

En de Heere bouwde de ribbe, die Hij van Adam genomen had, tot een vrouw en Hij bracht haar tot Adam.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

GENESIS II

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken