Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

GENESIS III

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

GENESIS III

6 minuten leestijd

De boom. der kennis des goeds en des kwaads.

II.

Zo nam de Heere God de mens en zette hem in de hof van Eden, om die te bouwen en die te bewaren, (vers 15).

En de Heere God gebood de mens, zeggende: Van alle boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten; maar van de boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven, (vers 16 en 17).

Enige verzen vroeger wordt nog van de boom. des levens gesproken naast de boom der kennis des goeds en des kwaads, (zie vers 9). Deze beide bijzondere bomen stonden in het midden van de hof. (vgl. vers 9). Over de boom des levens wordt aanvankelijk nog niet gesproken, wel over de boom der kennis des goeds en des kwaads.

Op straffe des doods verbiedt de Heere God de pas geschapen mens daarvan te eten. En zo straks als de slang de vrouw bedrieglijk overhaalt om toch van die vrucht te eten voorgevende n.b. dat God liegen zou en daarom hun verbood van deze boom enige vrucht te genieten, omdat Hij volgens die duivelse voorlichting wist, dat de mens als God zou wezen. Dat wilde God niet maar spoedig zou blijken, dat de mens alleen de gedachte reeds welgevallig was, Gode gelijk te zijn. Wij kunnen hiertegen heel wat opmerken, dat de mens had behoren te bewaren voor zulke dwaasheden. We kunnen vragen, hoe is het mogelijk, dat bij de mens zulk een gedachte postvat, daar hij als schepsel, ondanks zijn schepping naar het beeld Gods, toch wel mocht begrepen hebben, dat daardoor het „Gode gelijk zijn" uitgesloten was. En dat wist die duivelse verleider ook wel, dat schepsel van de Schepper onderscheiden is. Dat kan alles zo wezen, maar deze geschiedenis van onze eerste voorouders getuigt er van, dat het bij de mens alzo gesteld is en de geschiedenis der wereld bewijst het, dat de zondige begeerte van Gode gelijk te zijn, van als God te zijn, in het hart van de mens wortel geschoten heeft en telkens weer opbloeit. Men zou kunnen zeggen, dat de geschiedenis van onze eerste voorouders daarin nog altijd voortleeft en het bewijs daarvan onderhoudt. Als God zijn, Gode even gelijk zijn, dat betekent in zijn aanlokkelijke kant voor de mens: zelf uitmaken wat goed en wat kwaad is. Zelf het oordeel over goed en kwaad uitmeten en in handen hebben.

Indien God zich terug trok en de leugenachtigheid van het menselijk streven en oordelen liet geworden, zou het wel spoedig blijken, dat de keus van de mens om van de boom der kennis te eten buiten zijn levensvoorwaarden om is gegeven. Hij zou, als God Zijn bewarende hand terug trok, spoedig ervaren, dat hij zich vergist heeft en dat het hem aan het allerdiepste en voornaamste ontbreekt, omdat hij zich verbeeldt als God, ja Gode gelijk te zijn, terwijl hij wezenlijk schepsel, afhankelijk schepsel is en daarom het schepsel en zichzelf niet kan regeren. Daarom heeft de zonde de mens onbekwaam gemaakt zelfs voor zijn aardse roeping, heerschappij hebben over de aarde, over de vissen, over het gevogelte en over de dieren.

En dat is nog maar het eenvoudigste: heerschappij hebben over de schepselen op aarde. De aardse bezigheid, die God voor de mens heeft weggelegd. En waartoe hij ook zeker vermogens heeft gehad, getuige niet alleen het zo juist aangehaalde gedeelte (Genesis 1 : 28), maar ook Genesis 2 : 15: Zo nam de Heere de mens en zette hem in de hof van Eden, om die te bouwen en te bewaren. Het heeft uit de aard der zaak ook zijn betekenis ten aanzien van de goddelijke bedoeling met de boom der kennis des goeds en des kwaads.

Op grond van Gods woord over de heerschappij van de mens (in Genesis 1 : 28 en Genesis 2 : 19 en 20), kunnen we dus niet aannemen, dat de mens zonder geestelijke en zedelijke toerusting verkeerde, toen hem dat goddelijk bevel gewerd. Men kan ook niet aannemen, dat God de mens naar Zijn beeld schept en dat God hem gebiedt te heersen, te bouwen en te waken over Zijn schepping, terwijl die mens de gaven en bekwaamheden ontbreken om dat te doen en goed te doen.

Daarom is die mens niet zo arm geweest aan geestelijke en zedelijke gaven. Dit laatste is trouwens wel duidelijk uit de laatste verzen van het tweede a|j hoofdstuk van Genesis: Deze is ditmaal been van mijn benen, en vlees van mijn vlees. Men zal haar Manninne heten, omdat zij uit de man genomen is. (Gen. 2:23). Men kan daarom niet onderstellen, dat Adam in het paradijs een gave des levens miste, die hij dagelijks nodig had om als een geestelijk zedelijk wezen te leven. Het gaat b.v. niet aan te onderstellen, dat de boom der kennis des goeds en des kwaads een verborgenheid voorstelde, die de mens in het paradijs niet kon missen om gelukkig te zijn. Maar dat neemt niet weg, dat die boom een bestemming voor de mens bewaarde, een belofte inhield voor een toekomst, die boven de heerlijkheid van het paradijs uitging. Een hoger, geestelijke bestemming van de mens dan de heerlijkheid van het aardse paradijs. In ieder geval schijnt die bestemming ook enig verband te houden met de eeuwigheid, met andere woorden, met dood en leven in de hoogste zin. Want God had toch gezegd, ten dage, als gij van deze boom eet, zult gij de dood sterven.

Die vrucht mocht dus niet gegeten worden, maar zou op andere wijze genoten worden uit de hand Gods. Men zou wellicht mogen zeggen, die vrucht mocht niet wederrechtelijk toegeëigend worden, maar van Godswege toegebracht. Zich die vrucht toe-eigenen, zoals de mens nu gedaan heeft, zou de dood ten gevolge hebben en dat had de Heere van meet af gezegd. Wij onderstellen dus, dat die boom der kennis des goeds en des kwaads een bijzondere betekenis heeft ten aanzien van de eeuwige bestemming van degenen, die de Heere daartoe roepen zou. Dit goddelijk bestek liet God zich niet ongestraft uit de hand nemen. Daartoe slaat Hij alles af, dat de mens zou kunnen aangrijpen. Hij zond hem weg uit het paradijs en waakte over de boom des levens (vs. 22).

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

GENESIS III

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken