Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

GOD GEDACHT AAN NOACH

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

GOD GEDACHT AAN NOACH

6 minuten leestijd

De Heere God gedacht aan Noach. Hij deed een wind over de aarde doorgaan en de wateren werden stil. De fonteinen van de afgrond werden gesloten, de sluizen des hemels werden dicht gedaan en de plasregen van de hemel werd opgehouden. Het staat daar in een beeldspraak om te vertolken, dat de almachtige God de regen deed ophouden. Langzaam daalde het waterpeil. De wateren zakten langzaam en de ark raakte vast op de bergen van de Ararat en kwam tot stilstand. Het was de zeventiende dag van de zevende maand. (Hfdst. 8:4). We hebben niet veel aan deze datering, omdat we de maanden en de jaartelling niet kennen.

De toppen der bergen werden nog niet gezien, toen de ark een rustplaats op de Ararat had gevonden. Die kwamen voor de dag in de tiende maand op de eerste der maand, dus bijna drie maanden, nadat de ark op de Ararat was aangeland. Toen werden de toppen der bergen gezien. Nog veertig dagen wachtte Noach. Hij opende het venster van de ark, maar hij kon blijkbaar niet goed waarnemen hoever het water gezakt was en of het al tijd werd de ark te verlaten en naar beneden te gaan in de laagvlakte.

Hij liet een raaf uit. Deze vogel vloog dikwijls heen en weder, totdat de wateren verdroogd waren. Maar de raaf leeft van aas en dat heeft hij klaarblijkelijk in ruime mate gevonden. Geheel anders met de duif, die Noach daarna uitliet. De duif vond geen rust buiten de ark en kwam terug.

Zeven dagen wachtte Noach. Toen liet hij de duif wederom uit. Tegen de avond kwam zij terug met een olijfblad in haar bek. De wateren waren dus een groot eind gezakt. Noach wachtte nog zeven dagen. Toen liet hij de duif weer uit en zij keerde niet terug in de ark. Zij vond voedsel buiten de ark.

De aarde was opgedroogd.

Op Gods bevel gingen Noach en de zijnen uit de ark en ook al het gedierte. En Noach bouwde de Heere een altaar en hij nam van het reine vee en van al het reine gevogelte, en offerde brandofferen op dat altaar. En de Heere rook die lieflijke reuk en zeide in Zijn hart: Ik zal voortaan de aardbodem niet meer vervloeken om der mensen wil.

Is dan de mens zoveel beter geworden? Wel neen, lees maar verder: „Want het gedichtsel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan; en Ik zal voortaan niet meer al het levende slaan, gelijk als Ik gedaan heb". Het is dus louter goedertierenheid van de Heere, dat Hij niet weer een zondvloed over de aarde brengen zal. De reden kan niet zijn, dat de mens zich bekeerd heeft, want het gedichtsel van 's mensen hart is boos van zijn jeugd aan.

Er is ook geen sprake van een vergissing, alsof God in een onberaden ogenblik de zondvloed heeft bevolen om de mens te verderven. Bij God zijn geen vergissingen.

Bovendien zal deze wereld toch ten onder gaan in het eindoordeel en dat blijft, zodat voor ons, mensen uit het geslacht van Noach, het besluit Gods een bewijs Zijner goedertierenheid is jegens ons. Dat wordt ook in de volgende woorden bevestigd: „Voortaan al de dagen der aarde zullen zaaiing en oogst, en koude en hitte, en zomer en winter, en dag en nacht, niet ophouden". (Genesis 8 : 22).

God zegende Noach: „Zijt vruchtbaar en vervult de aarde En uw vrees en uw verschrikking zij over al het gedierte der aarde, en over al het gevogelte des hemels; in al wat zich op de aardbodem roert, en in alle vissen der zee. Zij zijn in uw hand overgegeven". (Gen. 9:1 en 2). Dat lezen we niet ten opzichte van de eerste mens. Daartoe zou toch wel aanleiding geweest zijn, als alle verhoudingen gelijk hadden gestaan tussen het gevallen geslacht van Adam tot Noach en het geslacht van Noach.

Noach was uit Adam, maar we moeten aannemen, dat het geslacht van Noach toch niet in alle dingen gelijk is geweest aan het oude geslacht, dat in de zondvloed is omgekomen. De Schrift wijst daar ook op, naar wij onderstellen, in de bijzondere bescherming van de mens, die ligt in de woorden van Genesis 9:2: „Uw vrees en uw verschrikking zij over het gedierte der aarde". Genesis 1 : 28 zegt eenvoudig: „onderwerpt haar, nl. de aarde, en hebt heerschappij". We lezen niets van gevaar en moeite met de dierenwereld. De eerste mens was groot van gestalte en een planteneter (Genesis 1 : 29) en volgens Genesis 1 : 30 waren ook de dieren herbivoor. Denk maar eens aan de olifant, de giraf, de kameel, het rund. Die dieren zijn planteneters, groot van stuk, maar geen roofdieren.

Genesis 1 : 30 weet alleen van herbivoren. Van vleeseters en roofdieren wordt niet gesproken. Ook het negende hoofdstuk gewaagt van roofdieren niet, maar zoals we zagen, spreekt het van vrees en verschrikking over al het gedierte. (Hfdst. 9:2). 't Schijnt dus dat de na-zondvloedse mens anders tegenover de dierenwereld staat als de voor-zondvloedse mens. In dit verband is het zeer tekenend, dat de na-zondvloedse mens een vleeseter is geworden. „Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot spijze. Ik heb het u gegeven, gelijk het groene kruid". (Genesis 9:3). De na-zondvloedse mens is dus van een planteneter ook een vleeseter geworden, van een herbivoor een omnivoor. Daar zit een geschiedenis aan vast. Zie hfdst. 9 : 4: „Doch het vlees met zijn ziel, d.i. met zijn bloed, zult gij niet eten. Voorwaar, Ik zal uw bloed, het bloed uwer zielen, eisen van de hand van alle gedierte zal Ik het eisen". Met grote nadruk zegt de Heere, dat Hij het van het gedierte eisen zal.Dan vervolgt Hij: „Ook van de hand des mensen, van de hand eens iegelijken zijns broeders zal Ik de ziel des mensen eisen. Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden, want God heeft de mens naar Zijn beeld gemaakt".

De samenleving is dus na de zondvloed veranderd en een hoofdzaak, waardoor die verandering plaats heeft gevonden, is zeker gelegen in dat gebod des Heeren, dat Hij de mens ook het vlees toestond, maar onder de bepaling, dat hij het vlees met zijn bloed niet zou eten. Daaraan werd de doodstraf van de moordenaar van een mens verbonden, omdat God hem naar Zijn beeld heeft geschapen.

Dan sluit de Heere God een verbond met de mens en zijn zaad (vs. 9) en met al het gedierte dat uit de ark gegaan was: „dat niet meer alle vlees door de wateren des vloeds zal worden uitgeroeid, en dat er geen vloed meer zal zijn om de aarde te verderven", (vs. 11). Het teken des verbonds, dat God daaraan toevoegde, is de regenboog. Als deze boog in de wolken zal zijn, zal God hem aanzien om te gedenken aan het eeuwig verbond tussen God en alle levende ziel.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

GOD GEDACHT AAN NOACH

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 oktober 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken