Bekijk het origineel

Een wijs hart

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Een wijs hart

12 minuten leestijd

Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen. — Psalm 90 : 12

VOOR DE OUDEJAARSAVOND

Moge het nu uw zielsverlangen zijn, de laatste dag van dit jaar te besluiten met het Woord. Want het gras verdort, de bloem valt af, maar het Woord des Heeren staat in eeuwigheid. En dan grijpen wij onwillekeurig naar die geweldige 90e Psalm, de oudjaarspsalm bij uitnemendheid. Daar wordt het mensenleven, ook ons leven, gesteld in het licht der eeuwigheid.

Alle mensen hebben op Oudjaarsavond behoefte, een ogenblik stil te zijn. Zelfs die God niet vreest, ondervindt een zekere ernst, wanneer de twaalf slagen van de toren vallen, en men wordt, zij 't slechts een moment, bepaald bij de nietigheid van het bestaan.

En ook Mozes, de man Gods, door de Heilige Geest gedreven, vergelijkt in dit lied het mensenleven met een waterval, die schielijk neerstort van het bergmassief... En als het gras, dat in de dageraad snel ontsproten, in één dag verdort onder de schroeiende zon ... ' Ja, als een nachtwaak bij een leger-opmars, waarbij de schildwachten worden afgelost en weer uitgezet... Met een slaap, — wij slapen in en worden weer wakker en staren met schrik naar de schemering, die het eind van de dag aankondigt... Maar achter het raadsel van ons vergankelijk leven verrijst voor het volk, dat oren heeft om te horen, het majestueuze Schriftwoord: „Want wij vergaan door Uw toorn en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt". Zo belijdt Mozes het voor de levende God met allen, die de Naam des Heeren vrezen. Want achter het doodsprobleem ligt het probleem van de zonde. Wij moeten altijd bij het begin beginnen. In de eerste drie hoofdstukken van Genesis ligt de sleutel van het wereldraadsel. Waarvan ook Jesaja getuigt: „Wij allen vallen af als een blad en onze misdaden voeren ons henen als de wind". En Paulus: „De bezoldiging der zonde is de dood".

En dan komt het tot die tere bede: „Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen". Wat wil dat zeggen? De kanttekenaars van onze Statenvertaling zeggen het voor de zoveelste maal weer zeldzaam goed, als zij zeggen: „Dat wij onze dagen recht mogen tellen, opdat wij, recht verstaande Uw gramschap tegen de zonde, - U leren vrezen, en de korte tijd van ons leven besteden in Uw dienst". En uitnemend is de berijming in onze veelgesmade psalmbundel: „Leer ons de tijd des levens kost’lijk achten".

In ieder geval: De dichter smeekt om goddelijk onderwijs. Hij vraagt: Léér ons onze dagen tellen en wel alzo, dat wij een wijs hart bekomen. Hij vraagt dit voor zichzelf, maar ook voor zijn volk Israël. Hij vraagt het voor de ganse gemeente Gods van alle tijden. En het zou groot zijn, wanneer wij allen eens persoonlijk met deze bede mochten werkzaam worden. Vanwege ons gemis. Vanwege onze dwaasheid, waaraan wij ontdekt mochten zijn. Daarom wendt deze man Gods zich met deze bede tot de troon Gods, of de Heere hem dat leren wil in de school des gebeds. Hij mag het zo van harte eens zijn met de bede van psalm 119:

Doe bij Uw knecht weldadigheid, o Heer', Opdat ik leev' Uw woorden moog' bewaren  En dat Uw Geest mij ware wijsheid leer'...

De psalmist spreekt van „dagen" tellen. Ons leven is een aaneenschakeling van dagen. Wij zijn mensen van dagen, „dagjesmensen". De Schrift herinnert ons daaraan op overvloedige wijze. Ps. 103 zegt het ook: „De dagen des mensen zijn als het gras". En Psalm 102: „Mijne dagen zijn als een afgaande schaduw. Mijn God, neem mij niet weg in het midden mijner dagen". Overal dezelfde woorden. En nu spreekt Mozes van een „tellen" der dagen. Hij vraagt, 'dat de Heere hem dit leren mocht. Tellen wij onze dagen dan niet? Van nature niet. Wij zijn als de rijke dwaas uit de gelijkenis; en wat zei hij? „Ziel, gij hebt vele goederen, u opgelegd voor vele jaren; neem rust, eet, drink, wees vrolijk!" Daar hebt u de mens ten voeten uit getekend: „Niet piekeren, maar het leven genieten; schep vreugde in 't leven en pluk de dag". Dan wist de dichter van Psalm 39 het beter: „Mijne dagen" — zegt hij, „zijn bij U geteld". Want al willen wij onze dagen niet tellen, de Heere God heeft ze wel geteld.

Mozes spoort ons door de Heilige Geest aan, onze dagen te tellen en daar wij kortzichtig zijn in het meten van ons leven, er om te vragen. En waarom? Omdat ze beperkt zijn. Wat onbeperkt is, „telt" men niet. Nauwelijks telt iemand de vruchten van een volbeladen boom. Er is geen beginnen aan. Men merkt niet, of een kwajongen er een paar weggehaald heeft. Een beperkt aantal heeft waarde. Wij tellen wat kostbaar is, wat waarde heeft. Tellen is een ander woord voor „waarderen". Wat niet van waarde is, „telt" niet mede. Op „getelde schapen" moet men zuinig zijn. De Bijbel spreekt van „de tijd uitkopen".

Alleen zelfkennis kan ons tot Mozes' bede de toevlucht doen nemen. Want van nature leven wij voor het vaderland weg en wij zijn ons de maat onzer dagen niet bewust. Wij menen altijd de tijd te hebben. Een jaar lijkt zoveel, 365 dagen! Gods Woord zegt, dat ons leven kort is. Wij vliegen daarheen, gelijk een snel voorbij scherende zwaluw. En ook het sterkste geheugen faalt. Laat ons trachten, de dagen van het afgelopen jaar te overzien. Slechts enkele ervan komen ons voor de geest. Wat was hun inhoud? Herinner u hun weldaden, kastijdingen, vreugde en schrik. Dan gedenken wij Gods lankmoedigheid en goedertierenheid over ons. Dan gedenken wij, als 't goed is, onze zonden. Hoeveel dagen waren voor God? Hoeveel verknoeiden wij in traagheid of boosheid! Al die dagen trekken ons als rechters voorbij. Wat hebben wij het verzondigd! En alle gunstbewijzen verbeurd! En wilden wij nog maar gewaarschuwd worden! Toen koningin Elisabeth I van Engeland door haar hofbisschop gewaarschuwd werd voor de eeuwigheid, werd hij door deze aardse majesteit toornig weggejaagd en viel hij in ongenade. En toch: Alle heerlijkheid der mensen is ijdelheid en God alleen is groot! Zo gaat dat in de wereld. Wij doen, of het eeuwig duren zal, of wij meesters zijn over onze tijd. Wie daaraan ontdekt werd, roept uit: „Hoe kleeft mijn ziel aan 't stof" ... Dan komt het tot vernedering voor de majesteit Gods. Dan gaan wij onze dagen tellen en wij leren ze zien als een beslissende voorbereiding voor de eeuwigheid. Want zoals de boom valt, zo blijft hij liggen. En wie ons dit voorhoudt, achten wij dan geen spelbreker, maar een vriend. Daarom is dit gebed zo nodig. Want onze verloren dagen schreeuwen tot God! Wij gaan van nature met onze dagen om, of wij geen raad weten met de tijd. Zoeken tijdpassering en tijdverdrijf. Besteden de tijd in dienst van de wereld, de zonde en de duivel, maar niet in dienst van God en de naaste. Daarvoor moeten wij in de schuld vallen. De Heere zegt: „Wat hebt gij met dit jaar gedaan?” Wat baat het u, zo gij de gehele wereld gewint en lijdt schade aan uw ziel?" Dat is de centrale vraag voor u en mij. Want de mens is op weg naar zijn eeuwig huis. En wat zal dit voor een huis zijn? Het Vaderhuis of het huis, waar wening is en knersing der tanden? Een „derde weg" bestaat niet. Maar zo lang wij onze dagen nog mogen tellen, is het nog de welaangename tijd, de dag der zaligheid. Er is nog doen aan. God biedt aan zondaren genade aan. De Heere zweert nog van de hemel: „Zo waarachtig Ik leef. Ik heb geen lust in de dood des goddelozen". (Ezech. 33 : 11). Nog is daar een weg ter ontkoming aan het vernietigend oordeel der gerechtigheid, in die aanbiddelijke Borg Christus Jezus.

Daarom zegt Mozes: „Leer ons alzo onze dagen tellen"! Alzo! Daar is een „tellen" van de dagen, als de mens, ten diepste gedreven door angst, zich stort in vergetelheid en verstrooiing of hoogstens komt tot een fatalistische berusting. Maar het „tellen" onzer dagen, waarbij God de Heilige Geest onze Leermeester is, wordt bekroond door waarachtige bekering. Als de Heere zulk een gebed verhoort, ontvangt men een „wijs hart". Daar is het Mozes ook om te doen, om een „wijs hart", een hart, door de Heilige Geest onderwezen in een goddelijke wijsheid, die het oog opent voor de achtergrond der dingen. Zonder die wijsheid gaat de mens onder in pessimisme en vertwijfeling, daar ook het beste hier beneden „moeite en verdriet" is en God ten gerichte komt over ons leven in vlammende gerechtigheid. Maar gelukkig de mens, die wijs mocht worden in de school der genade en belijden mag: „Heere, Gij 'zijt ons geweest een Toevlucht van geslacht tot geslacht". Waar alle hoop in onszelf ons ontvalt, te mogen vallen in de genadige handen Gods!

Wat hebben wij sinds onze diepe val in Adam van nature een dwaas hart! Dwaas is in de Bijbel synoniem met goddeloos. Dit is onze dwaasheid, onze zonde, ons „neen" tegen God, dat wij leven buiten Hem en zonder Hem.

Wijsheid is een groot woord. Zij is meer dan verstandelijke kennis alleen. In wijsheid ligt ernst besloten. In verstandelijke kennis kan dwaling zijn. Maar wijsheid is meer. De apostel Paulus maakt onderscheid tussen de wijsheid dezer wereld, die dwaasheid bij God is, en de wijsheid uit God, die vrucht van genade is. De wijsheid uit God geeft- ons een andere kijk op het leven. Allereerst op onszelf. Een „wijs" hart laat zich niets meer wijs „maken". Het is een vernieuwd, een wedergeboren hart, een hart, dat gebroken heeft met de wijsheid dezer wereld en daaraan gekruisigd is. Een wijs hart is een gelovig hart, d.w.z. een hart, dat heeft leren luisteren naar het Woord Gods en zich niet langer vergaapt aan de schijn der dingen. Het is door de Geest verlicht en heeft leren verstaan het Woord der Schrift: „De wereld gaat voorbij en haar begeerlijkheid, maar die de wil Gods doet, blijft in der eeuwigheid". (1 Joh. 2 : 17). Des mensen hart, dat is hijzelf geheel, want vanuit het hart zijn de uitgangen des levens. Een wijs hart is een om wijsheid biddend hart, dat niet wijs is bij zichzelf. Zulk een hart ziet de valsheid der zonde, die 't mooiste voorspiegelt en rampzalig maakt. Zulk een hart heeft het bloed des Lams en de wederbarende genade des Heiligen Geestes nodig gekregen, want het heeft een diepe indruk ontvangen van zijn monsterachtig verderf. Wijs wordt men bij God niet eerder dan wanneer men aan zijn dwaasheid ontdekt werd.

Maar hoe? Kan een dwaze wijs worden? Het kan door een wonder van almachtige genade in de weg van wedergeboorte, bekering en geloof in de Heere Jezus Christus. In die weg behaagt het Gode, zondaren over te zetten van de duisternis in het licht. Dan zegt de ziel: „Eén dag in Uwe voorhoven is beter dan duizend elders". Zulk een hart is met God verzoend. Het is met Christus verenigd geworden door een waar geloof. En zulk een hart is niet slechts naar God bedroefd, maar ook dankbaar gemaakt. Het zegt: „Loof den Heere, mijne ziel en vergeet gene van Zijn weldaden". Tegenover 's Heeren weldaden in 1965 staan onze misdaden. Wij hebben het er allen slecht afgebracht. Wij hebben altijd weer opnieuw genade nodig om te doen zien op Hem, die als het Lam plaatsbekledend de zonde Zijns volks gedragen heeft.

Hoe is het? Werd het afgelopen jaar uw hart verlegen om deze goddelijke wijsheid? Zocht u het bij de Heere? Kunt u zeggen: „Gij zijt mijn Toevlucht, mijn Deel in 't land der levenden"? Wat hebben wij van 1965 terechtgebracht?

Wij mochten eens' beschaamd worden^ bij Gods goedertierenheden. Nog spaarde Hij ons. En wijs is de mens geworden, die op de knieën is gekomen en leerde bidden: „Geef mij verstand, met godd'lijk licht bestraald. Neig mijn hart tot de vreze van Uw Naam".

Nooit zonder het Woord, nooit zonder de Schriften, die ons onderzoekende wijs kunnen maken tot zaligheid. Hebt u dat Woord biddend onderzocht in het afgelopen jaar? Veel inzinking van geestelijk leven is te wijten aan povere omgang met de bijbel. O, als wij zien op ons gebrek, op onze zwakheid, op onze traagheid, beginnen Gods barmhartigheden «voor ons meer te schitteren, ontelbaar als de sterren aan het firmament. *

Waarmee besluiten wij dan dit jaar? Mochten wij het besluiten met het hartroerende gebed van Mozes: „Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen"? Ik acht het onweersprekelijk, dat wij dit met onze ziel en met ons hart pas kunnen bidden met het oog op een gekruisigde Christus. Ach, wat waren wij dwaas en wat deden wij telkens weer dwaas! Maar daar is vergeving voor allen, die zich vanwege hun dwaasheid aanklagen en daar is een belofte ook voor hen: „Ik zal u een nieuw hart geven". Daarop maar gepleit!

Zo roept de stemme Gods bij de laatste klokkeklanken van dit wegstervend jaar ons dringend tot bekering. Moge waarachtige zelfkennis ons tot Christus drijven, opdat wij in Hem gevonden worden, die ons geworden is „wijsheid" van God, rechtvaardigmaking, heiligmaking en volkomen verlossing.

Dat is zaak van genade. Die wensen wij toe aan allen, die dit lezen, bij de wisseling van dit jaar onzes Heeren 1965.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Een wijs hart

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken