Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Daarin is geen man en vrouw

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Daarin is geen man en vrouw

9 minuten leestijd

Galaten 3 : 28

Gal. 3 : 28 is een zeer bekende tekst. Hij wordt vaak geciteerd in de discussie over de positie van de vrouw in de christelijke gemeente. Overigens ten onrechte. Laat ik voor het gemak van de lezers eerst de bedoelde uitspraak in haar verband overschrijven: Want zovelen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan. Daarin is noch Jood noch Griek, daarin is noch dienstbare noch vrije, daarin is geen man en vrouw, want gij zijt allen één in Christus". Zo leest de Statenvertaling. In de Nieuwe Vertaling luiden de zinnen: Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: Gij allen zijt immers één in Christus Jezus". Een vluchtige vergelijking toont, dat er geen principieel verschil bestaat tussen beide vertalingen van de tekst. Zegt deze Bijbelplaats echter iets over de vraag of de vrouw in de christelijke gemeente al dan niet een ambt kan bekleden?

Man en vrouw in Christus.

Paulus spreekt in Gal. 3 : 28 over de verhouding van de gemeenteleden tot God, niet over de plaats van de vrouw in de christelijke gemeente. In Christus zijn de genoemde groepen één, hoewel niet gelijk. „Zij zijn niet allen gelijk, maar zij zijn allen gelijkwaardig”. Het ethnologische (= volkenkundige) onderscheid tussen Jood en Griek is niet weg te nemen. Wat de verhouding van de apostel tot de slavernij, betreft, is zijn opmerking bekend over de plaats in de maatschappij, waarop iemand tot geloof gekomen is: hij behoeft zich daarover niet te bekommeren, doch het is hem ook geoorloofd (en misschien is het zelfs aanbevelenswaardig) te trachten vrij te worden. Het verschil tussen slaaf en vrije blijft bestaan; het is echter slechts van betekenis in het maatschappelijk leven. In de gemeente geldt de regel: wat de verhouding tot Christus betreft zijn alle gelovigen één; zij genieten gelijkelijk de gemeenschap met God, ongeacht of ze tevoren heidenen waren of Joden, of ze man of vrouw zijn, slaaf of vrije.

Geen regel voor maatschappelijk en kerkelijk leven.

Bij de beschouwing van de tekst schenkt men heden ten dage weinig aandacht aan deze geestelijke éénheid der gelovigen. Men zoekt tengevolge van materialistisch-vergroeide geloofsvoorstellingen soms een louter uiterlijke éénheid en gelijkheid. Hetzelfde verschijnsel belaagt het oecumenisch streven. De scheidende secretaris van de Wereldraad van Kerken, Dr. Visscher 't Hooft, kan als onverdacht getuige worden opgeroepen. Hij heeft een zoeken van uitsluitend organisatorische éénheid gesignaleerd en die beneden de maat van de kerk genoemd. Organisatorische, dus hoofdzakelijk uitwendige, éénheid fascineert de mensen van de twintigste eeuw door het zichtbare meer dan de geestelijke, dus verborgen éénheid. Deze mentaliteit leidt ook tot een scheve voorstelling van de door Paulus in Gal. 3 behandelde materie. Bij het zendingswerk in een primitieve maatschappij, waar lijfeigenschap nog voorkomt, is de kerk heden eerder geneigd de lijfelijke slavernij met enthousiasme te bekampen dan de geestelijke slavendienst waaronder de mens gebukt gaat, nl. die onder de macht van de zonde! De kerk is heden eerder geneigd zich in de rassenstrijd te mengen dan aan mensen van welk ras ook als verloren zondaren de vergeving der ongerechtigheden in Christus te prediken. Zo is de kerk heden ook eerder geneigd de emancipatie van de vrouw ter hand te nemen dan haar tot de enige ware vrijheid te roepen nl. die welke door het rechtvaardigend geloof wordt verkregen. De apostelen bewandelen een andere weg. Zij verzetten zich niet tegen het systeem van de slavernij, hoewel zij de grondslag ervan aantastten door de verkondiging van het Evangelie. Gods gezanten moeten niet optreden als sociale hervormers, doch als predikers van het evangelie, dat leert hoe schuldige overtreders behouden kunnen worden door de verzoening die Christus tot stand heeft gebracht. „Tot recht verstand van dit vers moeten wij niet uit het oog verliezen, dat de apostel hier niet handelt over hetgeen in het maatschappelijk leven geldt, of gelden moet, voor welk gebied hij juist de eerbiediging van onderscheiden verschillen eist; en dat hij evenmin spreekt over kerkelijke diensten, voor welke hij ook de betekenis van het geslachtsverschil, naar scheppingsordinantie, handhaaft en erkend wil hebben" 4).

Minachting van de vrouw.

Wie onvoldoende oog heeft voor de grote betekenis van geestelijk leven en van de mystieke unie met Christus, is licht geneigd Gal. 3 : 28 op kerkelijke toestanden toe te passen. Doch welk een voorrecht van de vrouw ten aanzien van de godsdienst wordt hier door de apostel vermeld! In de synagoge zat de vrouw achteraan, achter de mannen. Zij was immers het verleidende element! Rabbi Meir (omstreeks 130—160 na Chr.) beval aan de man dagelijks drie dankzeggingen uit te spreken, omdat God hem niet als heiden, als vrouw of als dwaas had doen geboren worden. De ideeën die aan een dergelijk gebed ten grondslag liggen, zullen wel ouder zijn dan de tijd van Rabbi Meïr. Behalve uit het Jodendom konden de Galatiërs ook geringschattende gedachten over de vrouw hebben opgevangen uit de heidense wereld. Weliswaar gold voor het romeinse recht de vrouw in het huwelijk als gelijkberechtigd met de man. Doch de uitspraak van de griekse wijsgeer Thales zal ook wel bekend zijn geweest. Hij was het noodlot dankbaar omdat hij ten eerste als mens en niet als dier, ten tweede als man en niet als vrouw, ten derde als Griek en niet als barbaar geboren was. Tegenover dergelijke denigrerende (= minachtende) opvattingen over de vrouw leert de apostel, dat er „in Christus" geen sprake is van mannelijk en vrouwelijk. Zowel de man als de vrouw zijn als mensen geschapen; beiden zijn zij door de zonde verdorven, voor beiden gaf Christus zijn leven.

Verband tussen godsdienstige en kerkelijke gelijkheid.

Iedere nauwkeurige exegeet stemt toe, dat Gal. 3 : 28 de geestelijke gelijkwaardigheid van man en vrouw bespreekt, niet de kerkrechtelijke positie van de vrouw. Nu kan men de vraag stellen: leidt deze christelijke visie op de vrouw er toe, dat de kerkelijke ambten kunnen (of moeten) worden opengesteld voor haar die „in Christus" aan de man gelijkwaardig is? Als de gevolgen van de zonde door de verzoening van Christus zo voor de vrouw zijn weggenomen, dat er gezegd kan worden „van mannelijk en vrouwelijk is er in Christus geen sprake meer", doet men de vrouw dan geen onrecht door het kerkelijk ambt voor haar gesloten te houden?

Om te weten welke consequenties men uit de tekst kan trekken, moet men zich niet afvragen: „In hoeverre is door Christus de vloek over de vrouw opgeheven?", maar: „In hoeverre is door Christus de vloek over de vrouw en de man opgeheven?" De heerschappij van de man over de vrouw (als gevolg van de zonde) is door Christus in principe weggenomen, maar de Heiland heeft niet de scheppingsorde gewijzigd. Men mag niet met een beroep op Christus het verschil tussen de positie van de man en die van de vrouw in de gemeente uitwissen. Dit is een negeren van een in de schepping gegeven onderscheid in aard, aanleg en taak. Het is ook een vooruitgrijpen op de ordeningen van de toekomstige eeuw, waarin men niet trouwt of ten huwelijk geeft.

Grieken, slaven, vrouwen.

Dikwijls is erop gewezen, dat in Gal. 3 : 28 ook de verschillen tussen Joden en Grieken, tussen slaven en vrijen worden genoemd. Niemand denkt er nu immers meer aan onderscheid te maken tussen christenen op grond van hun nationaliteit. De slavernij bestaat niet meer, omdat men (eindelijk) is gaan beseffen, dat de mensen niet mogen worden ingedeeld in vrijen en slaven. Op hetzelfde vlak als de afschaffing van de slavernij ligt de vrouwenemancipatie, zo zegt men. Ook de vrouw is bevrijd uit haar ondergeschiktheid. Derhalve mag er in de christelijke gemeente (evenmin als in de maatschappij in het algemeen) geen verschil in rang tussen man en vrouw meer voorkomen. Ons antwoord is, dat terwijl het verschil tussen man en vrouw berust op Gods schepping, dit met het verschil tussen Jood en Griek, slaaf en vrije niet het geval is. Daarom draagt het verschil tussen de laatstgenoemde groepen geen blijvend karakter. In de christelijke gemeente vervalt echter niet de ongelijkheid ten aanzien van de bevoegdheid van man en vrouw. Deze gaat terug op de scheppingsorde, welke van kracht blijft tot aan het einde van de tijden. Aan dit aspect van het vraagstuk is door de voorstanders van de openstelling van de ambten voor de vrouw nog veel te weinig aandacht geschonken 9).

Rotterdam, H. Goedhart.

  ¹) Zo reeds G. Delling, Paulus Stellung zur Frau und Ehe, S. 120.

²) Prof. Dr. A. M. Brouwer, Nieuwe Testament met aantekeningen, op Gal. 3 : 28.

³) 1 Cor. 7 : 21 vv. Een vrij moeilijke tekst, die echter wel zal betekenen, dat het de moeite waard is zich de vrijheid te verwerven, zoals de Nieuwe Vertaling ook meent.

4) S. Greydanus, Korte Verklaring, Galaten, blz. 109.

5) Vermeld door Th. Zahn in zijn commentaar op de Galatenbrief, S. 187.

6) Zie G. Delling, a.w. S. 24f., vermeld door A. Oepke in het Theol. Wörterbuch zum Neuen Testament I, S. 780.

7) Cf. C. G Blum, Novimi Testamentum VII (1964), p. 142—161 „Das Amt der Frau im Neuen Testament"; in de Waarheidsvriend (53ste jaargang, 1965, blz. 181 v.) werd de inhoud van dit artikel populair weergegeven.

8) Zo Dr. H. Schroten in de brochure, „De Vrouw en het Ambt, blz. 10. „God heeft geen vrijen en slaven, geen Joden en Grieken geschapen, maar wel de mens als man en vrouw".

9) In de (griekse) tekst van Gal. 3 : 28 is er verschil (ook door de vertalingen weergegeven) in de aanduiding van de tegenstelling tussen de genoemde paren: noch Jood noch Griek, noch dienstbare noch vrije — geen man e n vrouw. Hierop wijst o.a. ook Greydanus in de Korte Verklaring op Galaten, blz. 108.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Daarin is geen man en vrouw

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1966

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken