Bekijk het origineel

De Dordtse Leerregels

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Dordtse Leerregels

14 minuten leestijd

Gelijk het nu God beliefd heeft, dit Zijn werk der genade door de prediking des Evangelies in ons te beginnen, alzo bewaart, achtervolgt en volbrengt Hij het door het horen, lezen en overleggen daarvan, mitsgaders door vermaningen, bedreigingen, beloften en het gebruik der Sacramenten.

Hoofdstuk V, Artikel 14.

Gods werk der genade in ons.

Dit is één van de onderwerpen der Leerregels, hoewel niet het enige. Hoofdstuk I handelt in hoofdzaak over het werk der genade in de eeuwigheid of in de hemel. Hoofdstuk H geeft ons onderricht over het werk der genade op Golgotha. Maar dan wordt er verder gesproken over het werk der genade in ons. In confessionele kringen en daar niet alleen — kan men nog al eens twijfel aan de noodzakelijkheid van dit werk uitgesproken vinden. Wanneer er van de kant der reformatie en nadere reformatie op aangedrongen wordt, dat er wat met de mens gebeuren moet en dat de genade niet ons deel wordt, door het voor waar houden van het evangelieverhaal of de evangelieprediking zonder meer, plegen velen op te merken: daar hoeft niets meer te gebeuren, alles is gebeurd. Men brengt er dan zelfs een van de kruiswoorden bij te pas. Het komt mij voor dat men hier een echt voorbeeld van klankenexegese heeft. Men hoort het woord volbracht en nu is niet alleen het werk van Jezus aan het kruis volbracht en nu is niet alleen deze beker tot op de laatste druppel leeggedronken, maar nu hoeft er niets meer te gebeuren voor de toepassing ook. Men behoeft alleen maar aan te nemen, dat alles gebeurd is. Als men deze klankenexegese toepast stopt men in dat ene woordje m.i. te veel. Zo denkt er ook ons artikel over, dat spreekt over een werk der genade, dat God begint en voleindigt na Golgotha.

Inderdaad is ieder gelovige een mens, waarin de genade een geschiedenis heeft gekregen. Israël leefde van de grote daden Gods: de roeping van Abraham, de uittocht uit Egypte, het wonder van de woestijnreis, de wetgeving op de Sinaï, de intocht in Kanaan. Voor sommige van deze grote daden had Israël grote feesten, opdat zij des Heeren werken niet zouden vergeten. Zo heeft ook ieder lid van het volk Gods, van het geestelijk Israël, van Gods daden, waaronder ook Gods werk in hen. Paulus heeft er meer dan eens van verteld en zegt dan: deze dingen zijn in geen hoek geschied. Niet iedere gelovige heeft zon opzienbarende omkering als de apostel, maar wel heeft ieder er weet van, dat er iets gebeurd is. Een gelovige is een geroepene. God is hem te sterk geworderi. Hij is innerlijk getrokken. Dat gaat aan Gods kind niet onopgemerkt voorbij. Jezus sprak: „Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader hem trekke". Hieruit volgt, dat ieder een getrokkene is. Maar dat kan Gods kind niet vergeten, dat er krachten in hem begonnen te werken en doorwerkten, waardoor hij van vele ijdele dingen werd weggetrokken en naar de Zaligmaker toegetrokken. Dat maakt heel je leven anders. Wereld en kerk, onbekeerde en bekeerde mensen, dat zijn twee heel verschillende zaken of personen.

Het is de grote vernedering en verbrijzeling en het is de "plaats van Christus in ons leven, die alles anders maakt. Van deze twee punten verstaat de onbekeerde „gelovige" het rechte niet. De genade heeft dus een geschiedenis in ons leven. Ik noemde de verbrijzeling. Elk gelovige weet zich te herinneren, hoe de wet hem gedood heeft. Paulus wist te vertellen, dat de wet bij hem ingekomen is. Ik voor mij ben geneigd te denken, dat elke ware gelovige daar kennis aan heeft, maar waarom zouden we al te strakke bepalingen omtrent de preciese herinneringen der werken Gods - stellen. Een mens kan vergeten. Laat ik dan zeggen, dat er velen zijn, die zich herinneren hoe de wet ingekomen is: plaats en tijd. Want de wet moet ons eerst gegeven worden. Het evangelie kan niets doen, als de wet niet vooropgegaan is. De wet is de ploeg. Het evangelie is het zaad. De ploeg komt eerst. Hij scheurt het hart open, maakt de grond zaaiklaar. Waar de ploeg niet vooropgaat, pikken de vogelen des hemels het zaad weg. Het evangelie onderstelt altijd de wet en heeft haar ook bij de bediening nodig.

De evangelieprediking komt in de vorm van een roepen tot bekering en geloof en dat in de genoemde volgorde, zoals Markus 1 : 15 het stelt: De tijd is vervuld, en het Koninkrijk Gods nabij gekomen: ekeert u en gelooft het Evangelie". Dezelfde volgorde vinden we in Handelingen 20: betuigende beiden joden en grieken de bekering tot God en het geloof in onze Heere Jezus Christus".

Strikt genomen heeft het evangelie geen eisen of voorwaarden, maar alleen beloften en gaven: geloof en bekering zijn evengoed als rechtvaardigmaking en alles weldaden des genadeverbonds, maar in de praktijk der prediking komt het in de vorm van een eis. Die eisende vorm is aan de wet ontleend. De vader uit de gelijkenis van de verloren zoon schonk genade aan de teruggekeerde jongen, maar eerst de terugkeer. De eisende roepende vorm, waarin het evangelie optreedt is aan de wet ontleend; elk mens is niet eerst door het evangelie, maar is van nature door de wet verplicht God op Zijn woord te geloven en dus ook het evangelie, waarin Hij tot de mens spreekt, aan te nemen. Leid hier nu echter niet uit af, dat gij of een ander ook kunt geloven of u kunt bekeren. Evenmin als u de Tien Geboden of één daar\'an kunt houden, evenmin kunt u enig geloof in Christus voortbrengen. Zowel bekering als geloof zijn gaven van het evangelie. Wij komen niet tot Christus uit of door onze bekering, doch omdat de Vader de uitverkorenen trekt. Wat voor zin heeft dan de eisende, roepende vorm, waarin het evangelie tot ons komt? Ik schreef al: die vorm is aan de wet ontleend. Van de wet nu is bekend, dat de zaligheid niet uit de werken is en dat wij de wet Gods niet kunnen houden. Het vlees onderwerpt zich aan de wet niet en het kan ook niet. Zo kan de mens ook niet geloven. Maar waarom dan de eis? Om de mens te overtuigen van zijn niet kunnen, opdat hij ook hierin het werk Gods zou zoeken. Het geloof is immers een gave Gods?

Van groot belang is dus, dat men het evangelie niet los maakt van de wet en dat men de goede volgorde in acht neemt. „Het evangelie onderstelt altijd de wet en heeft haar ook bij de bediening nodig". Dit is eén uitspraak van dr. H. Bavinck. De prediking van de wet is ten hoogste noodzakelijk. Hij die wil maaien moet noodwendig zaaien. Hij die wel enten moet eerst de ent afsnijden. Hij die wil zaaien moet eerst ploegen. Zondaren hebben veel uitvluchten om zich van Christus af te houden, vele dingen waardoor zij zich vasthouden aan de natuurlijke stam. Daarom moeten zij zeer van nabij opgejaagd worden uit hun schuilhoeken en uit hun bedriegelijke vluchtplaatsen.

Nochtans, het is 't evangelie, dat het werk kroont. De wet legt de wonden open, het evangelie geneest. De wet kleedt de mens uit, het evangelie kleedt hem aan. De wet slaat de mens meer dan half dood, het evangelie wekt op uit de doden. Door de wet worden wij afgesneden van de oude stam, de eerste Adam en door het evangelie ingevoegd, ingeënt in de tweede Adam. Doch er is altijd het eerst van de wet. Luther, Calvijn, Kohlbrugge zijn de mannen, die voor de noodzakelijkheid opkomen van eerst te sterven door en aan de wet om daarna te leven door het evangelie. Zij passen bij elkaar. De wet eist, dat de mens zijn eigen gerechtigheid uitwerkt en het evangelie roept hem op van alle eigengerechtigheid af te zien en die van Christus aan te nemen. Het evangelie belooft ook de gave des geloofs en God schenkt dat geloof. Is dan de wet afgedaan? Neen, want wij zijn geen Lutheranen. Wet en evangelie blijven heel het christelijk leven door bij elkaar, tot aan de dood toe. De Luthersen hebben bijna alleen oog voor de beschuldigende, oordelende werking der wet en kennen daarom geen hoger zaligheid dan bevrijding van de wet. Weliswaar spreken ook zij van een drie-erlei gebruik van de wet — dus van een maatschappelijk en staatkundig en huiselijk gebruik om de zonde te beteugelen en van een onderwijzend en overtuigend gebruik om tot Christus te drijven en van een voorschrijvend gebruik om voor de gelovigen tot regel des levens te zijn (usus politicus, paedagogicus, didacticus), maar nu komt het: deze laatste usus is toch enkel en alleen daarom nodig, wijl en in zover de gelovigen nog zondaren blijven, die door de wet in toom gehouden en tot voortdurende kennis der zonde geleid moeten worden. Voor de gereformeerden ligt het anders. Voor hen is de wet de uitdrukking van Gods wezen. De voornaamste taak der wet — een licht te zijn voor onze voet — blijft voor de gelovige tot in de hemel bestaan. Adam had vóór de val de wet in zijn hart geschreven; bij de gelovige wordt de wet weer op tafelen van zijn hart gegrift door de Heilige Geest; en in de hemel zullen allen wandelen naar des Heeren wet. Het evangelie is tijdelijk, maar de wet is eeuwig. Er komt een tijd, waarin het evangelie niet meer verkondigd hoeft te worden. Dan is de laatste uitverkorene toegebracht. Dan wandelen Gods kinderen niet meer door geloof, doch door aanschouwen. Maar er komt geen tijd, dat de wet des Heeren niet meer het richtsnoer der daden van Gods volk zal zijn. Het evangelie brengt die wet weer terug in het hart van de gelovige. De vrijheid van de wet bestaat dan ook niet daarin, dat de christen met die wet niet meer te maken heeft, maar zij is hierin gelegen, dat de wet van de Christus niets meer te eisen heeft als voorwaarde der zaligheid en hem niet meer verdoemen kan. Daar is geen verdoemenis der wet voor degene, die in Christus Jezus is. Overigens heeft een kind Gods een vermaak in de wet naar de inwendige mens en bepeinst ze dag en nacht. En daarom moet de wet altijd in het midden der gemeente, in verband met het evangelie, verkondigd worden. Wet en evangelie, het ganse woord, de volle raad Gods, voorzover deze raad voor de verkondiging bestemd is, is inhoud van de prediking.

Door deze prediking nu begint God het werk der genade. Als we nu even afzien van de prediking die leidt tot overtuiging van zonde, waarvoor is dan het evangelie bijzonder het middel. Voor de wedergeboorte. Daarvan heeft Hoofdstuk III/IV ons geleerd, dat God wederbaart door een bovennatuurlijke werking met gebruik van het evEingelie, hetwelk de wijze God tot een zaad der wedergeboorte en spijze der ziel verordineerd heeft. Een christen is dus iemand in wie God het werk der genade begonnen is. Daar is meer voor nodig dan de prediking van het evangelie, gelijk er voor het omhakken van een boom meer nodig is dan een bijl nl. iemand, die de bijl hanteert. Aan de andere kant heeft de houthakker de bijl nodig. Nu wil ik van God niet zeggen, dat Hij het evangelie nodig heeft, wel dat de Heere in de regel dit middel wil gebruiken.

Men mag hier echter niet denken aan een automatische werking. Iemand kan gedoopt zijn, hij kan het evangelie vele jaren hebben gehoord met grote welwillendheid, maar dat betekent alleen, dat het middel naast hem gelegd is. De oude mens is daarmee niet omgehakt of de nieuwe opgericht. Ik wil maar zeggen: God moet met dit'middel wat doen, als we verder moeten komen. Hij doet ook wat met dit middel. Het is evenwel voor de een een reuke des doods ten dode. Dat kan de prediking van het evangelie, die in de vorm van eis en roeping tot ons komt, ook zijn. Maar het evangelie is voor de ander een reuke des levens ten leven. Dat het een reuke des doods is ligt aan de mens, maar het andere is een vrucht van Gods krachtdadige werk. Tegenwoordig (vroeger ook wel) zou je zo wensen, dat alle candidaten en alle dominees, alle pastoors en alle kapelaans, recht predikten, dat er twee wegen zijn, en dat de doop niet genoeg is, maar dat ieder op die bijzondere wijze wedergeboren moet worden, zoals de Heere Jezus dat bedoelt en zoals Gods volk dat ervaart. Luther, Calvijn en vele anderen zijn voorbeelden van wat ware wedergeboorte uitwerkt nl. een verlichting van het verstand en een overbuiging van de wil tot het ware geloof. Waaraan kun je zien, dat iemand echt wedergeboren is? Men kan het hieraan zien, dat hij of zij tot de ware belijdenis komt en tot het leven met, uit en in Christus. De belijdenis Van de rechtvaardigmaking van de goddeloze, de rechte bekendheid met en beleving van de drie stukken uit zondag één, zijn voorname kenmerken. Helaas wat is veel prediking vaag, men wil niemand zeer doen, men durft haast niet te zeggen, dat het gevaar heel groot is, dat een hoorder verloren gaat, men spreekt er om heen en blijft in het vage. Dat komt in hoofdzaak omdat men zelf de waarachtige kennis der zonde en verbrijzeling mist, dat men ook niet verstaat hoe zwaar de strijd is om in te gaan door de enge poort. Men meent ei zelf te zijn en het geloof te hebben, doch men heeft maar wat opgegrepen. Velen behoren tot de dwaze bouwers, die niet hebben gegraven noch verdiept. Dat maakt hun prediking vaag, oppervlakkig, makkelijk, met zo nu en dan een gereformeerde kreet er tussen door, waar ze dan heel wat waarde aan toekennen, terwijl dit niet functioneert. De prediking is er toch, zegt men dan en zij keert niet ledig weder. Inderdaad, maar zij kan ten dode zijn.

Calvijn heeft een groot deel van zijn leven — met deze opmerking gaan we besluiten — op twee fronten moeten strijden. Hij voerde oorlog tegen hen, die de (uitwendige) prediking verachten en tegen hen, die alles van de prediking alleen verwachten.

De ene groep hield zich vast aan 2 Cor. 3:6 (de letter doodt), de andere partij aan Rom. 10 : 17 (het geloof komt uit het gehoor). Beide partijen verstonden hun teksten verkeerd.

Calvijn schreef er bij Joh. 15 : 27 dit van: Zo zien wij dan nu hoe het geloof door het gehoor komt en nochtans zijn zekerheid heeft van dit zegel en pand des Geestes.

Degenen die niet best verstaan hoe dik de duisternissen van het menselijk verstand zijn, houden het ervoor, dat men het geloof natuurlijkerwijze alleen door de prediking en het horen daarvan ontvangt. Aan de andere kant zijn er veel geestdrijvers, die van de uitwendige prediking niet veel houden, en zeer sterk van de verborgen openbaringen en optrekkingen van het gemoed blazen. Maar wij zien, dat Christus beide deze dingen samenvoegt. Daarom, hoewel er gans geen geloof zijn kan, zo lang Go^s Geest onze harten niet verlicht en verzegelt, zo moeten wij ons nochtans geen visioenen of gezichten noch Goddelijke uitspraken uit de wolken begeren, Deut. 30 : 14, maar het woord dat nabij ons in onze mond en hart is, moet alle onze zinnen aan zich gebonden en verknocht houden, gelijkerwijs Jesaja 59 : 21 zeer schoon spreekt: Mij aangaande, dit is Mijn verbond met hen, zegt de Heere: ijn Geest, Die op u is en Mijn woorden, die Ik in uw mond gelegd heb, die zullen van uw mond niet wijken, noch van de mond van uw zaad, noch van de mond van het zaad uws zaads, zegt de Heere, van nu aan tot in eeuwigheid toe". Bij deze tekst tekent Calvijn aan: De Geest wordt verbonden

met het Woord, aangezien zonder de krachtige werking des Geestes, de prediking des Woords niets uitwerkt, maar on-_ vruchtbaar blijft. Evenmin mag het Woord van de Geest afgescheiden worden, zoals fanatieke mannen stellen, die het woord ter aarde werpen en in de Geest roemen”.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Dordtse Leerregels

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 augustus 1969

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

PDF Bekijken