Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Spurgeon’s ’Pastorale adviezen’

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Spurgeon’s ’Pastorale adviezen’

7 minuten leestijd

III

Alle belijders van de Heere Jezus Christus worden geroepen, het Evangelie te verbreiden en getuigen van hun Zaligmaker te zijn. Dit geldt uiteraard zowel mannen als vrouwen. De ambtelijke prediking des Woords is evenwel volgens 1 Tim. 2:12 en 1 Cor. 14:3, 4 aan de vrouw niet toegestaan. Spurgeon constateert dit eenvoudig, maar aangezien deze zaak in de voorafgaande eeuw nog niet urgent was geworden gelijk in de onze, gaat hij daar dus niet verder op in.

Sprekende over het ambt van de prediking-en-kerkregering, door de Heilige Geest in het leven geroepen, stelt hij, dat zulks het gehele leven en de gehele tijd van de dienaar opeist. Hij behoort een 'full-timer' te zijn. Dus: Geen bijbanen! Zeker niet van grote-stads-predikanten.

Zulk een geroepene moet de vereiste gaven hebben. Letterlijk zegt hij: 'Als wij de bekwaamheid tot prediken bezitten, behoren wij die ook in de praktijk om te zetten'. Sommigen worden door de Heilige Geest in Christus' Kerk aangewezen om opzieners te zijn. Maar niemand mag als gezant optreden, zonder een wenk van boven ontvangen te hebben.

Spurgeon wil dit dan illustreren met de roeping van bv. Jesaja, Jeremia, Ezechiël of Daniël te beschrijven. Ik meen, dat wij hier voorzichtig moeten zijn. Wij mogen het oog niet sluiten voor het onvergelijkbaar karakter van Israëls profetisme. Op zeer bijzondere wijze waren deze mannen Gods instrumenten en wel geïnspireerde werktuigen van de Heilige Geest. Dit geldt ook van het ambt tot apostelen in het Nieuwe Testament. Legt men op de roeping van een predikant zulk een bijna verpletterend accent, dan vraagt men teveel.

Want nuchterheid gebiedt, op de vraag, waarom iemand predikant wil worden, te antwoorden, dat de keuze daarvan en de lust daartoe zich vaak in de vroegste jaren aandient. Daarover kunnen heel wat ouders iets vertellen. Natuurlijk is een jong kind zich in de regel nog niet klaar bewust wat dit gaat betekenen. En toch, hier kan het begin liggen van wat wij een 'roeping' plegen te noemen. Individueel zal het zeker zeer verschillend zijn. Want waarom kiest men het 'wondere' ambt? Niemand verlieze hier de predestinatie uit het oog.

Maar van de mens uit gezien? Zucht naar romantiek, zeggen sommigen. Maar het sprookje van 'een pastorietje met Marietje' behoort in deze keiharde twintigste eeuw voorgoed tot het verleden. Vroeger vooral dacht men aan de 'stand'. Er was een tijd, dat in beter gesitueerde gezinnen éen van de eventuele zonen de Kerk ging dienen, terwijl de anderen officier of advocaat of dokter werden. Ook dat behoort tot het verleden. En om het salaris? Wie werkelijk begaafd is, kan in onze maatschappij vlot meer dan het dubbele toucheren. Wanneer men niettegenstaande dit alles er dan toch voor 'voelt', moet er meer aan de hand zijn. Liefde tot de Heiland zal dan uitdrijven tot het herders-en leraarsambt.

Onjuist acht ik en de Geest uitblussend, wanneer men van een theologisch candidaat een soort bekeringsgeschiedenis vordert en hem sommeert zijn weg maar eens op tafel te leggen? Mogen wij ons niet verblijden, als een jonge man zich aangetrokken voelt tot deze arbeid, dat het offer van zijn hele persoon gaat vragen? Het apostelwoord zegt: 'Wie een opzienersambt begeert, begeert een treffelijk werk'. Dat werk is er dan in opdracht van Hem, die sprak: 'Weid Mijne schapen'.

Dan kwam de roeping dus van Boven: 'Gezanten van Christus' wege'. Spurgeon ziet liever, dat iemand in twijfel verkerend niet over éen nacht ijs gaat, om zo te zeggen. Hij stelt het zo: Men moet van zijn persoonlijke behoudenis zeker zijn en pas daarna mag men zijn roeping tot het ambt toetsen. En er moet een overstelpend verlangen zijn, om anderen te vertellen, wat God aan onze ziel gedaan heeft. En daarom zou hij bepaalde mensen liefst willen adviseren: Als u er iets aan doen kunt, word dan geen dominee'. Zou iemand er mee tevreden kunnen zijn, iets anders te zijn, b.v. redacteur van een krant, dokter, advocaat, kamerlid of politicus — laat hem dan vooral geen predikant worden, schrijft Spurgeon. Het Woord van God moet in ons branden als een vuur in onze beenderen. Men moet de bediening 'ontvangen' hebben (2 Cor. 4:1).

Jawel, maar niet altijd zo spectaculair als het met Saulus van Tarsen geschiedde. De begeerte dient echter weldoordacht te zijn en een zaak des geloofs, dunkt mij. Een gezant roept zichzelf niet, maar wordt geroepen. Maar het is een tere zaak en men wachte zich, hier wettische voorschriften te geven voor de ware zelfbeproeving.

Bekwaamheid om te leren, acht Spurgeon een van de eerste vereisten. Maar dit wordt toch ook door oefening verdiept en vermeerderd? Overigens zijn wij het eens met de stelling, dat de gaven enigermate moeten openbaar zijn, vóór de begeerte mag worden gestimuleerd. En daar is verscheidenheid van gaven. Zekere excellente predikers zijn soms slechts middelmatige catecheten en een knap docent is nog niet altijd een goed pastor.

Spurgeon stelt ook de voorwaarde, dat er van lichamelijke zwakheid geen sprake mag zijn. Hij zegt b.v. 'Als God wil, dat een van zijn schepselen zal preken, dan geeft Hij het gezonde longen'. En hij wil ook geen mensen op de kansel zien, die een spraakgebrek hebben of b.v. een gebrekkig verhemelte. Toch zou ik hier wat voorzichtiger willen oordelen. Tenzij zulk een handicap onoverkomelijk is, mag men niet te spoedig zeggen: u moogt niet preken. Ik herinner mij twee gevallen van predikanten die een spraakgebrek hadden, maar door de gemeente als uitnemende predikers gewaardeerd werden. Doch later meer hierover.

Wat Spurgeon vóór alles terecht nodig acht, is ootmoedigheid. 'Wij moeten', zegt hij 'een dreigende blik, afmatting, smaad, bespotting en ontbering kunnen verdragen en er tégen kunnen, dat we als 'aller voetveeg' of als niets behandeld worden om Christus' wil. Op zelfverloochening komt het aan!'

Dan komt er een merkwaardig voorbeeld: Een jonge man begeerde voor het Londens Zendingsgenootschap als zendeling naar India te gaan. Zekere heer Wilks werd aangewezen, hem op zijn geschiktheid te testen. Hij verzocht de jonge man per brief, hem de volgende morgen om zes uur te bezoeken. De adspirant woonde op verscheidene mijlen afstand, maar hij was punctueel om zes uur present. De heer Wilks trad echter pas enkele uren later de kamer binnen. 'Zo jonge man', zei hij, 'wil je zendeling worden? ' 'Ja, mijnheer.' 'Heb je de Heere Jezus lief? ' 'Ja mijnheer, ik hoop het.' 'Welnu, we zullen eens een proef nemen. Kun je 'kat' spellen? ' De jonge man aarzelde tussen verontwaardiging en onderwerping, maar antwoordde: k.a.t., kat'. 'Heel goed, maar kun je ook 'hond' spellen?' De jeugdige martelaar aarzelde, maar de heer Wilks bemoedigde hem, zeggende: 'Het is wel moeilijk, maar ik denk, dat je dit ook wel kunt'. De jonge Job antwoordde: 'H.o.n.d., hond'. 'Prachtig', sprak Wilks, ik merk, dat je goed kunt spellen. Nu nog wat rekenen. Hoeveel is tweemaal twee? 'Het is een wonder, zegt Spurgeon, dat de heer Wilks niet 'tweemaal twee' op zijn rug uitgeteld kreeg. De jonge man beheerste zich evenwel en gaf het juiste antwoord. Hij kon gaan in vrede.

Waarop Matthew Wilks op de comitévergadering zeide: 'Ik beveel deze jonge man van harte aan. Zijn getuigschriften zijn zeer goed. Zijn karakter heb ik aan een proef onderworpen, die weinigen zullen doorstaan. Hij heeft grote zelfverloochening naast grote bekwaamheid. Hij zal een groot zendeling worden.'

De test was niet elegant en eerder grof, althans smakeloos. Maar het examen werd met de hoogste lof bekroond.

Zulk een anekdote, waarvan Spurgeon er tientallen weet te debiteren, is ook een staal van de wijze, waarop hij, met zout besprengd, de gedachten van zijn rijke geest weet te illusteren. En altijd origineel en soms geniaal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 april 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Spurgeon’s ’Pastorale adviezen’

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 april 1971

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

PDF Bekijken