Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Problemen rond schepping en evolutie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Problemen rond schepping en evolutie

8 minuten leestijd

III

De selectietheorie van Darwin wordt verklaard m.b.v. mutaties, d.w.z. plotselinge veranderingen in de erfelijke aanleg. (Mutaties zijn ontdekt door de Amsterdamse professor Hugo de Vries bij de grote teunisbloem).

De meeste mutaties zijn schadelijk, maar als er een gunstige verandering optreedt, zouden de betreffende dieren zich gemakkelijker kunnen handhaven in de strijd om het bestaan. - Slechte mutaties worden in 'the struggle for life' uitgeselecteerd. Bekende voorbeelden van mutaties zijn b.v. de bruine beuk als rhutant van de groene, een schaap met korte kromme poten en staartloze katten. Ook bij het ontstaan van hondenrassen hebben mutaties een rol gespeeld.

Is hier dan echter al sprake van soortvernieuwing? Een kat met of zonder staart blijft een kat. Inderdaad kunnen we m.b.v. mutaties onderlinge verschillen binnen de soort verklaren, maar niet de verschillen, die hebben geleid tot de vorming van een nieuwe soort, omdat daar geen voorbeelden van bekend zijn.

Men leze b.v. het boekje: 'Bijbel en evolutie', waar de schrijver (Drs. Bult) op blz. 34 opmerkt: 'Stelt u zich een willekeurige (groep dieren voor. Hierin worden regelmatig nakomelingen geboren met andere erfelijke eigenschappen dan de ouders. Men noemt ze mutaties. ledere kweker en fokker kan u vertellen, dat hij regelmatig onder zijn gekweekte dieren dergelijke mutaties waarneemt. Ze zijn voor hem vaak het uitgangspunt voor nieuwe rassen’.

Er wordt niet gesproken over het ontstaan van nieuwe soorten, maar van rassen, d.w.z. vormen binnen de soort. De soortvorming m.b.v. mutaties is volkomen speculatief. U kunt het verder zelf in bovengenoemd werk lezen.

Overeenkomst in structuren

Als één der argurnenten VOOF de evolutietheorie is genoemd de overeenkomst in de kleinste structuren en de micro-processen in de (levende) organismen.

Alle organismen zijn opgebouwd uit cellen en deze cellen vertonen dezelfde micro-structuren. Het lijkt me niet zinvol om op deze structuren dieper in te gaan en ik wil volstaan met het noemen van het systeem, dat zorg draagt voor de opbouw van de eiwitten, die voor iedere soort en voor ieder organisme verschillend zijn.

Vooral gedurende de laatste decennia zijn er op dit terrein verbazingwekkende ontdekkingen gedaan en dankzij het D.N.A. en R.N.A. wordt er nu al gesproken over en gewerkt aan het doen ontstaan van leven in een ’reageerbuis’.

Alle ingewikkelde chemische stoffen en cel-structuren zouden volgens de weg van de evolutie zijn ontstaan. Het is echter niet vanzelfsprekend dat de genoemde overeenkomsten een gevolg zijn van de evolutie. Het is immers logisch, dat alle levende wezens uit dezelfde stoffen (eiwitten) zijn opgebouwd. Want een dier opgebouwd uit andere bestanddelen vindt geen plaats in de voedselketens in de natuur en in de kringloop van de stof. Welke planten en dieren kunnen zich met zijn dode lichaam voeden, teneinde het af te breken? Waarom wordt er toch niet gesproken over gelijke mechanismen, die God, zij het in verschillende vorm, in al zijn schepselen direct heeft gelegd? Waarom moet alles langs de weg der evolutie worden verklaard? God heeft de planten dier-soorten afzonderlijk geschapen en elk van deze soorten gemaakt volgens eenzelfde bouwplan en hierbij alle organismen dezelfde microscopisch kleine structuren gegeven.. Dit machtige gebeuren wordt ons geopenbaard in Genesis 1—2 en we dienen hieraan niet te twijfelen, maar dit door God geïnspireerde woord letterlijk te aanvaarden en alle problemen, die voortvloeien uit de confrontatie van de scheppingsgeschiedenis met de natuurwetenschappen vallen weg, als we het maar gelovig willen aannemen. Dit geldt ook m.b.t. de ouderdom der aarde, waarover later gesproken zal worden.

Palaeontologie

De evolutietheorie is vooral gebaseerd op de wetenschap der palaeontologie, die de fossielen bestudeert. Maar hoeveel fossielen zijn er gevonden? We moeten erkennen, dat het aantal gevonden fossielen niet te tellen is. We behoeven daarbij alleen maar te denken aan de steenkool en aardolie, die uit fossielen zijn gevormd. Met behulp van de gevonden fossielen heeft men een geschiedenis van het leven samengesteld. Deze geschiedenis is evenwel zeer onvolledig. Daarvoor ontbreken nog te veel gegevens. Men vergelijkt deze geschiedenis wel eens met een boek, waarvan alle tekst verloren is gegaan en alleen, enkele van de tekeningen bewaard zijn gebleven. Met behulp van deze tekeningen heeft men zich een beeld gevormd over de geschiedenis van het leven. Er zijn zeer veel hiaten, die men door nieuwe vondsten hoopt te overbruggen. Op deze gebrekkige gegevens is de evolutietheorie gefundeerd. Wat zal de toekomst brengen? Een bevestiging van deze theorie of een volkomen afwijzen daarvan? Op het ogenblik is nog geen dui-, zendste deel van het aardoppervlak nauwkeurig onderzocht.

In dit verband heeft prof. Bavinck al opgemerkt: 'veronderstel', dat de thans levende planten en dieren over geheel de aarde plotseling in aardlagen begraven werden en versteenden dan zou, noch uit de onderscheidene soorten van fossielen, noch uit de verschillende lagen, waarin zij voorkwamen enig besluit te trekken zijn t.a.v. de tijd van hun ontstaan.

Wij mogen evenwel niet uit het oog verliezen, dat de meeste dieren geen kans maakten op fossilisatie. Alleen die organismen, die levend of nauwelijks dood, snel werden bedekt en afgesloten van de zuurstof, konden worden gefossiliseerd. Vooral catastrofes (b.v. een zondvloed) waren zeer geschikt voor het ontstaan van fossielen.

Wij willen hiermede aantonen, dat de wetenschap naar verhouding over weinig gegevens beschikt en zeer voorzichtig te werk moet gaan met het trekken van conclusies.

Bij de bestudering van de fossielen en de bijbehorende aardlagen ontdekte men een zekere rangschikking. In de oudste aardlagen (meestal de onderste lagen) vond men resten van laag ontwikkelde en in jongere lagen van hoog ontwikkelde dieren. Dit vormde een prachtig argument voor het aantonen van een ontwikkeling van hoger ontwikkelde soorten uit meer primitieve vormen.

Moeten wij dit dan niet zonder meer erkennen?

Deze gegevens zijn echter geenszins in strijd met de volgorde van de door God geschapen dieren, zoals ze ons wordt verhaald in het Bijbelse scheppingsverhaal, nl. eerst planten, gevolgd door waterdieren met vogels, dan het vee, kruipend-en wild gedierte en tenslotte de mens. We moeten ons hierbij goed realiseren, dat niet de schepping van alle diersoorten ons wordt verhaald. Genesis 1 geeft ons geen gedetailleerd overzicht over de schepping van planten en dieren. Over insecten wordt b.v. niet gesproken.

Aardlagen nergens compleet

Bij de vaststelling van dit feit, moeten wij één restrictie maken nl. de aardlagen komen nergens gezamenlijk of compleet voor. Men heeft de diverse aardlagen van verschillende plaatsen tot formaties en perioden samengevoegd.

Prof. Aalders heeft al in 1932 in zijn belangrijk werk: 'De Goddelijke Openbaring in de eerste drie hoofdstukken van Genesis', hier de aandacht op gevestigd. Want wij lezen op blz. 291: 'Er is geen kwestie van dat de verschillende lagen overal op onze aarde in dezelfde orde worden aangetroffen. Er zijn tal van streken, waar vele van deze lagen ontbreken, waar soms de z.g. 'jongste' lagen onmiddellijk op de 'oudste' rusten en alle tussenliggende vormiïigen afwezig zijn. Dan vindt men b.v. Krijt onmiddellijk boven Devoon (en ontbreken dus daartussen Jura, Trias, Perm en Carboon), ook wel onmiddellijk boven Siluur (en ontbreekt daartussen dus Devoon).

Een van de sprekendste voorbeelden treft men aan in Rusland, waar Pleistoceen, behorende tot de quartaire formatie en jonge tertiaire lagen onmiddellijk op Perm rusten (en daartussen dus heel de secundaire en een deel der tertiaire formatie ontbreekt’.

Wantrouwen t.a.v. de chronologische opeenvolging van de aardlagen kan naar onze mening niet worden ontkend.

Wij hebben al terloops gezien, dat de geschiedenis van het leven wordt verdeeld in tijdpcrkcïj. Een van de oudste perioden is het Cambrium. Wij mogen nu vei-wachten, dat de fossielen uit het Cambrium afkomstig zijn van dieren, die laag ontwikkeld zijn en dat de fauna uit deze tijd vrij eentonig moet zijn geweest. Speciaal dit laatste is niet waar.

De bioloog heeft gemakshalve de dierenwereld ingedeeld in hoofdafdelingen b.v. in de groep van de weekdieren (b.v. slak), stekelhuidigen (b.v. zeester), holtedieren (b.v. kwal), eencelligen .enz. Deze hoofdafdelingen vertonen onderling verwantschap en de evolutielijn van de mens moet volgens de evolutionist via dieren uit deze hoofdafdelingen verlopen zijn.

Vanzelfsprekend is bij onderlinge vergelijking van deze hoofdafdelingen ook sprake van primitieve en hoger ontwikkelde vormen. De eencelligen en holtedieren zijn b.v. niet hoog ontwikkeld. Wij mogen dus vnl. vertegenwoordigers van deze groepen in het Cambrium verwachten.

Dit komt evenwel niet overeen met . de waargenomen feiten. In het Cambrium komen vertegenwoordigers van vrijwel alle hoofdafdelingen voor uitgezonderd de gewervelde dieren. Uit de zeeën van het Cambrium kent men b.v. oer kreeften, sponzen, wormen, inktvissen en stekelhuidigen. Dit is moeilijk in overeenstemming te brengen met de evolutietheorie.

Prof. Lever zegt hierover (zie verslag conferentie evolutievraagstukken): 'Dat is lang een buitengewoon probleem geweest, dat is het nog, wij weten niet hoe die verschillende groepen van dieren daarvoor met elkaar hebben samengehangen. Daar zijn allerlei hypothesen over gemaakt, we weten het eenvoudig niet'. En verderop zegt prof. Lever: 'Onze conclusie op dit ogenblik t.a.v. dergelijke vragen kan naar mijn inzicht geen andere zijn dan: we wefen het op het ogenblik nog niet, misschien dat we in de toekomst daar nadere gegevens over krijgen'.

Gelukkig erkent prof. Lever dat ook zijn theorie, een door God geleide evolutie, niet helemaal bewezen kan worden. Laten wij daarom Gods waarheid maar aanvaarden, zoals ze ons in Genesis 1 is geopenbaard en dit letterlijk interpreteren boven onrijpe conclusies van de wetenschap.

Doorn

J. Slot

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Problemen rond schepping en evolutie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1972

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

PDF Bekijken