Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Eén weg

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Eén weg

Synodale discussie over de zending

13 minuten leestijd

De Waarheidsvriend van 28 juni jl. bevat onder de kop 'Een weg of meerdere wegen ? ' een verslag van de bespreking in de synodevergadering op 20 juni jl. van de jaarverslagen van de Raad voor de Zending en van de Gereformeerde Zendingsbond. Beide verslagen worden ieder jaar tegelijkertijd besproken. Aan beide organen zijn in deze synodezitting vele kritische vragen gesteld zonder dat er voldoende tijd was hierop in te gaan. Op voorstel van de G.Z.B, zullen Bond en Raad samen vragen en kritiek alsnog schriftelijk beantwoorden. Intussen blijven zij beide zitten met de in de gestelde vragen sluimerende suggesties en verwijten. Bovendien zit de Raad voor de Zending nu met bovengenoemd verslag, dat openhartig en ernstig spreekt. Op dezelfde manier vragen, op deze plaats, de volgende aanvullingen en kanttekeningen uw aandacht.

1. Veel aandacht besteedt de verslaggever aan de vragen die werden gesteld aan de Raad voor de Zending (nauwelijks aandacht aan ernstige vragen aan 't adres van de G.Z.B.). Dit resulteert o.a. in enige misverstanden. Voorbeelden: een synodelid vraagt of de zending zich wel per se moet aansluiten bij het reformatorisch belijden. De suggestie blijft achter, dat dit voor de Raad voor de Zending van de Hervormde Kerk ook een vraag zou zijn !

Een criticus ter synode ziet in het verslag van de Raad 'een. godsbegrip, waarin God alleen maar liefde is, en... een heilsuniformisme (de hele wereld is in het heil begrepen)'. De verslaggever zegt: 'het geloof in Christus is kennelijk niet meer van allesbeslissende betekenis'. In dit jaarverslag staat echter letterlijk dat onze 'visie... niet uitgaat van een theologie, die stelt dat Christus immers toch wel de Redder en de Heer van de gehele mensheid is en dat daarmee de taak van de bekendmaking van Zijn heilswerk en het bieden van de mogelijkheid aan mensen om zich bewust in Zijn dienst te stellen-vrijwel vervallen zou zijn'. Er is voor het belijden van de Hervormde Kerk en naar de overtuiging van haar Raad voor de Zending één weg ten leven, Jezus Christus; er zijn niet meerdere we­ gen. Aan de orde was en is de vraag hoe je van Hem getuigt! Daarom heeft de paragraaf over de Islam in ons verslag deze titel: 'Het christelijk getuigenis in moslimse gebieden'.

2. Met het reformatorisch belijden moet niet theoretisch maar concreet, niet abstract maar in dit geval in de ontmoeting met de Islam ernst gemaakt worden. Ik noem als voorbeeld een kernpunt van theologisch^dogmatische aard (één van de niveaus waarop het wederzijds denken en spreken elkaar ontmoeten) en knoop aan bij de inzet van de Nederlandse Geloofsbelijdenis en van de Heidelbergse Catechismus. Er zullen moslims zijn die in het gesprek artikel 1 van de N.G.B, (dat er één enig God is) geheel en al beamen en tegelijk vraag en antwoord 1 van de H.C. (de enige troost in Jezus Christus) niet onderschrijven. Welke gevolgen voor ons spreken en handelen heeft het eerste? En welke het tweede ?

Kerken in de gehele wereld beginnen zich er pas goed op te beraden hoe wij het christelijk getuigenis op manieren en wegen, die door Christus bepaald worden, in moslimse gebieden zouden kunnen uitdragen. Onze bijdrage hieraan in het laatste jaarverslag is uitdrukkelijk gepresenteerd als een moment in deze beginfase. Nodig zijn mee-denkers' en mee-werkers uit de gehele kerk en o.a. ook uit de kring van de G.Z.B.

3. Vragend, zoekend naar 'het hoe' luister je ook naar stemmen van anderen en laat je die in een verslag meebeluisteren. Alleen op die manier kom je verder. Principes zijn helder en onkwetsbaar te for­ muleren. De concrete toepassing in de diverse zendingssituaties, ook in de bonte verscheidenheid van de ontmoeting met de Islam, vergt behoedzaam aftasten. Daaroni bevat ons jaarverslag ook citaten van serieuze werkers op dit front met wie wij het niet altijd eens zijn. Helaas werden zij én ter synode én in de Waarheidsvriend als onze opinie weergegeven.

Hierbij komt de onmisbaarheid van intense luisteroefeningen beiderzijds. Er moet geleerd worden te horen ook wat we niet verwachten of wensen te horen. Een grondhouding van: zeg mij hoe u het ziet, opdat ik dit in mijn hart kan overwegen; sta mij ook toe u te zeggen hoe ik het zie en wil dit tot uw overwegingen toelaten.

Herhaaldelijk zijn ook (het is inderdaad bijna onvermijdelijk bij zulke procedures) zinnen uit ons jaarverslag los geciteerd. Eén voorbeeld. 'Het (werk onder moslims) heeft getuigen van Christus nodig in plaats van verdedigers van het geloof'. Een criticus én het synodeverslag wijzen dit als tegenstelling af en met een beroep op Paujus. In het algemeen gesproken terecht ! In een bepaald verband echter ten onrechte. Ik ben overtuigd dat in alle gemeenten, ook die van de Gereformeerde Bond, in bepaalde pastorale situaties het voorbeeld van Paulus om niet altijd alles tegelijk te zijn of te doen, zeer terecht navolging vindt.

4. Veel kritiek richt zich op wat genoemd werd 'de christelijke presentie'. Het is hiermee m.i. als met de eenheid én veelvormigheid (pluriformiteit van complementaire aard) van de arbeid van een ouderling, van een diaken en van een ouderling-kerkvoogd in één en dezelfde gemeente, vanuit één en dezelfde verkondiging en dienst. Als een diaken in bepaalde omstandigheden niet met 'troostelijke redenen' maar zwijgend zijn dienst verricht, mag hij niet op grond hiervan als humanist naar overtuiging gekwalificeerd worden. Er is hopelijk wel een humaniserende tendens (een verwijt aan de raad !) in zijn dienst aanwezig. Het humanum is reëel én veilig in Jezus Christus, Immanuel.

Over de strekking van bedoelde presentie laat de Raad voor de Zending in zijn verslag geen twijfel bestaan. Het gèat om de presentie van christenen en 'de Bijbel geeft geen redenen tot het misverstand, dat christelijke presentie altijd zwijgende presentie zou moeten zijn'.

5. Er mag niet onvermeld blijven dat in alle organen van de raad, die het beleid voorbereiden, erover beslissen en het uitvoeren ook met betrekking tot de islamvragen, functionarissen van de G.Z.B, en/ of leden van de Gereformeerde Bond zitting hebben. In een recente bespreking, nog na deze synode, hebben wij samen onder ogen gezien of, waar en hoe de G.Z.B, in het werk van het Islam-apostolaat eventueel meer zou kunnen deelnemen. Ik kan mij van deze partners geen uitspraken omtrent het standpunt van de raad voor de zending herinneren als de verslaggever zich veroorlooft in zijn commentaar. Natuurlijk stellen zij ons (en wij hun) vragen: 'Is het de ene en enige Weg, waarop wij met ons denken, spreken en handelen gaan ? ' Dit kan en mag niet anders. Want het rechte belijden gaat altijd op het scherp van de snede, op de smalle weg ten leven, waar je ter ener of ter andere zijde zomaar naast staat.

In bovenstaande notities is een klein beetje uitgewerkt wat ik, niet persoonlijk

maar in mijn functie aan het einde van de synodebespreking in de beschikbare drie minuten improviserend zeggen kon. Uit een recente Duitse pubhkatie citeerde ik daarbij: 'Een vergehjking met de Griekse filosofie, met het confucianisme, boeddhisme en islam (!) toont dat het Israëlitische verstaan van de bewogenheid van God uniek is' (één Weg !).

Het is jammer dat de verslaggever óf bij het slot van de bespreking niet meer aanwezig was óf dit niet in zich opgenomen heeft. Een benadering vanuit ons gemeenschappelijk belijden van de éne weg tot behoud zou in het verslag een en ander voorkomen hebben. Onder andere: dat vanwege een verschil op dit punt de G.Z.B, afzonderlijk bestaan moet. Om misverstand te voorkomen, andere oorzaken of redenen tot voortbestaan worden met deze laatste opmerking niet beoordeeld.

Oegstgeest, 6 juli 1973

J. Hoogenkamp

Voorzitter Raad voor de Zending

NASCHRIFT

Ik ben ds. Hoogenkamp dankbaar voor zijn reactie. Dat hij op de kritische opmerkingen, die het jaarverslag van de Raad van de Zending èn ter synode èn in het verslag in ons blad kreeg, reageert maakt duidelijk, dat het om wezenlijke zaken gaat. Puntsgewijs wil ik enig commentaar geven op zijn kanttekeningen, waarbij ik niet herhaal wat ik in het verslag schreef. Dat is voor ieder na te lezen. 1. Dat ik meer aandacht besteedde aan het verslag van de Raad voor de Zending dan aan dat van de G.Z.B, lag in de rede. In de eerste plaats kreeg het verslag van de G.Z3. ter synode slechts enkele kritische vragen en dat van de Raad vele, en wel zeer kritische. In de tweede plaats was de verhouding van de zending tot de Islam in het verslag van de Raad het hoofdmoment wat betreft de zendingsbezinning, wat ook in de bespreking op de synode uitkwam, omdat vrijwel de gehele discussie daarom draaide. Daarom ging óók mijn verslag daarover. 2. Ik ben blij dat ds. Hoogenkamp nog eens duidelijk stelt, dat de visie van de Raad niet uitgaat van een theologie, die stelt dat Christus tóch wel de Redder van de hele mensheid is en dat daarmee de taak voor de zending om 'Zijn heilswerk' bekend te maken vervallen zou zijn en dat hij daarom zijn reactie plaatst onder de titel: 'Eén weg.' Dit wordt inderdaad ook in het jaarverslag van de Raad gezegd. Maar naar mijn gevoel is het zo, dat deze zinsnede in het vervolg van het verslag van de Raad nagenoeg onherkenbaar wordt. Deze positiebepaling functioneert in het vervolg niet meer. Bovendien, als de vraag gesteld zou worden wat 'Zijn heilswerk' is en wat het betekent om 'zich in Zijn dienst te stellen', dan ben ik er nog niet zo zeker van — en het verslag van de Raad geeft mij aanleiding dit zo te zeggen — dat begrippen als heil en bevrijding niet veel meer gericht worden op het sociale leven (in navolging van Bangkok, waarmee het verslag van de Raad begint) dan dat ze te maken hebben met persoonlijke bekering tot de levende God, met de wedergeboorte van mensen die van nature vijanden van God zijn. Op het feit dat 'vijanden met God verzoend worden door de dood van de Zoon', waarop ik mijn kritische opmerkingen in mijn verslag liet uitlopen, gaat ds. Hoogenkamp helaas niet in. Ik schreef heel bewust dat het verslag van de Raad de indruk achterlaat dat het geloof in Hem (in Christus) niet meer van allesbeslissende betekenis is. Ik schreef dat niet omdat de synode-kritikus drs. De Reuver sprak over heilsuniformisme, waardoor de visie van de Raad volgens hem getypeerd is. Ds. Hoogenkamp suggereert dit door de zin, die ik schreef over de allesbeslissende betekenis van het geloof vlak achter die van De Reuver over het heilsuniformisme te plaatsen terwijl ze in het verslag ver van elkaar stonden. Maar ik schreef die zin wel omdat het rapport mij niet van het tegendeel overtuigt. En dan voel ik mij toch wel verwant met wat de synode-kritikus De Reuver stelde. Uit het rapport proef ik niet de zeer wezenlijke bewogenheid om het feit dat mensen, die niet door het geloof in Christus geborgen zijn, verloren gaan; wèl om het feit, dat het in de samenlevingsverbanden fout zit, waarmee ik niet zeg dat dit niet een zaak is die de zending óók zeer ter harte heeft te gaan. Men zal zeggen, maar is zending bedrijven dah nog wel nodig? Vanuit deze visie kan men namelijk wel de sterke aandrang hebben om zending te bedrijven, namelijk om de dienst aan Hem in 'sociale gerechtigheid gestalte te geven. Loopt het verslag van de Raad niet rakelings langs deze gedachte heen? En was daarop niet een groot deel van de kritiek van de synode gebaseerd?

3. Als de - Moslims en de christenen één God be­ lijden, is dat dan dezelfde God? Niemand komt tot de Vader dan door Mij, zegt Christus. De God en Vader van onze Heere Jezus Christus is die niet een andere dan de God die de Moslims aanbidden, juist omdat er in het gebed maar één weg is om tót Hem te gaan?

4. Ds. Hoogenkamp zegt dat het jaarverslag ook citaten van serieuze werkers op het zendingsfront bevat met wie de Raad het niet altijd eens is. Het spijtige is evenwel dat dit in het jaarverslag van de Raad zo niet uitkomt. Wel wordt gezgd dat de zendingsopvatting, die niet in de eerste plaats gericht is op bekering van personen maar op verzoening en genezing van verbanden en verhoudingen niet de enige opvatting'^an zending is (dus wel een legitieme opvatting, v. d. G.) maar wel uiterst serieus genomen moet worden. En op dit zendingsaspect borduurt toch het verslag hoofdzakelijk verder. Van kritiek is geen sprake.

5. Tenslotte nog iets over de christelijke presentie. Natuurlijk is er dat aspect van de zending ook en natuurlijk kan niet in elke situatie alles tegelijk gedaan en gezegd worden. Het punt is echter dat, als het bij dit aspect blijft, de zending ernstig tekort schiet. Om bij het door ds. Hoogenkamp getekende beeld van de diakenen te blijven: als die man uitsluitend 'zwijgend' zijn dienst zou verrichten en zijn werk zou beperken tot maatschappelijke dienstverlening zonder meer, dan zou hij tekort schieten als getuige van Christus. Zo ook de zending. Er is bij de zending de christelijke presentie, het medische werk, het opbouwwerk en zovele zaken meer, maar bij dit alles mag de ergernis van het Kruis niet achterwege blijven. De zending is als het goed is een hinderlijke instantie op de weg van mensen die van nature vijanden zijn van het kruis van Christus. Presentie alleen zonder de oproep tot bekering is geen christelijlce presentie hoezeer het 'humanum', het - menselijke, ook tot zijn recht mag komen. Ds. Kooistra signaleerde ter synode een verschuiving van getuigenis naar presentie. Ik meen dat dat terecht is en dat het verslag van de Raad alle aanleiding geeft bezorgd te zijn over een dergelijke verschuiving.

Getuigenis niet het oog op bekering is dan intussen wat anders dan zieltjeswinnerij — een term die meer aan de handel dan aan de Schrift doet denken — maar komt op uit bewogenheid om zielen te winnen voor Christus. Dat aspect komt in het verslag van de Raad nauwelijks aan bod, of het wordt van allerlei 'maar's' voorzien.

6. We zitten in onze kerk met twee zeridingsinstanties. Ds. Hoogenkamp laat duidelijk weten het op prijs te stellen dat de G.Z.B, ook zijn inbreng heeft bij de doordenking van de verhouding zending-Islam. De G.Z.B, van zijn kant heeft tot mi toe de band met de Raad van de Zending gehandhaafd, hetgeen duidt op bereidheid zijnerzijds in de doordenking van de zendingsvragen het gesprek te willen voeren met de Raad, van wie men toch vanwege het beginsel gescheiden optrekt blijkens het bestaan van de G.Z.B, naast de Hervormde Zending in het algemeen. Dat dit gesprek er is en de relatie er is is terecht. De G.Z.B, zal bij dit gesprek ongetwijfeld zijn inbreng hebben vanuit de door hem gepubliceerde 'Principia'. Het is een goede zaak als in de confrontatie de principia ter sprake komen. We moeten het elkaar in de kerk maar niet te gemakkelijk maken als het gaat om zaken waarmee de kerk staat of valt. Vandaar dat ik ook de reactie van ds. Hoogenkamp op prijs stel.

V. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Eén weg

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 1973

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

PDF Bekijken