Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Die Heere is en levend maakt

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Die Heere is en levend maakt

10 minuten leestijd

Met de woordden 'Die Heere is en levend maakt' wordt in de bekende geloofsbelijdenis van Nicéa, op een treffende wijze de Godheid van de Heilige Geest beleden. In de lijn van dit oud-katholieke belijden wordt ook in een zeer kort artikel van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis gesproken over het waarachtig en eeuwig God zijn van de Heilige Geest. Na de uitvoerige artikelen over de Driëenheid en de Godheid van Christus (artikel 8 tot en met 10) wordt in artikel 11 nog eens met nadruk het geloof in God de Heilige Geest uitgesproken.

Het is nuttig en goed ons in de nu volgendende uiteenzetting over dit geloofsartikel te bezinnen op dit stuk geloofsbezit van de Kerk der reformatie.

Geestelijke armoe

Over de Godheid van de Heilige Geest is in de kerk minder te doen geweest dan over de Godheid van Christus. Wanneer men in Christus eenmaal God Zelf heeft leren aanbidden, zal het geloof er dan nog veel moeite mee hebben om te belijden, dat ook de Heilige Geest waarachtig en eeuwig God is? Zo treedt Hij immers tegemoet in de Heilige Schrift?

Dat moge waar zijn. Maar daarmee is toch niet gezegd, dat het geloof in de Hei­lige Geest als de derde Persoon van het Goddelijk Wezen een vanzelfsprekendheid zou zijn, waarvoor ieder mens altijd al is gevallen. Er is omtrent de leer van de Heilige Geest toch echt nog wel het één en ander aan de orde geweest in de kerk. We kunnen ook zeggen, dat vooral in onze dagen van verschillende kanten extra nadruk wordt gelegd op de betekenis van de Heilige Geest voor het kerkelijk een geestelijk leven. Heeft de theologie van K. Barth met zijn overaccentuering van de openbaring Gods in Christus niet terecht de vraag opgeroepen, welke de specifieke betekenis is van de Heilige Geest en Zijn werk? Is verder het bestaan van allerlei Pinkstergroeperingen er niet een bewijs van, dat velen de warmte van een leven uit de Geest in de kerk missen? Ook moet men wel blind zijn, als men niet allerwege een verstarring en verstening in het kerkelijk en geestelijk leven waarneemt, die met alle geroep om actieve deelname van de kerk aan het maatschappelijke en politieke leven niet goed te maken is. In de oorlog '40-'45 was het volgens prof. Berkhof een man als Kraemer, die als één van de voormannen van gemeente-opbouw het verwijt liet horen: 'De Kerk slaapt als tien marmotten'! Maar hoe wordt die Kerk dan ooit wakker en waarin zal haar waakzaamheid blijken? 'De Kerk lijdt aan Heilige Geest', heeft iemand eens gezegd. En kan een vallei vol dorre doodsbeenderen ooit tot leven komen, als de levende God, als de Heilige. Geest er niet Zelf aan te pas komt?

Mede met het oog op de geestelijke armoede, die met handen te tasten is, kan het niet van belang ontbloot zijn ons intensief bezig te houden met het artikel van onze Geloofsbelijdenis, dat het ons ook ten aanzien van de Heilige Geest voorzegt: 'Wij geloven en belijden !' Niemand zegge, dat het daarbij onbelangrijk is, dat men oude formuleringen van de kerk over de Godheid van de Geest weer voor de dag haalt, omdat het immers veel meer over het werk van de Heilige Geest zou gaan. Dat laatste komt verder op in de artikelen des geloofs aan de orde. Wij beperken ons dus, in de bespreking van artikel 11 van onze Nederlandse Geloofsbelijdenis tot de Persoon en nader nog tot de Godheid van de Persoon van de Heilige Geest. En we hebben dan ook gelegenheid om erop te wijzen, dat men onmogelijk recht spreken kan over wat Gods Geest doet, wanneer men Hem niet belijdt als God, Die Heere is en levend maakt. Het één hangt ten nauwste met het ander samen.

Terecht zegt H. Bavinck (Geref. Dogmatiek, II, 321): 'Wie de Godheid des H. Geestes loochent, kan die van den Zoon niet staande houden... Met de Godheid des H. Geestes staat en valt het gansche dogma der triniteit, het mysterie des Christendoms, het hart der religie, de waarachtige, wezenlijke gemeenschap onzer zielen met God. Dit werd door de kerkvaders begrepen en daarom hebben zij met de Godheid des Zoons ook die des Geestes verdedigd'.

Een 'Hij', geen 'het'

Eén van de grootste misvattingen met betrekking tot de Heilige Geest is de voorstelling van de Geest als een Goddelijke kracht, een onzijdig 'het', een 'dampje' (Chantepie). Het Geest-zijn van God is in deze gedachtengang weinig meer dan een stroom van liefde tussen de Vader en de Zoon. G. C. van Niftrik, die in zijn Kleine Dogmatiek waarlijk wel weten wil van de Heilige Geest als de derde Persoon van het Goddelijk Wezen, loopt gevaar dit Persoon-zijn van Gods Geest toch weer wat te vervagen, als hij zegt: 'De liefde van de Vader tot de Zoon en van de Zoon tot de Vader, dat is de Heilige Geest'. Augustinus noemde de Heilige Geest de kus van Vader en Zoon. Welnu wanneer men zo over de Heilige Geest wil spreken, als men van Hem wil zeggen, dat Hij de band des vredes, de wederzijdse liefde is tussen de Vader en de Zoon, dan moet men daarmee niet meer willen zeggen, dan dat het bestaan van de Geest als de derde Persoon van het Goddelijk Wezen een bestaan is, waarin de beide andere Personen elkaar ontmoeten. En dat is dan een bestaan in de liefde. Het éne Goddelijke Wezen ontvouwt Zich in een drieheid, waarin de Derde opkomt uit de Eerste en de Tweede.

In elk geval hebben we er tegen te waken, dat de Heilige Geest in de theologie en de prediking de eigen plaats zou worden onthouden, die Hem toekomt. Er is specialiteit, eigenheid des Geestes, zowel in Zijn Persoon als werk. Hoezeer wij ons ook geroepen voelen om de Geest onlosmakelijk te laten verbinden en zijn zowel aan de Vader als aan de Zoon, dat betekent toch niet, dat de Heilige Geest niet een eigen dimensie zou hebben en ook een Zeer speciale bediening in de Goddelijke huishouding. De Persoon en het werk van Gods Geest moet een eigen klemtoon dragen, wanneer wij bv. in de prediking bezig zijn met de vragen van de heilstoeëigening. Hij is de Onderzoeker van de diepten Gods en als zodanig gaat Hij ons daarin voor. Hij leidt in tof in het eeuwig verkiezend welbehagen des Vaders. Daarin is Hij Zelf eeuwig thuis.

Goddelijke Geest en menselijke geest

In deze eigenheid leert Gods kind de Heilige Geest in Zijn Persoon en werk ook kennen. Betrokken als Hij is krachtens Zijn eeuwig Wezen op de Vader en de Zoon, is het ook Zijn liefste werk Zich te openbaren als Degene, Die van de Zoon naar de Vader leidt, zodat we opgenomen worden in de eeuwige liefde, die in het hart des Vaders is. Daarom wordt de Heilige Geest ook als God verheerlijkt, aangeroepen en geprezen. Hij is de aanbiddelijke God Zelf. Helaas wordt de Heilige Geest onder ons al te weinig als God Zelf persoonlijk aangebeden. Waarom zou Hij, Die de Geest der gebeden heet, in ons gebed ook niet persoonlijk worden afgesmeekt en gedankt voor alles, wat Hij is en doet? !

Maar als dat nu allemaal zo is, hoe past het ons dan de Heilige Geest in Zijn eigenheid te onderscheiden van de menselijke geest. Hoe gemakkelijk wordt Hij daarmee verwisseld, juist wanneer wij Hem als Persoon niet recht kennen.

Hegel sprak over de absolute geest, die zich doorzet in de geschiedenis van mens en wereld. Heel het geestesleven van de  mensheid (bv. in de wetenschap en in de cultuur) is bij Hegel openbaring van die absolute geest. Maar men gevoelt, hoe gevaarlijk deze voorstelling van zaken is. Kan men aan de geestesuitingen, die het mensdom op aarde oplevert, de Geest van God aflezen? Komt men dan ooit verder dan een vaag en algemeen menselijk gevoel van hogere inspiratie, dat met wat de Bijbel ons zegt over God de Heilige Geest niets uitstaande heeft? Sinds Genesis 3 is de werkzaamheid van de Heilige Geest in het cultuurleven van de mens zeker niet verdwenen. Maar de zondeval heeft dit cultuurleven dan toch wel dusdanig verstoord, dat wij van vele geestesuitingen moeten zeggen, dat ze meer het werk zijn van de geest van de tijd, van een antichristelijke geest in plaats van dat we ze moeten waarderen als vruchten van het werk van Gods Geest. De torenbouw van Babel was een machtig cultuurmonument, maar ze was ten enenmale niet de openbaring van Gods Heilige Geest. Het Nationaal-Socialisme was een geestelijk verschijnsel, waarin zelfs met een beroep op Gods voorzienigheid verheven ideeën werden gelanceerd, maar het was 'het gedichtsel van 's mensen hart en hét was ten allen dage alleenlijk boos'. De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, - die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden' (1 Kor. 2:14).

Persoon en Gave

Wie de Heilige Geest wil leren kennen, moet andere bronnen aanboren. Hij zal de Schriften hebben te onderzoeken. Daarin treedt de Geest, van God ons tegemoet als de 'Ganse Andere'. Hij heeft een eigen identiteit. Deze valt alleen maar af te lezen aan wat de Geest in de tijd doet volgens het Woord van God. H. Bavinck, zegt (Ger. Dogmatiek, II, 331): 'De kerkvaders besloten uit de relatiën, die er tusschen de drie Personen in den tijd voor der menschen oog zich vertoonden, tot hunne eeuwige immanente verhoudingen. En dit volkomen terecht.' Welnu, telkens wordt ons in de heilige Schrift de Geest van God voorgesteld als een Persoon en een Gave tegelijk. En als Hij Zichzelf dan alweer blijkens de Schrift meedeelt als de Paracleet, de Advocaat en Trooster, Die het uit Christus neemt en het ons verkondigt, dan is in deze Zelf mededeling ook Zijn Persoon gekarakteriseerd. Op het Pinksterfeest is de Geest zelfs geheel Gave geworden en welk een heerlijke gave. Hij woont in de gemeente. Maar dat heft Zijn Persoonlijkheid niet op. Het onderstreept die veeleer. Wat Zijn liefste werk is, nl. het, uit Christus nemen en het ons verkondigen, dat laat ons zien. Wie Hij is: een Geest, Die ten nauwste verbonden is met Christus en aanhoudend van Hem uitgaat. Op dit laatste komen we later nog terug.

Voor deze keer is het genoeg om elkaar er op te wijzen, dat het ware geestelijke leven te danken is aan Hem, Die Heere heet en levend maakt. God de Heilige Geest. Het Hebreeuwse woord voor Geest 'ruach' (wind, adem, geest) is weliswaar een vrouwelijk woord en het Griekse woord voor Geest pneimia is zelfs onzijdig, maar dat doet niets af van het feit, dat in de Bijbel altijd zeer persoonlijk over de Heilige Geest wordt gesproken.

Als wij dan met Augustinus mogen zeggen, dat het Wezen van God de Heilige Geest de kus van Vader en Zoon is, dan aanbidden wij die Geest met heel ons hart, wanneer Hij ons Zichzelf meedeelt. Door deze Zelfmededeling des Geestes wordt een zondaar opgenomen in het ondoorgrondelijke geheim van de liefde tussen de Vader en Zijn Zoon.

Wageningen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Die Heere is en levend maakt

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 februari 1975

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

PDF Bekijken