Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Uit de pers

11 minuten leestijd

Pastoraat voor de doven

'Doven horen niet met de oren, maar met de ogen en vooral met het hart', zo luidt een omkaderde zin in een groot artikel, gewijd aan het dovenpastoraat in het Centraal Weekblad van 22 december. Over de beginfase van dit pastoraat lezen we het volgende in een gesprek met ds. J. J. Lamme:

'Het is ondoenlijk om een volledig licht te werpen op de wereld van de dove medemens. Waar wij vandaag in Centraal Weekblad over praten, is het pastoraat voor de doven. Maar het zal u duidelijk zijn dat er naast pastoraat nog héél véél meer speelt in de wereld van de stilte.

Om inzicht te krijgen in het dovenpastoraat bezochten we niet alleen ds. Lamme, maar ook de pionier onder de dovenpastores: ds. J. Firet sr. We waren voorts getuige van een gecombineerde kerkdienst (voor doven en horenden). En spraken daarna met twee vrouwen over o.a. hun relatie tot de horenden.

We nestelen ons in de bestuurskamer van Effatha's hoofdgebouw. Na de broodmaaltijd even natafelen en praten over zijn werk als dovenpastor. Vertelt u eens iets over de beginfase. Ds. Lamme: "Het is eigenlijk begonnen in 1970. Een doof echtpaar wilde hun kindje door mij laten dopen. Ik zag daar geweldig tegen op. Niet tegen het dopen, maar ik ben gewend om vooraf met de doopouders een gesprek te hebben. Op dat moment ben ik me voor het eerst in de materie gaan verdiepen. De dienst liep uiteindelijk voortreffelijk mede dankzij het tolken van een leraar van Effatha. De tweede keer dat ik met doven te maken kreeg, was toen ik gevraagd werd in te vallen. In Delft worden wekelijks doven-diensten gehouden. Op een vrije zondag van mij werd een van de voorgangers ziek en de Interkerkelijke Commissie vroeg mij waar te nemen. De doven reageerden enthousiast en zeiden: 'Dominee Lamme is voor ons goed te volgen'. Derde punt. We zijn, in Delft, gewend om zes keer per jaar avondmaal te vieren. Drie van de zes avondmaalsdiensten zijn nu gecombineerde (voor doven en horenden) diensten. Ik weet nog heel goed dat na de eerste avondmaaldienst een doof echtpaar naar me toekwam en zei: "We zijn nu achttien jaar belijdend lid van de kerk en dit is voor het eerst dat we avondmaal hebben kunnen vieren' '.

Mag ik daaruit opmaken dat het dovenpastoraat een braakliggend terrein was of is?

Ds. Lamme: ' 'In die situatie is voor mij het contact met doven ontstaan. Zoiets blijft natuurlijk niet geheim. Want kort daarna ging ik in twee, drie dovendiensten voor in Zeeland. Maar het was géén braakliggend terrein! Het dovenpastoraat kwam toen voor het eerst binnen mijn gezichtsveld. Voordien waren er al meer predikanten mee bezig geweest. Ik zag dat er een dovengemeenschap bestond, maar dat er vanuit de kerk te weinig aandacht voor was".'

Vanaf januari 1975 komt er tussen de Gereformeerde, de Chr. Gereformeerde en de Hervormde Kerken een samenwerking tot stand m.b.t. het pastoraat onder doven.

'Ds. Lamme vertelt dat op dat moment een gevoel van dankbaarheid loskwam in de gemeenschap: "We horen erbij. De kerken zien het ook!" Ds. Lamme: "Voor veel doven was het ook erg belangrijk dat ze een 'echte' dominee kregen. Geen leraar, maar een geschoolde kracht".

Het contact met de horende broeders en zusters bleef natuurlijk een probleem.

Ds. Lamme: "De dove is door zijn handicap gewend om in een isolement te leven. Sommigen kijken daarom nog steeds huiverig tegen een gecombineerde dienst aan. Dat zou ook kunnen komen doordat hij zijn handicap (nog) niet geaccepteerd heeft. Het kan ook te maken hebben met het feit dat de dove in de kleine groep waarin hij leeft zijn eigen contacten heeft. De contacten met de horenden zijn moeilijk. Dus wat denkt de dove: 'Wat zullen we ons inspannen? ' Maar niet alle doven redenen zo. Want de belangstelling van de kant van de doven voor de gecombineerde diensten groeit. Ik probeer collega's te interesseren om zich mede in te spannen voor de dove medemens. Het is de bedoeling dat de dove datgene krijgt wat het horende kerklid ook krijgt op pastoraal gebied".

Wat gebeurt er dan op het terrein van het dovenpastoraat?­

Ds. Lamme: "In Nederland zijn er 20 interkerkelijke commissies die zich bezighouden met de doven. In de l.C.'s zitten vertegenwoordigers van de dovengemeenschap en de plaatselijke kerken. Ik zie de l.C. als het verlengstuk van de kerkeraad. Want wat doet zo'n l.C? Zij regelt het huisbezoek, de catechisaties, etc. Praktisch alle l.C.'s hebben hun maandelijkse bijbelkring. De l.C. verzorgt het ziekenbezoek en de preekdiensten. We hebben momenteel 23 preekplaatsen. Daarvan ziet één derde deel kans om elke week een dienst te organiseren, weer één derde deel organiseert om de twee weken een dovendienst en de rest doet dat eens in de maand. Je kunt daarom gerust stellen dat het hele dovenpastoraat staat of valt met die I.C.' s. Voor ons werk als dovenpastores zijn de l.C.-werkers van onschatbare waarde. Met hen wordt het hele pastoraat geregeld en uitgewerkt".

Ds. Lamme: "Het onderling contact is voor de dove van onschatbare waarde. Er is geen dienst waarbij geen koffie wordt gedronken. Juist omwille van dat belangrijke contact".

Wat kun je als horende daadwerkelijk doen om de afstand tot de doven kleiner te maken. En leeft die behoefte (aan nauwer contact) ook onder doven? Ds. Lamme: "Voor een deel is die behoefte er wel. Beslist. Daar staat tegenover dat er ook iets van: 'Ja, dat kunnen we wel graag willen, maar de horende wereld begrijpt ons toch niet'. Ik ken een dove die een heel goede baan heeft, gaat over een halfjaar in de VUT. Deze man vertelde mij laatst: 'Als ik daar weg ben, is het contact met de collega's ook direct afgelopen'. Met andere woorden: er is nooit wezenlijk contact geweest.

Wat de dove het hardst nodig heeft, is belangstelling. Je moet laten merken dat je gewoon in hem geïnteresseerd bent en dat je ook moeite wilt doen met hem om te gaan. Veel doven stuiten op horende mensen die er niet alleen niets van kunnen begrijpen, maar ook niets willen begrijpen. Er zijn veel horenden die met een grote boog om de doven heenlopen. Aan de andere kant moet ik ook zeggen dat er doven zijn die met dezelfde boog om de horenden heenlopen. Het zijn twee verschillende werelden. Terwijl je toch moet zeggen dat die dove best behoefte heeft aan erkenning van de horende. Ik denk dat doven vooral met het probleem zitten dat hun handicap niet gezien wordt. Dat maakt het probleem van de intergratie en het naar elkaar toegroeien allen maar groter.

Belangstelling hebben voor doven betekent dat je over een grote dosis geduld moet beschikken".'

Het is verheugend dat dit werk in meerdere gemeenten steeds meer aandacht krijgen. Diakonaal en pastoraal ligt hier een geweldige taak. En de integratie van de doven in de gemeente is een goede zaak. Een integratie die o.a. bevorderd wordt door diensten voor doven en horenden. Eigenlijk een vanzelfsprekende zaak. Want zij horen er immers volledig bij. En hoe meer we tot uitdrukking kunnen brengen in eredienst en gemeenteleven hoe beter dat is.

***

Cultuurcrisis en werkloosheid

Het laat zich verstaan dat er veel geschreven wordt over werk en werkloosheid. Het is immers hét economische en maatschappelijke probleem van deze jaren. En als we prof. Albeda mogen geloven is het einde van deze crisis nog niet in zicht. In Evangelische commentaar gaat de oud-voorzitter van het C.N.V., y. Lanser, in op de samenhang tussen werkloosheid en arbeidswaardering. We hebben, zo schrijft hij, de last te dragen van een verouderde arbeidscultuur. Een gedeelte uit zijn bijdrage:

'De huidige werkloosheid is zowel nationaal als internationaal een ernstig probleem. Een van de ernstigste na de laatste wereldoorlog. Geruime tijd al is er sprake van een stagnerende economische ontwikkeling. Deze is niet alleen van conjuncturele maar ook van structurele aard. Daardoor bestaat er een grote discrepantie tussen de vraag naar en het aanbod van arbeid. In ons land is die ontwikkeling versterkt doordat een toenemend percentage vrouwen deelneemt aan het arbeidsproces en toetreedt tot de arbeidsmarkt.

Berekeningen wijzen uit dat in de jaren tachtig een extra arbeidsaanbod van 50.000 kan worden verwacht. Bovendien wordt verwacht dat bij ongewijzigd beleid tenminste gemiddeld 30.000 arbeidsplaatsen per jaar in de marktsector verloren zullen gaan. Deze cijfers betekenen dat er gemiddeld per jaar 80.000 arbeidsplaatsen moeten worden gecreëerd. Lukt dat niet dan moet op minstens een miljoen werklozen in de tweede helft van de jaren tachtig worden gerekend.

Bij het sombere beeld van de heersende werkloosheid springt vooral de jeugdwerkloosheid in het oog. Vele jongeren ontbreekt het aan perspectief voor de toekomst. Ook ontberen zij de mogelijkheid om zich te bekwamen en ervaring op te doen. Maar ook voor vele ouderen is werkloos zijn een groot probleem.

Het verschijnsel werkloosheid is zwaar belast door de heersende ethiek van de arbeid. Mede daardoor is het een moeilijk en emotioneel probleem. Arbeid is vooral beschreven als roeping en plicht. Het beleven van verantwoordelijkheid door middel van arbeid kreeg sterke nadruk. Er diende gewoekerd te worden met tijd en talenten en zo werd de werkende mens van hogere waarde dan de spelende mens. De functies van arbeid werden breed uitgemeten. Arbeid als middel van de mens om zichzelf uit te drukken en te onplooien en daardoor vorm te geven aan zijn eigen bestaan en aan dat van anderen. Zo ontwikkelde zich een arbeidscultuur waarbij het werken een overheersende zingevende betekenis kreeg. De vrije tijd was daaraan ondergeschikt en had slechts de functie van randvoorwaarde om optimaal te kunnen werken. Die houding ten opzichte van arbeid, waarbij aan loon-en prestatiearbeid een overheersende zingevende rol wordt toegekend is kennelijk nog sterk aanwezig. Dat heeft een dramatisering van werkloosheid tot gevolg en dwingt de getroffenen hun houding daar naar te bepalen.

Daardoor ontstaan gevoelens van uitgestotenen te zijn, van isolement en zinloosheid, van twijfel aan eigenwaarde. Die gevoelens dienen ernstig te worden genomen. Maar daarbij moet dan wel bedacht worden dat die gevoelens in belangrijke mate mede worden bepaald door opvattingen die onze cultuur domineren.

Hoe de mensen het niet-werken beleven heeft te maken met wat mensen motiveert tot werken. De omvang en de aard van de werkloosheid stelt ons voor dringende vragen omtrent plaats en betekenis van werken. Vragen die worden versterkt door verwachtingen omtrent economische en technologische ontwikkelingen die geen ruimte bieden voor volledige werkgelegenheid. Dat betekent een crisis van ons arbeidsbestel maar ook een crisis van onze cultuur.

Voorgaande opmerkingen iiebben niet de bedoeling de waarde van de arbeid te ontkennen of te bagatelliseren. Het gaat erom dat het dringend nodig is tot een meer evenwichtige structurering en waardering van besteding van tijd te komen.

Arbeid had en heeft een belangrijke functie in het leven van de mens. Dat zal zeker zo blijven, al zal de plaats daarvan veranderen. En het is waar dat het menselijk bestaan juist menselijk wordt door ook te werken. Er is dus alle reden zich in te spannen voor een zodanige hoeveelheid en verdeling van inkomensverwervende arbeid dat ieder daaraan kan deelhebben.'

In het vervolg van zijn artikel gaat Lanser in op de vraag of een andere verdeling van de arbeid te bereiken is of dat we moeten uitgaan van de gedachten, dat het toch vechten tegen de bierkaai is. Lanser ontkent dit laatste. Hij wijst op arbeidstijdvea-korting en daaraan gepaard forse inkomensdaling. Maar hij is nuchter genoeg om te stellen dat zoiets niet abrupt kan. Jongeren zouden bij hun intrede in het arbeidsproces zich daarop van meet af aan moeten kunnen instellen. Opdat de sociaalculturele verhoudingen geleidelijk aan veranderen. Het is een interessante beschouwing die Lanser biedt. Ik meen dat het goed is als we binnen de kerken, ook in eigen gemeente voortdurend bezig zijn met de ethische vragen van arbeid en inkomen. Grondige informatie over wat zich in de maatschappij voordoet is belangrijk. Tegelijk besefik dat Lanser's verklaring een-beperkte is. We kunnen de cultuurcrisis m.b.t. tot de arbeid ook in ander licht bezien. Zijn we ten gevolge van de secularisatie in ons maatschappelijk bestel in vele opzichten noties als roeping, dienst, gemeenschap niet kwijt geraakt? Niet alleen structurele maatregelen zijn nodig. Ook een diepgaande mentaliteitsverandering. Binnen de christelijke gemeente zal vooral gevraagd dienen te worden: Hoe zien we ons werk in het licht van Gods geboden en beloften? Dat sluit nuchtere overweging ten aanzien van de practische problematiek niet uit. Wel kan het een eigen bijdrage van de kerk zijn aan de bezinning op de sociale vragen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat deze sociaal-ethische bezinning bepaald niet de sterkste kant is van de rechterflank van de gereformeerde gezindte. Soms stuit je zelfs op een liberale gezindheid onder de dekmantel van enkele forse principiële geluiden. Dat is voor God en de mensen onverwantwoord. Willen we het socialisme adequaat beantwoorden en wat onder ons vaak genoemd wordt: 'de dreiging van links' tegengaan, dan zullen we ons meer en meer moeten afvragen wat het getuigenis van het Evangelie tegenover kapitalisme, socialisme en liberalisme in de praktijk van elke dag betekent. We zullen dat niet als groepering op ons eentje kunnen doen. Wellicht ligt juist.hier voor een orgaan als de Evangelische Alliantie een taak om deze bezinning te stimuleren en te activeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1983

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

PDF Bekijken