Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Als mensen geen uitweg meer zien... (2)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Als mensen geen uitweg meer zien... (2)

(Over Suïcide)

7 minuten leestijd

Wat zeggen de statistieken over zelfmoord en zelfmoordpogingen? Bestaat er een relatie tussen het zelfmoordpercentage en leeftijd, geslacht, beroep, geografische situatie (stad/dorp) en kerkelijke achtergrond?

Omvang en uitbreiding

Nadat vorige keer iets geschreven is over het woordgebruik, willen we nu aandacht geven aan wat wel genoemd wordt de 'epidemiologie'. Het gaat dan om de omvang en de uitbreiding van het verschijnsel. Vragen als: wat zeggen de statistieken over zelfmoord en zelfmoordpogingen? Bestaat er een relatie tussen het zelfmoordpercentage en leeftijd, geslacht, beroep, geografische situatie (stad/dorp) en kerkelijke achtergrond?

Kuitert geeft in zijn boek ook een hoofdstuk met statistische gegevens. We kunnen niet om cijfers en tabellen heen, als we goed voor ogen willen krijgen waar we het over hebben en in welke orde van grootte we moeten denken bij het suïcide-vraagstuk. Enkele veelzeggende gegevens neem ik van Kuitert over. In het jaar 1978 pleegden er alleen al in de Verenigde Staten van Amerika 27.294 mensen suïcide, dat is ongeveer het inwoneraantal van een stad als Sneek. Het wereldgemiddelde ligt op ongeveer 13 suïcides per 100.000 mensen per jaar. Dat betekent dat er elk jaar zo'n 520.000 mensen door suïcide uit onze wereld verdwijnen. Een stad als Amsterdam wordt zo van de aardbodem weggevaagd! In Nederland verdwijnen per jaar 1557 mensen uit onze samenleving (cijfer van 1980). Er sterven meer mensen door suïcide dan door moord. Het aantal vrouwen dat tot suïcide overgaat is in Nederland, net als in alle andere landen, kleiner dan het aantal mannen. Er is een duidelijke toename van het aantal suïcides bij de jongere leeftijdsgroepen, met name in de categorie van 21-29 jarigen (bij de mannen 129 en 1976 en 178 in 1980; bij de vrouwen 61 in 1976 en 85 in 1980). Wat de wijze van uitvoering bereft, blijkt dat suïcide meestal door middel van zich ophangen plaatsvindt, terwijl het gebruik van verdovende middelen of andere vormen van vergif op de tweede plaats komt. Daar­ na volgen: zichzelf verdrinken, zichzelf voor de trein gooien of van een flatgebouw springen. De meeste middelen waarnaar suïcidanten grijpen hebben een gewelddadig karakter. Merkwaardig is dat het percentage suïcides in oorlogvoerende landen niet per se hoger behoeft te zijn dan dat in landen waar 'vrede' is. In Nederland lag het percentage in 1938 op 11,6 maar in 1944 (de hongerwinter!) op 7,4 (althans voor de mannen). Deprimerende politieke en maatschappelijke omstandigheden behoeven zeker niet 'automatisch' tot een hoger aantal suïcides te leiden!

Risicogroepen

Cijfers en tabellen kunnen ons helpen om zogenaamde 'risicogroepen' op het spoor te komen. Dat wil in dit verband zeggen: groepen waarin meer pogingen tot suïcide ondernomen worden dan in andere groepen. Zo komt in alle Europese landen zelfdoding het meeste voor bij personen van boven de 60 jaar en onder deze groep het meest bij mannen. De vrouwen zijn echter de laatste jaren met een 'inhaalmaneuvre' bezig. Overigens moet wel bedacht worden dat een toename van het aantal geregistreerde suïcides zeker niet gelijk behoeft te zijn aan de wérkelijke toename van het aantal zelfdodingen. Door de grotere openheid voor zelfdoding zal vandaag de dag een suïcide minder gauw gecamoufleerd worden en zal het dus minder vaak voorkomen dat er een andere doodsoorzaak wordt voorgewend. Aan dit en dergelijk cijfermateriaal zijn uiteraard breedvoerige en dikwijls ook interessante beschouwingen te verbinden. 'Zelfmoord komt meer voor in de ontwikkelde, dan in de ontwikkelingslanden; meer in de stad dan op het platteland; meer onder vrije en leidinggevende beroepen, dan bij andere; het allermeest onder academici; meer bij blanken dan bij andere rassen; meer bij protestanten dan bij katholieken; meer bij alleenstaanden en gescheidenen dan bij gehuwden; en verder meer bij ouderen, meer in vredestijd en meer in het voorjaar.' (Wolswinkel)

Suïcide en vervreemding

Eenzaamheid kenmerkt de zelfdoder. Waar iemand in het isolement raakt en niemand meer heeft die naar hem omziet, kan de gedachte aan suïcide een rol gaan spelen. Dat behoeft natuurlijk niet, maar het zal toch eerder gebeuren dan bijvoorbeeld bij iemand die gelukkig getrouwd is, in een hecht gezinsverband geïntegreerd is of ook anderszins goede sociale kontakten heeft. Drs. G. Sipkema heeft onlangs in een artikel het verband tussen 'vervreemding' en zelfdoding belicht (in de bundel 'Vervreemd hoezo? ', Kampen 1982, blz. 107-146). Hij wijst erop dat we het probleem onder ogen moeten zien dat het in de 'verzorgingsstaat' voor veel meer mensen dan vroeger mogelijk is geworden om oud, ziek en eenzaam te worden. Oude mensen kunnen zich uitgeschakeld en afgedankt voelen en met een voortdurend verlies aan kontakten ook het zicht op de zin van hun leven kwijtraken. Het niet goed funktioneren van de samenlevingsverbanden zoals met name huwelijk, gezin en familie, is een belangrijke faktor te achten bij de toename van het suïcide-percentage. Theorieën van de franse socioloog E. Dürkheim (vooral zijn boek Le Suïcide' uit 1897) bewijzen nog steeds hun geldingskracht. Dürkheim noemde vooral drie typen van zelfdodingen. De anomische zelfdoding die plaats vindt in een periode waarin de normen weinig steun geven en er ingrijpende maatschappelijke veranderingen zich voordoen; de altruïstische zelfdoding, waarbij mensen bereid zijn hun leven te geven voor groepsgenoten of voor bepaalde groepsidealen; de egoïstische zelfdoding, waarbij de betrokkene als het ware buiten het sociale leven staat en bij zijn daad dan ook met anderen niet of nauwelijks rekening houdt. Vooral de anomische zelfdoding is in het licht van de statistieken aktueel. Dürkheim heeft op z'n minst ten dele gelijk als hij beweert dat het cijfer voor zelfdoding lager is naarmate een maatschappij meer geïntegreerd is. Hoe hechter de levensverbanden, des te minder vallen er mensen uit de boot. Zo heeft de godsdienst een gemeenschapsvormende en daarom suïcide-voorkomende werking. Toenemende ontkerkelijking (of breder aangeduid: secularisatie) leidt tot hogere suïcidepercentages. Hoe kleiner de gezinnen en hoe losser de band in het gezin, des te minder gaat er van het huiselijk milieu een beschermende invloed tegen suïcide uit. Ook echtscheiding heeft een 'anomiserende' werking. Uiteraard geeft Dürkheim hier algemene aanduidingen, die zeker niet op ieder individueel geval toe te passen zijn. Maar Sipkema trekt toch terecht de conclusie: 'De anomische zelfdoding, de gekozen dood in een situatie van vervreemding, is zeker niet de enige kategorie, maar wél een heel belangrijke'. Van dit gegeven gaat een appèl uit aan het adres van onder andere de kerken. Het is van groot belang aandacht te besteden aan het vormen en onderhouden van hechte verbanden. Gezin, familie, kerkelijke gemeente, vriendenkring en buurt moeten mensen bewaren voor vereenzaming. Het probleem van de eenzaamheid en de zinloosheid is voor velen groot. Ze voelen zich eenzaam in de massa. Er is niemand die naar hen omziet. We hebben al te weinig 'oog voor elkaar'.

Zelfdoding bij jongeren

Ook mej. Rida Paardekoper wijst op deze zaken in een artikel 'Zelfdoding bij kinderen en jongeren' (Bijbel en wetenschap, 9-65). In de leeftijdscategorie van 12 tot 16 jaar begint zelfdoding betekenis te krijgen als doodsoorzaak. 'Vanaf 18-jarige leeftijd is suïcide een van de belangrijkste doodsoorzaken, met name in de westerse samenleving, waar in diverse landen zelfdoding de eerste of tweede plaats inneemt op de ranglijst van doodsoorzaken onder jongeren'. Een gewichtige achtergrond daarvan is het grote aantal ontwrichte gezinnen. Daardoor ontvangen de kinderen te weinig leiding en liefde. Soms is er daarnaast spra­ke van een onnatuurlijke prestatiedrang op de school of van werkloosheid die het leven als zinloos doet ervaren. Een extra risico lopen ook jongelui die 'anders' zijn: homoseksuele jongeren, drugsverslaafden, lelijke pubers, onhandige bonestaken en zovelen die in een 'identiteitscrisis' verkeren, die zichzelf niet kunnen accepteren. Een zekere 'verwenning' doet ook geen goed aan de zaak. In een wereld waar voor sommigen op materieel gebied nauwelijks 'neen' te koop is (was), is het moeilijk geworden met konflikten te leven, voor geluk te vechten en een zekere zelftucht in acht te nemen. Er wordt dan nogal eens een vluchtweg gekozen in allerlei vormen van verslaving, die op hun beurt tot suïcide aanleiding kungn geven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Als mensen geen uitweg meer zien... (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1984

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

PDF Bekijken