Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Wie zijn de bevindelijk gereformeerden?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wie zijn de bevindelijk gereformeerden?

Proefschrift C. S. L. Janse

10 minuten leestijd Arcering uitzetten

Veel aandacht is in de pers en daarbuiten gegeven aan de promotie op dinsdag 11 juni 11. van de heer C. S. L. Janse, hoofdredacteur van het Reformatorisch Dagblad, aan de Vrije Universiteit op het proefschrift, getiteld 'Bewaar het pand'. Daarin beschrijft hij de spanning tussen assimilatie (aanpassing) en persistentie (vasthoudendheid) bij de emancipatie (ontwikkeling) van de 'bevindelijk gereformeerden'.

In de rubriek Globaal Bekeken namen we enkele stellingen bij het proefschrift op en feliciteerden we de heer Janse reeds met de voltooiing van, deze studie, waardoor hij de graad van doctor in de sociale wetenschappen mag dragen. Met dit laatste is tevens al gezegd van welke aard het proefschrift is. Het is een sociologische benadering van een bevolkingsgroep. Zoals de emancipatie van de kerkelijk gereformeerden beschreven is door dr. J. Hendriks (in De emancipatie van de gereformeerden, Alphen a.d. Rijn, 1971), zo heeft dr. Janse het nu gedaan voor de bevindelijk gereformeerden en daarmee tegelijk afgerekend met de caricaturale boeken van Anne van de Meiden over de zwarte kousen kerken.

Janse geeft in zijn boek een uitvoerige beschrijving van de smalle gereformeerde gezindte, die hij als de bevindelijk-gereformeerden typeert. Hij had het daarmee moeilijker dan Hendriks, omdat deze over een afgebakend kerkgenootschap schreef. Janse moet zijn beschrijving richten op de veelheid van kerken, die genoemde gezindte rijk (of arm) is.

Wie behoren tot de bevindelijk gereformeerden? De schrijver rekent ertoe de onderscheiden oud-gereformeerden, de gereformeerde gemeenten (getweeëndeeld bij de scheuring van 1953), hervormd-gereformeerden (d.w.z. een deel van de Gereformeerde Bond) en een deel van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Van elk van de genoemde kerken of groeperingen geeft Janse in kort bestek een historische beschrijving, terwijl hij uitvoerig uit de bronnen put die in deze denominaties voorhanden zijn. Als zodanig aarzel ik niet het werk van Janse een standaardwerk te noemen, dat nog vaak geraadpleegd zal worden als het gaat om onderscheiden aspecten, die voor de gezindte, die Janse op het oog heeft, kenmerkend zijn.

Maar nogmaals, het is een sociologische studie en geen theologische.

Probleem

Bij dit laatste ligt dan ook direct het probleem. De vraag is namelijk of bevinding, bevindelijkheid in kaart te brengen is. Bevinding is op zich al geen locus in de dogmatiek. Bevinding is moeilijk te beschrijven, er is geen afgeronde definitie van te geven, omdat het begrip te maken heeft met de verborgen omgang met God, met de vreze des Heeren, met het werk van de Heilige Geest in het hart van de zondaar; en niemand weet vanwaar Hij komt of waar Hij heen gaat. Bevinding raakt de innerlijkheid van de mens. Gaat men dit beschrijven dan wordt het uiterlijk. Het onderwerpelijke wordt dan door de verwoording op zich al voorwerpelijk. Maar zonder daar nu al te lang bij stil te staan, er zijn kennelijk bijkomende factoren, die kenmerkend zijn voor die kringen, waar de bevinding in het leven des geloofs en derhalve ook in de prediking een plaats heeft. Welke factoren zijn dat?

Janse beseft (terecht) dat die factoren te maken hebben met de bijbelbeschouwing ('elk woord heeft goddelijk gezag voor alle tijden'), met de leer van de uitverkiezing, met bekering en de kenmerken daar van, de wedergeboorte, de leer van de voorzienigheid, de tien geboden als norm voor het christelijke leven. Maar intussen is het zo dat ieder, die bij de Schrift wil leven van het cardinale van deze zaken voor het leven van het geloof doordrongen zal zijn. Hoe verschillend worden deze zaken echter niet geduid in de diverse kerken en kringen, ook in die welke Janse beschrijven wil? Als men de kenmerken denkt te hebben, glippen ze als wezenlijke argumenten van bevindelijkheid tussen de vingers weg. In zijn onderzoek kan de auteur van dit proefschrift er dan ook weinig mee. Wil hij sociologisch materiaal in handen krijgen dan móet hij wel terecht komen bij een aantal uiterlijke kenmerken, die voor de bevindelijk gereformeerden gelden. Janse houdt het dan op een 'signalement van de bevindelijk gereformeerden'. Dit signalement betreft 'zowel het politiek en maatschappelijk gedrag als de kerkelijke riten, het taalgebruik en de kleding'.

Het signalement

Het signalement ziet er als volgt uit.

a. politiek en maatschappelijk gedrag - de SGP als de aangewezen politieke partij - het Reformatorisch Dagblad als de principieel meest verantwoorde krant - het afwijzen van de televisie

b. kerkelijke riten - het handhaven van de zondagsrust met als norm: tweemaal per zondag naar de kerk , - tijdens de kerkdiensten worden-nietritmisch en (betrekkelijk) langzaam - vrijwel uitsluitend psalmen gezongen - relatief weinig gemeenteleden nemen aan het avondmaal deel

c. taalgebruik - een sterke voorkeur voor de statenvertaling van de Bijbel - voor geestelijke zaken bestaat een eigen (archaïsche) woordenschat: de tale Kanaäns - ter aanduiding van God gebruikt men het woord 'Heere' in plaats van Heer of Here

d. kleding - vrouwen en meisjes hebben tijdens de kerkdienst een hoofddeksel op - de predikanten gaan ook door de week in het zwart gekleed.

Janse beseft dat hij bij de groeperingen, die hij beschrijft, met onderscheid en voorzichtigheid te werk moet gaan. Hier volgt zijn nadere omschrijving van het signalement. De bevindelijk gereformeerden onderscheiden zich van anderen door een aantal uiterlijk waarneembare kenmerken. Zo bijv. op het punt van de kleding. Hun predikanten worden geacht zondags en door de week in het zwart te gaan. Ook de oudere generatie - althans bij de rechtervleugel van de bevindelijk gereformeerden - kleedt zich vaak in donkere (zwarte of grijze) kleding. De anderen houden zich veelal toch wat afzijdig van allerlei modetrends. Zeker tijdens de kerkdiensten dragen vrouwen en meisjes geen 'mannenkleding' (lange broeken, broekpakken). Ook op reformatorische scholen is dit veelal niet toegestaan. Tijdens de kerkdiensten hebben de kerkgangers van het vrouwelijk geslacht een hoofddeksel op. Zeker bij de rechtervleugel van de bevindelijk gereformeerden is ook het lange haar van meisjes en vrouwen kenmerkend.

Een ander waarneembaar kenmerk is het ontbreken van televisie. Verder moet hier de zondagsbesteding genoemd worden, waarbij men als regel tweemaal ter kerke gaat. In de kerkdienst zingt men vrijwel geen gezangen en zingt men evenmin uit de nieuwe psalmberijming, maar worden psalmen uit de berijming van 1773 (of die van Datheen) niet-ritmisch en (tamelijk) langzaam gezongen. In en buiten de kerkdiensten gebruikt men uitsluitend de statenvertahng van de Bijbel. Ter aanduiding van God gebruikt men wel het woord Heere, maar niet Heer of Here (Graafland, z.j., pag. 51).

Door al deze uiterlijke kenmerken (men spreekt ook wel van schibbolets) manifesteren de bevindelijk gereformeerden zich als een herkenbare groepering die zich in allerlei opzichten van de anderen onderscheidt. Tegelijkertijd moeten we er echter op wijzen dat dergelijke kenmerken, die door de maatschappij negatief gewaardeerd worden ('gek gevonden worden'), uit een oogpunt van sociale persistentie ook averechts kunnen werken, doordat zij bij de randleden de aversie tegen de groepering vergroten, Vooral de jongere generatie is geneigd om zich tegen dergelijke stigmatiserende en vrijheidsbelemmerende kenmerken te verzetten en zich daarvan te ontdoen.

Rechts en links

Welnu, het enige dat rest om het signalement te nuanceren is het onderscheiden van een linker- en een rechtervleugel. Diegenen, die niet of niet meer aan de (alle) kenmerken voldoen heten voortaan links bevindelijk gereformeerd, de anderen rechts bevindelijk gereformeerd.

Janse heeft ouders en leerlingen van reformatorische scholen op genoemd signalement geënquêteerd en op grond van de uitslag komt hij tot de conclusie, dat er sprake is van verschuivingen in de onderscheiden kerkgenootschappen en ook in de generaties (voor jongeren gelden de kenmerken veel minder dan voor de ouderen). En zó komt hij, óók mede op grond van bereidheid tot samenwerking met andere orthodoxe christenen van de onderscheiden kerkgenootschappen tot de onderscheiding van links en rechts. Voor de Gereformeerde Gemeenten heet het: 'Over het geheel genomen krijgen we wel de indruk dat de Gereformeerde Gemeenten na de scheuring van 1953 in toenemende mate vervreemd zijn geraakt van de rechtervleugel van de bevindelijk gereformeerden en dichter bij de linkervleugel zijn komen te staan'.

Van de Gereformeerde Bond wordt eerst gezegd: 'uiteraard kunnen lang niet alle Gereformeerde Bonders tot de door ons onderscheiden groepering der bevindelijk gereformeerden gerekend worden'.

Maar voorzover ze er wel toegerekend worden krijgt ook de Gereformeerde Bond het stigma van links-bevindelijk.

Onhoudbaar

Me dunkt echter dat het gehanteerde signalement voor bevindelijkheid onhoudbaar is. Ik kan er niet aan denken hier de elementen van het onderzoek gedetailleerd voor het voetlicht te halen. Men leze daartoe het doorwrochte en goed leesbare proefschrift zélf. Maar als ik als totaalwaardering het woord onhoudbaar gebruik dan bedoel ik dit met betrekking tot de typering van bevinding of bevindelijkheid, zonder dat ik de waarde van de criteria op zich beoordeel. We hebben het al meegemaakt dat in de afgelopen decennia de kwalificatie reformatorisch in toenemende mate is opgeëist voor de groeperingen door Janse bedoeld. Janse beseft zelf wel dat daaraan bezwaren zitten, al is het alleen.al om het daarmee prijsgeven van de benaming gereformeerd (p. 65). Maar als het om alle gehanteerde kenmerken gaat kan men zich afvragen óf de reformatoren wel reformatorisch waren. Als dit nu ook gaat geschieden voor de bevinding, de bevindelijkheid dan moet opnieuw gesproken worden van een verarming.

Janse had beter zijn signalement als uitgangspunt voor een bepaalde gezindte kunnen nemen en dan nagaan hoe hier van verschuiving sprake is. Maar om er de benaming bevindelijk aan te koppelen, nee...

Hoevelen zouden er niet zijn, die bepaald niet aan alle kenmerken voldoen en die toch uiterst bevindelijk leven! Die weet hebben van het werk van de Heilige Geest in hart en leven. En hoevelen zouden er niet zijn, die aan de uiterlijke kenmerken helemaal voldoen en die niet bevindelijk leven! Die zeggen er 'geen kennis aan te hebben' en over gaan tot de orde van de dag. Wat dit betreft is het pijnlijk als Janse als kriterium b.v. hanteert de geringe deelname aan het avondmaal.

Het hangt bovendien juist met emancipatie samen dat kenmerken als de genoemde (zelf-)kritisch worden bekeken. Is het stemmen op een bepaalde partij of het sturen van de kinderen naar een bepaalde school Wel onlosmakelijk verbonden met bijbels bepaalde identiteit? En hoe zit dat precies met de kleding?

Er zit in de kringen zelf, die Janse beschrijft, óók ontwikkeling. Waarom heeft hij bij het signalement niet ook expliciet opgenomen zwarte kledij voor de gemeenteleden en lang haar voor de meisjes of het bezit van radio, standpunt t.o.v. verzekering en vaccinatie, om slechts enkele dingen te noemen? Al komen deze dingen impliciet wel aan de orde. En waarom zouden roken en drinken ook niet onder de kriteria mogen vallen of luxe of geld (of is hier een manco in 'onze kringen'? ).

Ik citeer hier echter ook Janse zélf nog een keer! Bij de 'beleidsadviezen' zegt hij: 'Als beleidsadvies zouden we hier willen formuleren dat met name leidinggevenden in bevindelijk gereformeerde kring er goed aan zouden om niet te gemakkelijk allerlei traditionele opvattingen en gedragingen als essentieel voor de eigen identiteit te presenteren'. In hoeverre vallen hier ook de in dit proefschrift gehanteerde kriteria onder?

Andere gronden

Laten we het erop houden dat bevinding op andere gronden gegrond moet worden. Als we dat niet bedenken moet emancipatie onvermijdelijk leiden tot afname van bevindelijkheid. Dan zou het ontstaan van allerlei reformatorische instituten en organen binnen de kringen, die Janse beschrijft, zelfs de uitholling van het bevindelijke element kunnen bevorderen. Dat mag ons intussen een zorg zijn. Want de verschijnselen van afname van het bevindelijke element zien we helaas wèl. Maar waar de Geest des Heeren werkt zal bevinding des geloofs een wezenlijk element zijn en blijven en ook een kerk-en gemeentebewarend element vormen.

Nog één opmerking tenslotte. Hopelijk gaan de kriteria door Janse genoemd niet her en der als loutere detectiekriteria gelden voor het al of niet bevindelijk zijn.

Maar nogmaals, proficiat aan de heer Janse voor zijn gedegen werkstuk. En de uitgever voor de fraaie uitvoering.

V. d. G.

N.a.v. C. S. L. Janse: 'Bewaar het pand', uitgave Den Hertog B.V., Houten, 348 pag., ƒ 79, —.

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1985

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Wie zijn de bevindelijk gereformeerden?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1985

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's