Bekijk het origineel

De geest van onze schuldbelijdenis

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De geest van onze schuldbelijdenis

8 minuten leestijd

Oppervlakkig

Het is van groot belang in een juiste gesteldheid onze zonden te belijden. Stelt u zich eens vóór, dat iemand u op grievende manier had beledigd en nu kwam hij tot u' en erkende u zijn overtreding in vage, dubbelzinnige woorden. Hij was uiterst luidruchtig in zijn gesprek met u, zat intussen almaar door naar buiten te kijken. Kwam op een heel ander onderwerp en beleed zo maar in het voorbijgaan wat er was gepasseerd zonder enig leedgevoel. Wat dunkt u, zou dat niet uw woede gaande maken? U gevoelt dan instinctief, dat de man in kwestie om de zaak heendraait en er feitelijk niets van meent. U begrijpt, dat het goed is ons ook eens rekenschap te geven van de oprechtheid van een schuldbelijdenis. Waaraan is deze te herkennen?

Eerlijk

Het eerste punt van belang is volkomen eerlijkheid. Tegenover God zullen wij niet kunnen huichelen. Oprecht geworden tegenover onszelf, zijn wij ook oprecht geworden tegenover Hem, die alles ziet. Wij verbergen onze overtreding niet zoals Adam dat deed. Alle geveinsdheid en gemaaktheid is verdwenen. Wij houden ons voor de Heere niet beter dan wij zijn. Onze echte bede is het in ons hart: Heere, laat ons al onze zonden in het licht van Uw Woord zien. Dan kunnen wij ze aan U allemaal belijden. Het doet ons zo'n groot verdriet, dat onze belijdenis nog zo weinig omvat. Wij gevoelen toch, dat wij meer kwaad gedaan hebben dan wij bij benadering weten. Onze openheid en openhartigheid voor God wordt verdiept door de gedachte, dat Deze toch alles weet wat wij mensen hebben gedaan. De Heere is volmaakt bekend met onze motieven en bedoelingen. Intussen, Gods alwetendheid is niet nodig om ons tot belijdenis van onze zonden te brengen. Het gebeurt geheel vanzelf. Ons gebroken hart dringt ons om als een open boek te worden tegenover God en Hem al onze zonden uit te spreken. De oprechte belijders - zoeken hun zonde bij God niet te excuseren. Dat doen alleen de onoprechten en de huichelaars en de sleurchristenen. Het is een eigenschap van hen om de zonde zo lang mogelijk te verbergen. Kunnen zij dat niet langer, dan pogen ze tenminste die zoveel mogelijk te verschonen. En daarvoor hebben zij veel wegen. De schuld wordt geworpen op de verleiding van de duivel. Vervolgens op de macht van de verzoeking. Ze komen aandragen met Adam. Ze weten zowaar ook nog een oorzaak van verontschuldiging te ontlenen aan hun ei-

gen machteloosheid om het goede te doen. Dat klinkt natuurlijk al heel vroom. Maar, in de grond van de zaak zijn al deze verontschuldigingen alleen maar beschuldigingen aan het adres van God. Wie zijn zonden eerlijk belijdt, komt daar niet mee aandragen. Hij heeft een andere weg te gaan.

Schuldig

Satan zou over ons zulk een macht niet hebben, wanneer wij hem geen macht over ons hadden verleend. In de verzoeking ontvangen wij de billijke straf voor de vermetelheid, waannee wij al die verontschuldigingen aanhangen en biddeloos aankleven. Wij moeten goed weten: wat Adam uit ons maakte, zijn wij niet tegen maar mèt onze wil. Ons weerstandsvermogen tegen bepaalde zonden zou veel sterker zijn, wanneer wij deze niet overmachtig hadden gemaakt door ze steeds ter wille te zijn. Waarmee zullen wij ons dan excuseren? De belijder weet wel, dat het in Gods oordeel niet hetzelfde is, of hij al dan niet tegen beter weten in zondigde. Ook is hem bekend, dat God met de macht van de verzoeking en de zwakheid van het vlees rekening houdt. Maar deze wetenschap troost hem slechts voorzover zij hem leert, dat zijn zonden niet onvergefelijk zijn. In geen enkel geval geeft zij hem oorzaak om zijn zonde gering te achten. De oprechte belijder heeft een mishagen aan zichzelf vanwege zijn zonde. Het is niet genoeg een mishagen aan de zonden geheel in het algemeen te hebben. Dat had David ook zolang hij ze in anderen zag. Er is een diepere weg te gaan. Wij behoren een mishagen aan onszelf te hebben vanwege onze zonden. Hier wordt bedoeld een droeftieid naar God, die er van getuigt, dat wij het met de Heere eens geworden zijn. Bij het ontdekkend licht van Gods Woord en Geest zijn wij aan onszelf bekend gemaakt. Wij zijn bedroefd, omdat wij God door onze zonden beledigd hebben. Dan veroordelen en mishagen wij onszelf Dan is er een vragen naar de weg, waarlangs wij met de eeuwige God vrede mogen vinden. Een honger en een dorst naar de gerechtigheid. Een ieder zal het wel verstaan, wanneer wij wel belijden gezondigd te hebben, maar voorts onze lust aan onszelf behouden, even hoogmoedig en zelfzuchtig; even prikkelbaar en onhandelbaar zijn als altijd en het oud vertrouwen op onze wijsheid handhaven met het streven om geprezen te worden — néén, dan zijn wij geen echte boetvaardige mensen.

Diepte

Wij hebben nooit beseft wat het zegt gezondigd te hebben tegen de allerhoogste majesteit van God, als wij ons nog even vreemd houden als tevoren ingeval God ons door kastijdingen vernedert en denken dat Hij er ons onrecht door aandoet. Nooit beseft hebben wij zondaren te zijn, als de prediking van Gods heilig recht weerzin of weerspraak bij ons opwekt. Geen inzicht hebben wij ooit gehad in het wezen der zonde als wij voortgaan met ons vlees te sparen en dermate te verzorgen, dat diens eisen steeds groter worden. Wij dringen niet dóór in diepten van schuldbesef als wij gedreven worden door de waan dat ons een weelderig leven toekomt. Wie evenwel' hiervan een weinig leert kennen, kan zichzelf niet meer vleien. Zo één keert het gezicht van zichzelf af en raakt de lust aan zichzelf kwijt. Nu moet u evenwel pppassen hier dóór te gaan vloeien. Er is hier nogal eens sprake van valse lijdelijkheid. Men gaat passief worden. Dat is niet de bedoeling. Men moet niet ophouden belang in zichzelf te stellen. Weet u waarom niet? Omdat God in ons belang stelt. De rechte lust aan onszelf is die, welke in Gods lust aan ons wortelt. Dat is de ware, geheiligde zelfliefde. Echte zelfliefde is een bij uitstek geoorloofde zaak. Het is de natuurlijke drang om in zijn bestaan te volharden. In de goedgeschapen mens werkte die drang spontaan en was de zelfliefde aan de liefde tot God ondergeschikt. In de gevallen mens is de zelfliefde tot zelfzucht ontaard. In de vernieuwde mens wordt zij door genade weer hersteld en aan de liefde tot God onderworpen.

Schaamte

De oprechte belijder belijdt zijn zonde met schaamte voor Gods aangezicht. Deze schaamte past ons, wanneer wij voor God onze zonden belijden. Hier houden al onze uitvluchten op. Het is een heilige verlegenheid, die ons met de tollenaar de ogen naar beneden laat houden. En — ofschoon |het een vernedering is voor ons het kleed van onze verontschuldiging af te leggen — wij mogen onszelf niet sparen. Wij moeten door het dal van de verootmoediging heen. Wij hebben toch geen eer meer, die wij tegenover de Heere zouden kunnen ophouden. Onze eerloosheid is voor God openbaar. Het is zelfs onze eigen schuld, dat wij Zijn heerlijkheid missen. Daarom moet een ieder staan naar de schaamte, die ons overkomt, wanneer wij onze zonden in het licht van Gods heiligheid bezien. Zo levendig moet deze schaamte worden, dat wij haar niet kunnen dragen, maar uitzien naar de bedekking van onze schande, die ons gegeven is in de gerechtigheid van God in Christus. Dat is een zeker teken van de bekering tot zaligheid. Gemist wordt deze schaamte bij een lippenbelijdenis of daar waar wij in een uitwendige sleur voortgaan. Daar is slechts vreze en schrik, geen verbreking van hart.

Gelijkgeven

Er is nog één element in de oprechte schuldbelijdenis, dat nog moet worden aangestipt. Wij moeten God onze zonden belijden met de bedoeling om Hem tegenover ons in het gelijk te stellen. Het is al een menselijke drang om ons ongelijk aan de verongelijkten te erkennen. Zou dan een echt van zijn zonde overtuigd mens rust kunnen hebben, vóór hij door belijdenis van zijn ongelijk God gerechtvaardigd had? Schuld belijden is op zichzelf van grote waarde. Wij komen er eerlijk voor uit, dat wij voor God ongelijk hadden. Zulk een erkentenis maakt wel in geen enkel opzicht het bedreven kwaad goed. Het geeft geen aanspraak op vergiffenis. Maar wie zijn zonden eerlijk voor God belijdt, herstelt toch om zo te spreken een verbroken rechtsorde. Er is wel een kostelijke belofte aan verbonden. Indien wij onze zonden belijden. Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1988

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De geest van onze schuldbelijdenis

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1988

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

PDF Bekijken