Door een spiegel in een duistere rede
'Niemand heeft ooit God gezien, de eniggeboren Zoon, die in de schoot des Vaders is Die heeft Hem ons verklaard' (Joh. 1 : 18). Dit Schriftwoord mag dunkt me wel de verklaring heten van de tekst 1 Cor. 13 : 12, waaraan de titel van dit artikel is ontleend. 'Want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend ben.'
Wat is de spiegel, genoemd in deze tekst anders dan de dienst van het Woord Gods? Calvijn zegt:
'De dienst des Woords, zeg ik, is aan een spiegel gelijk. Want de engelen behoeven noch prediking noch andere lagere hulpmiddelen, noch sacramenten: want zij genieten een andere aanschouwing Gods, en God vertoont hun Zijn aanschijn niet alleen in een spiegel maar vertoont Zich hun openlijk tegenwoordig'.
En die 'duistere rede' dan (een donker woord, vertaalde Luther)? Opnieuw Calvijn:
'Dit gezicht noemt Paulus hier duister, niet omdat het twijfelachtig of bedriegelijk is, maar omdat het minder zichtbaar is dan wat eenmaal ten jongsten dage zal wezen'.
Zolang we immers in dit lichaam wonen 'wonen we uit van de Heere'. We wandelen derhalve als gelovige mensen in dit leven louter door geloof en niet door aanschouwen.
Perspicuïtas
De Reformatie heeft ooit krachtig de perspicuïtas, de doorzichtigheid van de Heilige Schrift beleden. Calvijn spreekt bij zijn uitleg van 1 Cor. 13 : 12 dan ook nadrukkelijk over de 'klaarheid van de wet en van de ganse Schrift en voornamelijk van het Evangelie'. We hebben een duidelijke Openbaring in het Woord Gods en 'er is niets bewimpeld of verward om ons twijfelachtig te houden', zegt hij.
Maar déze klaarheid is nog niets in vergelijking met wat Gods kinderen te wachten staat. Nu kennen we ten dele. Omdat we in het hier en nu niet verder komen dan geloof, hoop en liefde is er, in vergelijking met de eeuwige zaligheid en heerlijkheid, sprake van een 'duistere rede'. Eenmaal, in de toekomst, na de wederkomst, zal er pas volkomen heerlijkheid en dan ook volkomen lofzegging zijn.
Overbekend
Het zijn op zich overbekende Schriftwoorden, waaraan we hier aandacht geven. In tijden, waarin kerkelijke problemen zich soms ophopen, is het echter goed om dergelijke Schriftplaatsen in herinnering te roepen.
Sommige vertalingen geven in plaats van duistere rede 'raadselen'. Ook die betekenis heeft haar eigen waarde. In de immense problemen en noden in de wereld bijvoorbeeld komen zoveel dingen ons als raadselen voor. Gods weg was in de zee en Zijn voetstappen werden niet bekend (Ps. 77 : 20). Dat Schriftwoord komt op ons af als we de vele en velerlei verschrikkingen in de wereld zien. Bij een vliegramp ook, die ongeveer boven Huizen begon, maar effectief werd in Amsterdam.
Als de wereld dan vraagt hoe dat allemaal kan, wanneer God bestaat en wanneer Hij liefde is, dan is er ook voor de christen inzake Gods weg in de geschiedenis veel, dat raadselachtig is. Maar dat Hij nochtans liefde is blijft voor het geloof recht overeind.
Als in 1 Cor. 13 Paulus dan ook afsluit met de woorden 'maar de meeste van deze is de liefde', zegt Calvijn, dat voor de gelovige zélf 'hoop en geloof nuttig zijn, maar dat de liefde zich uitstrekt tot de ànder'. Bij veel verschrikkingen in de wereld moeten we dan ook eerder de vraag naar ménselijke liefde stellen dan naar Góds liefde.
Het geloof en de hoop dienen intussen – nog éénmaal Calvijn – voor de christende on-volmaaktheid maar 'de liefde zal ook in de staat der volmaaktheid blijven'. Dan, in de staat der volmaaktheid, zullen we pas ten volle zien, dat God eeuwige liefde is. Neem dit geloof in Gods liefde weg en er blijft ook van de hoop niets over. Daarom kent het geloof hoop op de eeuwige heerlijkheid. Dan namelijk, als wij aangezicht tot aangezicht met de Eeuwige zullen staan en we zullen kennen zoals wij in dit leven al gekend zijn, zijn de raadselen weg en zal blijken, dat het geloof nochtans wereldoverwinnend was (1 Joh. 5 : 4).
De kerk
Als Calvijn echter zo vermetel over de klaarheid van het Woord Gods spreekt, van waaruit we God in het geloof mogen kennen, dan mag daaruit niet geconcludeerd worden, dat het Woord Gods simpel is, ook niet in het verstaan voor de kerk. Met name als het over de toepassing gaat, ook in het leven van elke dag, blijken er door de tijden heen grote moeiten te zijn geweest inzake het richting geven aan het (kerkelijk) leven bij het licht van het Woord Gods. Het Woord Gods is genoegzaam voor onze zaligheid. Maar als wij 'door een spiegel als in een duistere rede zien', dan blijkt dat ook telkens dáárin waar te zijn, dat de spiegel, wat ons verstáán van de Schrift betreft, beslagen is, omdat ons verstand verduisterd is. Dat wordt de eeuwen door dan ook duidelijk in genoemde 'dienst des Woords', dus de prediking.
In de begintijd van het christendom moesten concilies zich al buigen over bepaalde dogmatische vragen, b.v. inzake de twee naturen van Christus of de drieëenheid. Dwalingen lagen immers toen al op de loer wat betreft de dienst des Woords.
En telkens weer kwam het tot schisma's, omdat de bril van mensen beslagen was als ze het Woord Gods kennelijk verschillend lazen en daarom zelfs met elkaar slaags raakten over 'de waarheid'.
Soms is het heel hardhandig toegegaan, b.v. als we denken aan het boek der martelaren (maar daarin gaat het vooral om wat de wereld de kerk aandeed), maar ook als we denken aan de ketterprocessen, die in naam der kerk en dus uit hoofde van het verstaan van het Woord Gods plaatsvonden.
De Schrift zelf mag dan klaar en helder zijn als het gaat om de weg voor het kennen van God in het Aangezicht van Christus, maar òns kennen is ten dele.
Vandaag
We behoeven intussen niet zo ver naar het verleden om te constateren, dat ons kennen ten dele is. Ik laat nu terzijde christenen, die de Bijbel hebben gereduceerd tot een menselijk boek, waarmee men vrijelijk en kritisch kan omgaan. Kerken zijn er aan stuk gegaan en gáán er ook vandaag aan stuk. Met het gevolg b.v., dat de christelijke hoop wordt omgebogen tot 'er is een hoop te doen' (Kerkendag 1992). Dan is er geen hoop meer.
Maar óók als de Schrift voluit beleden wordt als bron van Gods Openbaring en er geen tittel of jota van het Woord wordt afgedaan, óók als voluit beleden wordt, dat alleen via de Schrift God Zichzelf laat kennen aan mensen, er sprake kan zijn van extra aanscherping van de 'duistere rede' met betrekking tot het verstáán en de vertolking van de Schrift.
Het moet – om een voorbeeld te noemen – toch eigenlijk beschamend heten, dat vóór en ná gediscussieerd wordt over de vraag of de kwestie van de toeeigening des heils kerkscheidend mag zijn. Ik weet, dat ik een versimpeling toepas als ik vanuit 1 Cor. 13 nog eens het woord onderstreept: 'maar nu blijft geloof, hoop en liefde'. Méér niet. En: de meeste van deze is de liefde. Mínder niet. De veelheid van 'Schriftgetrouwe' kerken, en groepen betekent echter, dat juist die liefde heel vaak onder spanning staat.
Daarom, zowel als we vandaag de 'grote' beweging Samen op Weg zien, maar ook als men een nog niet eens begonnen 'kleine' beweging 'Samen op Weg' overweegt, kan men soms op bepaalde momenten denken: het wordt met de kerk nooit meer wat. Er is veel te veel gebeurd, dat scheiding maakte en de onderlinge liefde deed verkoelen of waardoor de waarheid ten onder werd gehouden. De fragmentatie gaat nog steeds verder. Telkens weer staan zonen van hetzelfde huis tegenover elkaar.
We moeten er intussen dunkt me rekening mee houden, dat als de liefde ('de meeste van deze') verkoelt, ook het geloof en de hoop verduisterd kunnen worden. Dan zou de toepassing van 1 Cor. 13 ook hierin kunnen bestaan, dat we een duisternis over onze ziel halen inzake de kennis van God, die Zichzelf nochtans klaar heeft geopenbaard in Zijn Woord.
Daarom nog twee Schriftwoorden van de apostel Johannes.
'Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij geopenbaard zal zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.' (1 Joh. 3 : 2).
'Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, omdat wij de broeders liefhebben; die zijn broeder niet liefheeft, blijft in de dood' (1 Joh. 3 : 14).
Liefde vàn en tòt God komt ook hier al openbaar, ook in (kerkelijk) moeilijke tijden. Laten we elkaar vandaag bemoedigen, in de wetenschap dat het klare verstaan van het klare Woord in de gemeente dank zij de dienst des Woords verder moet gaan. Zo niet dan rest de verduistering.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1992
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1992
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's