Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het algemeen priesterschap der gelovigen (1)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het algemeen priesterschap der gelovigen (1)

9 minuten leestijd

Lezing, gehouden te Nijkerk op 2 mei 1995 voor de contactdag van kandidaten in de theologie en predikanten in hun eerste gemeente met hun verloofde of echtgenote.

Maarten Luther schreef eens in zijn beroemde open brief 'Aan de Adel der Duitse natie over de verbetering van de maatschappelijke toestanden' (1520):

Paus of bisschop is niet meer dan de geringste priester en deze niet meer dan een gewoon christenmens, al was het vrouw of kind, want ieder die uit de doop gekropen is, is priester en kan de naaste, die hem zijn schuld belijdt, in naam van God de zonde vergeven.

Luther, in zijn strijd tegen het pausdom en de bisschoppelijke macht, die de vrijheid van de christenen belemmerden.

Niet alleen bij Luther, maar ook bij de andere reformatoren is de zaak waar het ons vanmiddag om te doen is een werkelijkheid.

Het algemeen priesterschap van alle leden van de gemeente. De directe omgang van God en mens. De gelovigen zijn sinds Christus' volbracht werk niet meer aangewezen op het werk van de priester ter bemiddeling.

Dat we de zaak van het algemeen priesterschap van de gelovige aan de orde stellen heeft alles te maken met de aandacht die de laatste jaren gekomen is voor de vernieuwing en de opbouw van de gemeente. De opbouw van de gemeente zal niet alleen de taak van de dominee zijn, die dan terzijde gestaan wordt door ouderlingen en diakenen. Er is ook de roeping van gemeenteleden, die als mondige christenen beloofd hebben om mee te helpen aan de opbouw van de gemeente; de gemeente die ook geroepen is tot getuigen en dienen in de wereld.

­ Schriftgegevens

Centraal staat de tekst uit de eerste brief van Petrus, 1 Petrus 2 : 9:

Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoud verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duistenis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht.

Wat is de betekenis van 1 Petrus 2 : 9? Het gedeelte waarin deze tekst staat bevat citaten en zinspelingen op het Oude Testament. De woorden 'koninklijk priesterdom' en 'heilig volk' worden in Exodus 19 : 6 gebruikt: en gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk zijn.

De benamingen 'uitverkoren geslacht' en 'verkregen volk' vinden we terug in Jesaja 43 : 20b-2l: want Ik zal in de woestijn wateren geven, en rivieren in de wildernis, om Mijn volk, Mijn uitverkorenen drinken te geven. Dat volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen.

Het verrassende van Petrus' woorden is dat hij de nieuwtestamentische gemeente belicht vanuit het Oude Testament. De apostel laat zien dat wat onder het Oude Verbond op Israël betrekking had, betrokken mag worden op de gemeente van het Nieuwe Verbond, bestaande uit joden en heidenen. Door het werk van Christus heeft de nieuwtestamentische gemeente deel gekregen aan de aan Israël toegezegde voorrechten en zegeningen. Vooral dat eerste, een priesterlijk koninkrijk, vraagt onze aandacht.

We weten dat in het Oude Testament er een uitgebreide priesterklasse was, gevormd door vele families, die alle op Aaron teruggingen.

De priesters hadden vnl. twee taken: de offers brengen en voorbede doen. De offers werden door de priesters op het altaar gebracht. De priesterdienst symboliseerde de afstand tussen God en mens. In het heiligdom, waar zij hun taak verrichtten, mochten de gewone mensen niet komen. Zij stonden buiten, in de voorhof Het contact met God werd door de priester bemiddeld. Geen wonder dat de priester ook voorbidder was. Hij stond als het ware dichter bij God doordat hij het offer op het altaar bracht.

Maar in de volheid des tijds heeft God Zijn Zoon in de wereld gezonden. Onze hoogste Profeet, onze enige Priester, Hogepriester! Met Zijn offer aan het kruis op Golgotha is alles radicaal veranderd. Het voorhangsel scheurde. De priesterdienst naar de ordening van Aaron had een einde genomen. De priesters konden om zo te zeggen 'inpakken en wegwezen'.

Christus' offer was genoeg om de schuld te verzoenen. Voor de priester bleef geen plaats meer over. Geen aanvulling van Het offer is nodig.

Het offer van de Zoon behaagt de Vader. Jerus riep: het is Volbracht.

De Vader nam het aan: Pasen. Het offer van Christus is volkomen. Het behoeft geen aanvulling en vraagt niet om herhaling.

En nu wordt voor de nieuwtestamentische gemeente die priestemaam weer gebruikt. Een koninklijk priesterdom. De Nieuwe Vertaling heeft: een koninkrijk van priesters.

De HEERE is Israels Koning. Israël is onder de volkeren apart gezet, geheiligd en al de Israëlieten zijn in een bepaalde zin priesters.

Heel het volksleven zal een eredienst moeten zijn voor de HEERE en daarbij de roeping om Zijn Naam onder de volkeren bekend te maken.

Wanneer we Jesaja 61 : 6 lezen: doch gijlieden zult priesters des HEEREN heten, en men zal u dienaren onzes Gods noemen...

dan is het duidelijk dat al in het Oude Testament de Israëlieten als priesters in eredienst en leven in de dienst van de HEERE staan. En dat daarbij ook een missionaire taak gegeven is: getuige van Gods glorie onder de volkeren.

Dus:1 Petrus 2 : 9 hebben we te verstaan tegen de achtergrond van het Oude Testament. De gemeente vormt Gods kroondomein, een priesterlijk lichaam. Gods kroondomein, dat wil in het licht van kruisdood en opstanding zeggen: de gemeente behoort Christus toe, zij is Zijn kroondomein. Ze is een gemeente van dienstdoende priesters en priesteressen.

Niemand wordt van de dienst uitgesloten.

Nieuwe Verbond

We beseffen natuurlijk wel, dat hoewel de priestemaam blijft gebruikt worden, er in het Nieuwe Verbond een andere inhoud aan gegeven wordt als onder het Oude Verbond.

Het gaat nu niet meer om offers die het heil moeten verwerven. Er moeten geen zoenoffers meer gebracht. Het gaat om de offers van dankbaarheid, nu Christus het offer tot verzoening van de schuld heeft gebracht.

Op grond van Zijn offer mogen wij met vrijmoedigheid tot God naderen en mogen we, verzoend met Hem, in zijn dienst staan. Wat er nog aan priesterlijk werk te doen blijft, werkt niet naar het offer van Christus toe, maar gaat daarvan uit.

Het gaat om het offer van lof en dank, die door de Heilige Geest tot stand komen; die offers beantwoorden aan de wil van God. Een ieder die het offer van Jezus Christus kent, is daarmee geroepen tot de priesterdienst.

Dus: in de geloofsgemeenschap met Christus, levend door de Geest rookt het dankaltaar in gemeente, huis en hart!

Gods volk is een offerend volk met een priesterlijk hart, dat in liefde klopt voor God en de naaste.

We worden Christus gelijkvormig. Christus' zalving deelachtig betekent deel aan Christus' liefde tot God Zijn Vader en de naaste.

Een geweldige ommekeer heeft er dan weliswaar plaatsgevonden.

Wanneer wij met antwoord 32 van de Heidelbergse Catechismus belijden: 'en mijzelf tot een levend dankoffer Hem offere', dan weten we toch van een staan voor God zonder zoenoffer en onbekwaam tot enig dankoffer... als een veroordeelde?

Eerst in de openbaring van Jezus Christus aan ons door Woord en Geest, eerst in de kennis van Christus' zoenoffer werden we tot priesters en priesteressen.

Zo rust het priesterschap van de gelovigen in het priesterschap van Christus. We hebben Christus nodig om het priesterambt uit te oefenen, uit te leven.

Paulus zegt het zo treffend in nacht-en stormgedruis: God, wiens ik ben en wiens ik dien. Het tweede kan niet waar zijn zonder het eerste, maar dan ook: het eerste is niet zonder het tweede.

God, wiens ik ben... wiens eigendom ik door genade mag zijn.

God, wiens ik dien met heel mijn hart. En dat hart is een priesterlijk hart, waarin de liefde tot God en tot de naaste groeit en bloeit.

Aard

Wanneer we vervolgens vragen naar de aard van de priesterdienst dan zullen we moeten oppassen voor twee uitersten.

Enerzijds zijn er, die alle nadruk leggen op de missionaire dimensie: de priesterdienst van de gemeente in en aan de wereld. De gemeente is er voor de wereld.

Anderzijds beweren dat er van een gerichtheid op de wereld geen sprake is. Het zou hier om dienst aan God gaan en niet aan de wereld.

U zult het met mij eens zijn dat beide standpunten niet bevredigen, omdat ze door het schriftgetuigenis niet gedekt worden.

De geestelijke offerdienst voltrekt zich waarachtig niet in een gewijde ruimte, afgescheiden van het leven van elke dag. Nee. De gemeente verricht haar priesterlijke taak in de samenkomsten en in het volle leven. Zeven dagen van de week. Het tweede gedeelte van vers 9 geeft dat duidelijk aan:

opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht

De priesters en priesteressen worden opgeroepen om de glorierijke deugden en daden die de HEERE verricht heeft te bezingen.

Ze zijn geroepen tot en gehouden aan de verkondiging van Gods verlossend en bevrijdend handelen.

Het woord 'verkondigen' heeft in de Septuaginta de betekenis van 'verkondigen in de eredienst', 'lofprijzen'. Maar het betekent vanuit het Grieks ook 'openlijk bekend maken', 'proclameren'.

De aard van het priesterschap is dus niet één-zijdig. Om het wat ingewikkeld te zeggen: het gaat veel te ver om de gemeente een functie van het apostolaat te noemen.

De kerk is er niet uitsluitend voor de wereld. Ze is er primair voor God. De bruid is er primair voor de Bruidegom! En... vandaaruit is ze ook gesteld in de wereld om getuige van Hem te zijn. Getuige zijn van Gods erbarmen! Altijd bereid zijnde om rekenschap te geven van de hoop die ons is geschonken.

Wanneer we de Schriften verder onderzoeken op ons thema ontdekken we bijv. ook in het laatste bijbelboek dat er sprake is van de gemeente, de volgelingen van het Lam, die de Leeuw uit de stam van Juda is, dat Zijn volgelingen koningen zijn, die priesterlijk mogen dienen. Zij mogen God prijzen en verheerlijken.

In de brief van de apostel aan de Hebreeën is er sprake van het lofoffer en de daad van barmhartigheid. Er is sprake van vrijmoedig naderen tot God op grond van Christus' offer.

We lezen in Romeinen 12 : Ik bid dan, broeders door de ontfermingen Gods, dat gi uw lichamen stelt tot een levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst

Het zal ons duidelijk zijn dat het getuigenis van de Schrift is dat de gemeente een koninkrijk van priesters is in woord en levenswandel, getuigenis en voorbede.

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Het algemeen priesterschap der gelovigen (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1995

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

PDF Bekijken