Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit de pers

14 minuten leestijd

Staphorst

In september 1998 verscheen een dichtbundel met als titel de naam van één van de bekendste dorpen in ons vaderland: Staphorst. Koos Geerds is er de schrijver van. Hij zegt in een 'Vooraf' er dit van: 'Staphorst is geschreven als herinnering aan het dorp Rouveen-Staphorst, waar ik van mijn zesde tot mijn zeventiende levensjaar heb gewoond. De gedichten zijn gebaseerd op persoonlijke indrukken en verhalen uit deze periode (1954-1965)'. De verschijning van deze opmerkelijke bundel poëzie heeft de schrijver nogal wat publiciteit opgeleverd met als gevolg dat er al vrij snel een tweede druk nodig was. In de Top 10 (fictie) van het CLK/RD (14 oktober 1998) stond 'Staphorst' op de derde plaats. Voor een bundel gedichten heel opvallend. Wellicht dat Geerds in eigen kring (hij is vrij gemaakt-gereformeerd) veel support geniet. In het ND heeft hij ook veel aandacht gekregen en ook het RD liet zich niet onbetuigd. Poëzie wordt over het algemeen gelezen door een klein select gezelschap liefhebbers. Het onderwerp trekt kennelijk nogal wat lezers aan. Het is een soort poëzie die ook voor een niet-getrainde lezer makkelijk te volgen is. De bundel begint als volgt:

'Toen God het dorp schiep, oost en west,
schiep Hij ook mensen naar Zijn evenbeeld:
boerinnen met een hart van wieg tot graf
en boeren met verstand en ziel en wil
om naar hun aard een waardig mens te zijn.
De burger kent hen niet, de wereld lacht hen uit,
ieder denkt van het dorp het zijne.
Maar elke dag doet God alleen de zon weer schijnen
omdat nooit in het dorp Zijn licht ontbreken mag.'

In Hervormd Nederland (24 oktober 1998) is Geerds' bundel besproken door Hans Groenewegen. Deze zegt er onder andere dit van:

'Koos Geerds laat in zijn bundel Staphorst zien als een gewoon plattelandsdorp. Zijn polemische inzet is nodig omdat van Staphorst in de jaren vijftig en zestig door de stedelingen een mythe is gemaakt. Om tot een eigen "modern" zelfljewustzijn te komen schiep men "het achterlijke Staphorst". "Staphorst" werd destijds tot het negatief gemaakt van de moderne ontwikkelingen die men misschien niet wilde, in ieder geval niet kon tegenhouden. Nieuwe media deden hun intrede, in de mythe "Staphorst" waren ze verboden. Terwijl die wereldwijde schandpaal voor overspeligen, die de tv in onze tijd blijkt te zijn, in ontwikkeling werd gebracht, kon men zich opwinden over de barbaarse methode om overspeligen een vernederende rondrit op een boerenkar te laten maken. Terwijl men aarzelend de kerk begon te verlaten door er niet meer heen te gaan, kon men lachen over lieden die tweemaal per zondag voor een dienst van twee uur anderhalf uur heen en anderhalf uur terugliepen. Terwijl de medici de soevereiniteit van de mensen over hun lichaam begonnen aan te vechten, weigerden de dorpelingen eenvoudige heilbrengende injecties. Toen de kledingmodes elkaar sneller begonnen op te volgen dan kleren kunnen slijten, kon "Staphorst" gedefinieerd worden met het woord "klederdracht". In een van zijn gedichten brengt Geerds met een groteske anekdote in beeld hoe "dorp" en "stad" elkaar als spiegelbeeld nodig hebben de eigen identiteit te ontwikkelen of te behouden:

Het dorp was voor toeristen een safaripark,
waar je mocht jagen met een camera;
kinderen langs de dijk, in Staphorster dracht,
hieven als volleerde bedelaars hun handen:
dan regende het uit de ramen van de bussen snoep
en schoot men gretig foto 's van het graaien.

Soms dreigde een boer een vreemdeling met hooi- ofmestvork;
dat kwam dan dadelijk met koppen in de krant.
Daar kon het dorp in goed gezelschap van genieten,
genoeglijk grinnekend de lieve winter lang.

God valt voor Koos Geerds niet meer samen met de God die in Staphorst werd aanbeden. Sommige gelaatstrekken zijn echter nog wel herkenbaar. Het slotgedicht schetst een beeld van de komende hemel op aarde. Ik heb uit de bijbel het beeld overgehouden dat de hemel als stad zal komen, een hemels Jeruzalem, Geerds ziet in zijn visioen toch vooral een geheel dorp:

Als God weer bij de mens woont,
zal er geen stad meer zijn -
dan bloeit de grond en wijd strekt zich de horizon
buiten de dorpen uit
en boven alle velden
zingt hoog en luid de leeuwerik.
Daar is geen honger, geld of macht,
geen traan die blinkt: alleen Gods licht heerst
en de nacht wordt dag.
Nog zien wij in een spiegel,
als in raadselen, maar straks van aangezicht tot Aangezicht.'

In het christelijk cultureel tijdschrift Icarus (jaargang 6 nummer 5, uitg. Boekencentrum) staat een interview te lezen dat Rien van den Berg had met Geerds. In dat gesprek komt ook het geloof van Staphorst ter sprake. Dat gebeurt naar aanleiding van dit gedicht:

'De hel had ogen, de hemel oren,
hoe jij, ach arme, zou lopen je baan;
de wereld lag in de zonde verloren,
je stijve lippen versmaadden de waan;
je zou je aan de lieden niet storen,
die veinzen adieu en deerlijk vergaan;
zwijgen moest je, zien en horen,
hoe je beneden zou lopen je baan.'

En daar wordt dan als volgt op voortgeborduurd in genoemd interview door Rien van den Berg:

Staphorst brengt geloof met zich mee. Je ontkomt er niet aan dat je het geloof expliciet tot onderwerp voor poëzie maakt.

'Dat zit natuurljk in mezelf. Dat is het dragende element dat als vanzelfsprekend in die poëzie terechtkomt. Ik forceer dat helemaal niet. Bij dit onderwerp ligt het wel heel erg voor de hand, maar het karakteriseert mezelf natuurlijk ook. Dus wat dat betreft is er een ideale symbiose in deze bundel tussen mij en mijn onderwerp. Aan de andere kant is er natuurlijk geen onderwerp waar het geloof niet op een of andere manier een rol speelt. Je denkt toch gewoon als mens, als christen, dat is een integraal onderdeel van je.'

Maar in dit geval komt dan ook de Staphorster manier van geloven om de hoek kijken. Ik bedoel dat niet denigrerend. Het is ook de Urker manier van geloven en waarschijnlijk de manier van alle besloten christelijke dorpsgemeenschappen.

'Dat klopt. Het is een overheersend element in de bundel. Moet een dichter distantie tot zijn onderwerp hebben? Misschien dat een recensent distantie moet bewaren. Als ik geen betrokkenheid heb tot mijn onderwerp, dan kan ik er niet eens over schrijven. En hier ben ik dan in bijzondere zin op betrokken, omdat het een stuk van mezelf is. En ook weer niet helemaal.'

Ik kan me voorstellen dat je bepaalde maniertjes waarop geloven op zo 'n dorp functioneert niet graag tot onderwerp van je poëzie maakt, omdat je vanuit jezelf niet graag het geloof daarmee geassocieerd ziet.

'Diverse aspecten van dat geloof, die manier van leven, heb ik toch wel naar voren gebracht in de bundel. En daar zitten ook wel manieren tussen die niet de mijne zijn, maar die ik toch heb beschreven voor de eerlijkheid van het portret, voor de volledigheid van het beeld. Bijvoorbeeld hoe het dorp reageert na een zelfmoord. Of dat gedicht over "hoe ik acharme moet lopen mijn baan", dat is natuurlijk een typisch bevindelijke manier van denken die niet de mijne is. Maar die hoort wel in de bundel thuis. Maar er zit toch ook een stuk authentiek christelijk geloof in en dat heb ik ook in de bundel naar voren gebracht.'

Staphorst brengt ook de eigenheid van het dialect mee. De Tale Kanaans zit erdoorheen natuurlijk, maar ook het Saksisch uit de streek.

Ik heb me verscheidene keren afgevraagd hoe ver je daarin moet gaan. Het moet niet folkloristisch worden. Ik vind dat je daarmee je eigen poëzie geen goed doet, maar zeker ook het onderwerp niet; de mensen, het dorp. Het kan snel iets kneuterigs krijgen. Er liggen allerlei boobytraps op de loer bij zo'n project als dit. Het lijkt dus aus einem Guss geschreven, simpel, gemakkelijk, maar ik heb er machtig veel aan zitten knutselen en peuteren. Dat ik dacht: dit is wel leuk zo, maar het heeft niet de pointe die het moet hebben.'

Jullie spraken thuis Fries... '

...en op het dorp Staphorst-Rouveens en op school Nederlands. Die drietaligheid. Daar heb ik natuurlijk ontzettend veel van meegenomen later. Want ik ben natuurlijk een taalbeest. Ik heb het ook altijd vreselijk leuk gevonden om te vertalen, ook op het gymnasium - Latijn. Duits vind ik ook een mooie taal. Ik denk dat de grondslag daarvoor toch wel in mijn jeugd gelegd is. Al die talen. Het grappige was natuurlijk dat je dan ook wel las in boeken dat kinderen tweetalig opgroeiden, met een Franse vader en een Nederlandse moeder Dat je dat heel bijzonder vond en niet doorhad dat je zelf nog veel bijzonderder was omdat je drie talen sprak. Gek is dat. Een kind - of een mens - kijkt altijd naar buiten en denkt: dat zou ik nooit kunnen. Maar jij spreekt Fries en Nederlands en Staphorsters. Dat is natuurlijk net zo bijzonder. Maar pas veel later realiseer je je dat. Zoals ik me ook nu pas realiseer hoe bijzonder die jeugd van mij eigenlijk geweest is.'

Het Staphorsters heeft op de achtergrond van deze bundel een sterke invloed gehad. Dat is met het Fries nooit gebeurd.

'Nee, zo diep zit dat Fries niet meer bij mij. Dat is te ver weg. Ik ben als kind opgegroeid met Fries. Maar zo gauw ik het huis uit ging, dat was al op zestien-, zeventienjarige leeftijd, hield het op. Ik ging naar het gymnasium in Groningen, waar natuurlijk geen Fries werd gesproken en ik was in de kost bij mensen die geen Fries spraken. Ik raakte er dus steeds verder van verwijderd. En ik spreek dus nog wel Fries, en ik lees het ook wel, maar het is niet meer op die manier eigen. Het Nederlands is toch eigenlijk wel mijn moedertaal geworden, of mijn basistaal. Die beide andere zijn er wel, maar ze functioneren niet direct. Ik moet er meer bij nadenken. Ik ben zelf als het ware een beetje uit die taal gegroeid. Je hebt je standaard-woordenschat. Normaal gesproken groeit die mee in je volwassenheid, in je denken en in je voelen. Maar dat staat op een gegeven ogenblik stil en jij groeit verder in een andere taal.'

Treffend en gevoelvol weet Geerds de sfeer van het dorpsleven te schetsen in de veertig gedichten die zijn bundel telt. Deze bijvoorbeeld over de zaterdag waar het licht van de aanstaande zondag al tastbaar wordt:

'Zaterdagmiddag bereidde heel het dorp
de dag des Heren voor, alles en iegelijk
moest zonder vlek of rimpel zijn:
het melkrek en de wagen in de schuur,
het erf, de deel, de tegels op de vloer,
spaden en schoppen, de mestvork en de zeis,
de laarzen en de klompen, mens en beest.
De koeien kregen nog wat hooi, de varkens pap,
de paarden haver en de kat ving nog een rat.
En elke boerderij werd tot een ark van het verbond.
De sabbat wierp zijn schaduwen: ziet, uw Bruidegom komt.'

In genoemd interview in het blad Icarus wordt het gesprek met Geerds als volgt afgesloten:

'Het is voor dichters altijd moeilijk weer op gang te komen na een bundel. Ook voor Geerds. Er zijn nu nog wat hij "na-ij1-effecten" noemt. Hier eens optreden, daar eens voordragen, interviews, recensies. Een literaire prijs zou op zijn plaats zijn. Maar Geerds zelf heeft Staphorst eigenlijk al afgesloten en broedt op een volgend project. Gedichten schrijven bij een reeks foto's lijkt hem wel wat. Maar de bundel wordt lovend besproken. Is het niet leuk om eerst eens domweg te genieten van waardering die het werk krijgt? '

'Het is natuurlijk heel leuk als er enthousiast op gereageerd wordt, daar niet van, want je zou het ook niet leuk vinden als er helemaal niks mee gebeurde natuurlijk, maar voor mij als dichter telt het volgende project eigenlijk alleen.'

Ik kan me ook voorstellen dat het voor een dichter aardig is om het proces van interpretatie van de bundel eens te volgen. Om eens te kijken wat mensen er nou mee doen. Kijken wat er van je kinderen wordt...

'Ja goed. Maar ik weet dat men op heel verschillende manieren reageert op een gedicht. Dat is op zich ook wel boeiend, maar het is een heel ander proces. Dat heeft met het dichten zelf eigenlijk niets meer te maken. Ik kan daar ook niks aan doen als dichter. Het klinkt een beetje geborneerd misschien, maar dat heb je minder naarmate je meer gepubliceerd hebt, denk ik.'

Ook bij deze bundel? Ik bedoel: het is een heel persoonlijke bundel, een heel nieuwe manier van dichten. Het is toch een beetje een waagstuk. 'Dat was het voor mij. Als iemand een berg beklommen heeft en de vlag erbovenop heeft gezet, en naderhand zit iedereen naar de video te kijken, dan is voor hem de sensatie al geweest. Hij kan het dan wat herbeleven, maar het is niet meer de spanning van het moment, van het proces zelf. Dat bedoel ik. Dat is gewoon weg.'

De uitdaging is goed gelukt: de persoon van de dichter en de poëtische vorm hebben elkaar gevonden. Is het niet zo dat daar iets van overblijft? Dat je dat ziet in een volgende bundel? 'Dat zou best eens kunnen. Ik heb mij hier heel direct blootgegeven. In Het vloeiende land heb ik dat in feite ook wel gedaan, maar in latere bundels ben ik meer poëticaal gaan dichten. Ik merk aan mezelf dat ik losser ben gaan schrijven. Ik heb natuurlijk ook heel veel herinneringen aan Rouveen, waar ik geen gedichten over heb geschreven. En het is natuurlijk maar een stap naar proza...'

De eerbied en het respect voor het Woord van God is in veel gedichten te bespeuren. Dat doet goed in een tijd waarin alles wat aan 'Staphorst' herinnert, dreigt te worden uitgeroeid. Geerds toont affiniteit te hebben met mensen voor wie de Eeuwige nog een werkelijkheid is. Dat blijkt tenslotte nog uit het gedicht dat we u ter afsluiting laten lezen, als een stimulans wellicht om de bundel aan te schaffen of weg te geven nu de geschenkentijd weer nadert:

'Diepzinniger dan maan en sterren blonken
de kroonluchters in de oorijzers van de vrouwen
op de laatste zondagen van het jaar;
er hing een zware lucht van persvoer en beesten,
sneeuw en modder kleefden aan het voorportaal;
de mannen zaten in hun aarden pakken,
God zelf lag neer in stro en voederbak.
Het Kind rechtvaardigde hun onbespraaktheid,
ze hielden van de kanseltaal als van hun dialect.
Hier mochten ze de voorsmaak van de rust genieten -
"En geen wet zal mij verdoemen", zongen zij.'

Informatie: Koos Geerds, Staphorst, uitg. De Arbeiderspers, 58 blz., f 29, 90.

Dit artikel werd u aangeboden door: de Gereformeerde Bond

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1998

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1998

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

PDF Bekijken