Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

'Onder [preek]stoelen en [orgel]banken...'[I]

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

'Onder [preek]stoelen en [orgel]banken...'[I]

DE EREDIENST

8 minuten leestijd

In een serie waarin alle aspecten uan de eredienst aan de orde komen, neemt ook het zingen uan de gemeente een niet te onderschatten plaats in. Door onze (kerkelijke) cultuur bepaald kunnen wij de gemeentezang niet losdenken van het kerkorgel. gevraagd om - in een drietal artikelen - aan dit laatste enkele gedachten te wijd eerste wil ik met een historische schets weergeven, hoe moeizaam het proces verliep voordat het orgel zijn huidige plaats in kerk en eredienst heeft kunnen innemen. In een tweede artikel nemen wij plaats op de orgelbank en letten op de taak en junctie van de organist in de eredienst. Ten laatste verdiepen we ons in de relatie tussen predikant en organist. Het gebruik van het kerkorgel bij muzikale evenementen in het algemeen - zoals bijvoorbeeld orgelconcerten, zang- en muziekuitvoeringen - laat ik achterwege.

Niet vanzelfsprekend

Dat er in bijna ieder kerkgebouw een orgel staat, vinden wij doorgaans heel gewoon. Maar dat dit nauwelijks vierhonderd jaar geleden ondenkbaar was, zullen weinigen weten. De vraag of een orgel in de kerk mocht zijn, en of dit instrument mocht dienen ter ondersteuning van de gemeentezang is binnen onze traditie in alle ernst aan de orde geweest. Enerzijds was het orgel van puur heidense afkomst, omdat het aanvankelijk werd gebruikt in theaters en keizerlijke paleizen. Het eerste had te maken met het feit dat het orgel een puur wereldse, zelfs heidense achtergrond heeft. Ten tweede nam het orgel aanvankelijk een zeer bescheiden plaats in binnen de rooms-katholieke eredienst. Men kende nog geen gemeentezang, en gebruikte het orgel alleen om de juiste toon aan te geven (intoneren), waarop het koor a capella zong.

Twee keer is er in ons land een felle strijd gevoerd tussen enerzijds de 'gereformeerde' KERKENRADEN (verantwoordelijk voor de eredienst) en anderzijds de MAGISTRAAT (het stadsbestuur). Laatstgenoemde was niet alleen eigenaar van de orgels, maar tevens broodheer en betaalmeester van alle 'stadsorgelisten ende pijpers'."

De eerste orgelstrijd (1574-1640) In het jaar 1574 sprak de provinciale synode van Dordrecht zich voor het eerst - en in ongunstige zin - uit over orgelspel zowel in als na de eredienst. Men vreesde - en hierin herkennen wij de reformator Calvijn - dat het orgel bij het uitgaan der kerk dienen zal 'om te doen vergheten, wat men tevoren ghehoort heeft'. In dezelfde trant sprak de synode van Edam zich uit, en bond alle predikanten op het hart om de overheden te bewegen het gebruik van het orgel stop te zetten, 'ten eynde dat, het orghelspelen in die kercken naegelaeten synde, die dienst des Woirts Goids beter syn effect in die herten der menscfien vercryge ende bewairt worde'. Vier jaar later ging de Synode van Dordrecht nog een stap verder en besloot, 'dat de orghelen, ghelijck se voor een tijd geduldet waren, alsoo met den eersten ende op 't aldergevoegelyckste (d.w.z. zo snel als mogelijk) moesten weggenomen worden'. Wij kunnen ons wellicht nauwelijks voorstellen, wat een onrust deze zaak in de gemeenten teweeg heeft gebracht. Het orgel gold voor velen 'als een paradijsslang, een verleidelijk beest, een duvelsche jluutkaste, een helletrekker of een ajhangsel van het pausdom'. Jacobus Hondius (1529-1591) plaatste het orgel zelfs op zijn Swart Register van duysent Sonden, terwijl de Leidse rector Petrus Bloccius in 1567 het instrument opneemt in zijn boek 'Meer dan tweehondert ketteryen, blasphemien ende nieuwe leeringen: welck wt (uit) de misse sijn ghecomen'.

Intussen was het de kerkenraad van Dordrecht in 1598 gelukt een verband te leggen tussen eredienst en kunst, door organisten opdracht te geven meteen na de prediking een bepaalde psalm vijf of zes keer na elkaar te spelen. Wanneer zij iets anders wilden spelen, mochten zij dat doen, mits dat zij grave (gedragen), stichtelijke stuxkens speelden, maar motetten en lichtvaardige liedekens achterwege lieten. Tegen 1638 werd de roep steeds luider om het orgel te gebruiken om de gemeentezang te begeleiden. Aanleiding was vooral het abominabele zingen in de dienst. De kerkenraad van Leiden gaf hiertoe de voorzet. Het orgel uit de Hooglandse kerk documenteert dit met het opschrift uit 1637 op de orgelkas en daarbij de spreuk 'Loojt den Heere met gezang en orgel'.

Mij is en. De Als tweede orgelstrijd (1640-1750) , Andere steden volgden al spoedig het voorbeeld van Leiden - al ging dat niet zonder slag of stoot, waarmee de tijd rijp was voor de 'tweede orgelstrijd'. Toen in 1641 Constantijn Huygens zijn 144 bladzijden tellende pamflet uitgaf met de veelzeggende titel GEBRUYCK OF ONGEBRUYCK VAN 'T ORGEL IN DE KERCKEN DER VEREENIGHDE NEDERLANDEN, Was ook in de muziek een grote omkeer gekomen.

Werd voorheen de leidende melodie (de cantus firmus of'ferme stem') gezongen of gespeeld in de middenstem (te vergelijken met de melodie in de linkerhand), zo verschoof deze naar de bovenstem van de sopraan (de melodie 'met de rechterhand'). Hierdoor kreeg het orgelspel het vermogen om door een duidelijk in de hoogte gelegde melodie - onderbouwd met overeenstemmende akkoorden - steun te geven aan de gemeentezang. Het orgel was nu in staat 'in klare akkoorden en met een duidelijk uitkomende bovenstem' de gemeente den toon als in den mond kon leggen. Echter waren niet alle orgels hierop voorbereid.

De toenmalige orgeltjes (de zogenaamde zwaluwnestjes, die aan één of andere pilaar met 200 pont ysers aen anckers' waren opgehangen) hadden nog niet 'de sterke longen en tongen', die ze later kregen. Daarom was het een vereiste, dat de instrumenten wegens hun kortademige windvoorziening met discretie en voorzigtigheyd en niet met swaare geluiden en volle grepen behandeld moesten worden. Ligt hierin overigens niet een stille wenk naar al te grijpgrage registerhanden, die op onze veel draagkrachtiger orgels de gemeentezang vandaag de dag soms danig overstemmen? Waar Huygens pleitte voor 'Laat zich 't orgel óveral', willen sommige orgelvrienden zich nog wel eens vinden in 'Laat zich 't orgel bovenal...'

Mocht een orgelminnende lezer(es) zich in dit laatste herkennen, dan lijkt het mij goed, om het navolgende advies van Huygens eens te overwegen: 'Het instrument dient te worden getempert in soodanighen Register, als naer h meer ofl minder getal der Menschen betame lick sal werden bevonden'. Niet het vele is goed - maar het goede is veel.

Zo dient tot het einde van de psalm te worden gespeeld, met een' eenparighe, middelmatighe, dat is, een onverhaeste (niet jagen!) ende onvertraeghde (niet trekken!) maet. Op deze manier verwachtte Huygens, dat er een gestadigh, staetigh, maetigh, eenstemmigh, aengenaem gesangh onder de grootste Gemeenten gehoort sal werden, zodat noch de Stemmen ondereen, noch het Orgel met de Stemmen in Toon, oft Mate ojt Macht met elkaar in strijd zullen komen.

Dat Huygens een vurig pleitvoerder is voor een goede orgelbegeleiding, blijkt uit een puntige beschrijving van het zingen in zijn dagen: DeToonen luyden dwars onder een, als gevogelte van verscheiden becken. De maten strijden, als Putemmers, d'een lende soo veel d'ander rijst. Daer wert on 't seerste uytgekreten, als oj't een sake van overstemminge waerer. (Vrij vertaald: de stemmen wijken zodanig af, zoals vogels van diverse pluimage door elkaar heen schreeuwen. De maten zijn n strijd met elkaar, zoals emmers in een waterput op en neer gaan. Er wordt zo hard geschreeuwd, alsof men elkaar eerder wil overschreeuwen, dan met elkaar samenstemmen). Dat het psalmgezang veel weg heeft van ghehuyl ende geschreeuw heeft in zekere zin ook te maken met de verschillende moeilijke en onbekende psalmmelodieën. Opmerkelijk genoeg grijpt Huygens dan terug op de klassieke manier van intoneren (het aangeven van de toon). Hij stelt voor, dat er door het orgel eerst een' nootgheroert wordt, omdat er door de gemeente vaak zo leelik mis-getast wordt. Huygens' traktaat heeft er helaas niet in mogen resulteren, dat de gemeentezang in zijn tijd verbeterde. Gedreven door een sterk gevoel van conservatisme, accepteerde het kerkvolk geen verandering in haar zangwijze. Wellicht heeft dit ook te maken gehad, dat men al decennia lang zong uit de psalmen van Datheen. Pas met de 'nieuwe' psalmberijming van 1773 (die naar

tekst en muziek metrisch veel beter op elkaar zijn afgestemd dan die van Datheen) werd het kerkelijk orgelgebruik voor het eerst algemeen.

Onder Davids harp

Wat hebben wij met het kerkorgel gemeen, dat de keizer onder de instrumenten ons zo geweldig aanspreekt? Wellicht moeten wij het antwoord zoeken/vinden bij Jacobus Revius, toen hij het navolgende puntdicht schreef: HET ORGEL IS EEN BEELT VAN 'T LEVEN HIER BENEDEN VEEL PIJPEN STAENDER IN VERDEELT IN HAAR GELEDEN EEN IEDER HEEFT SYN PLAATS, EEN IEDER SYN GESCHREI. Wanneer het de houding is van iedere organist, iedere cantor, ieder zingend gemeentelid, ja: van elke koorzanger, voorzanger en voorganger Gode te gaan psalmzingen onder de luyt (met de harp), dan stemmen wij in met de woorden van wellicht de grootste componist aller tijden, JOHANN SEBASTIAN BACH, die dit in praktijk mocht brengen: 'Alleen dan zullen wij kunnen komen tot een beoefening uan kerkmuziek, de kerk der Reformatie waardig'. Of dit altijd zo zal blijven, zal de wens zijn van ieder orgelminnend geslacht, dat er weet van heeft dat dit instrument slechts ten volle tot zijn recht komt wanneer het dienstbaar is tot meerdere eer en verheerlijking van Hem tot Wiens eer wij mogen en kunnen zingen en spelen. Op menig orgel prijkt de afbeelding van David met een luit in de hand. Hij mag ons blijvend herinneren aan de woorden van Psalm 71: DY ONDERMIJN' LUYTE, Ö HEILIGE ISRAËLS (Dat is: 'Ik zal U psalmzingen met de harp, 0 Heilige Israëls')

M. F. VAN BINNENDIJK, VINKEVEEN

" De cursief en in Oudnederlands weergegeven citaten zijn grotendeels ondeend aan het traktaat van Constantijn Huygens.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 2001

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

'Onder [preek]stoelen en [orgel]banken...'[I]

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 augustus 2001

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

PDF Bekijken