Bekijk het origineel

Een bedding voor verdriet

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Een bedding voor verdriet

Meelijden [ 3, slot ]

8 minuten leestijd

Wie met lijden heeft te maken, is het meest gediend met de liturgie van de stilte. Maar hoe stil is het in deze liturgie eigenlijk? Er valt toch meer te beluisteren dan de stilte alleen.

Liturgie van de stilte wil niet zeggen dat er niets gecommuniceerd wordt. De stilte wil juist ruimte maken voor het lijdensverhaal van de pastorant, het gemeentelid. Eén van de meest uitgesproken zinnen door mensen die bij een lijdende medemens op bezoek wil gaan is: ‘Ik weet niet wat ik moet zeggen.’ En daarom blijven we maar weg …
Het kan helpen om in plaats van de vraag ‘Wat moet ik zeggen?’ in gedachten te nemen: ‘Wat zou de ander vanuit zijn of haar verdriet aan mij te zeggen hebben?’ Iemand die in stilte aanwezig kan zijn en blijven, in de sfeer van verdriet en onmacht, kan vaak een grote steun zijn. Het is nodig te leren dat stilte en woordeloosheid soms meer erkenning kunnen uitdrukken dan allerlei woorden van goedkope bemoediging. Vaak komt de neiging de stilte te vullen met woorden meer voort uit ongemak van de bezoeker dan uit zorg voor het welzijn van de ander.
‘Wat men kan zeggen’ begint in de taal der stilte met aanwezig te zijn. Een luisterende houding die tot verstaan leidt. De ruimte van het gesprek is daarom niet gegeven aan de pastor, maar aan de pastorant. De pastor is er om die ruimte te geven in de ‘liturgie van de stilte’ en de veiligheid van die ruimte te bewaken.
Luisteren en uitluisteren is daarbij een kunst en een vaardigheid. Hoe meer een pastor weet, kundig is en zich bewust is van zijn eigen onbehagen, zijn machteloosheid in het meelijden, hoe meer hij met sereniteit, ongestoord kan luisteren naar de ander.

Emmaüsgangers
Bij dit luisteren is het van belang te leren om de juiste vragen te stellen. Ieder mens is ontzettend gebaat bij een persoonlijke begeleiding door iemand die in staat is te helpen bij het naar boven laten komen van onze verdrongen gevoelens en zó vragen weet te stellen, dat we niet aan de buitenkant van de zaak blijven steken.
Wanneer we zo de liturgie van de stilte invullen met een uitluisterend oor en af en toe een vraag, zal ook de pastorant meer en meer tot zijn recht komen en zullen we langzaam maar zeker de smaak van het lijdensbrood echt proeven. Pas wanneer we die smaak echt ervaren, is het mogelijk om samen een uitweg te zoeken naar het leven.
Op deze wijze liet de Heere Jezus eerst de Emmaüsgangers hun verhaal doen, hun verdriet en (geloofs)pijn uiten, voordat er de mogelijkheid kwam om het Woord te openen en Zichzelf als de Levensvorst te openbaren.

Ruimte
Wanneer de pastor stil luisterend aanwezig is, zal de pastorant een groeiend besef krijgen dat hij er mag zijn. Juist door de pastorant het gevoel te geven er te mogen zijn zoals hij is, kunnen we hem een wapen geven tegen opkomende angsten.
Een pastor draagt daarom een grote verantwoordelijkheid. Wanneer hij niet uitluistert en zelf bang is voor de stilte en het mee-eten van het lijdensbrood, kan de ander zich heel snel niet-geaccepteerd voelen. Juist perioden van (mee) lijden maakt mensen extra gevoelig op dit punt.
Het is dus noodzakelijk steeds de ruimte van de pastorant veilig te houden. Klagen mag! Waaromvragen mogen! Zelfs Christus kreeg aan het kruis van Zijn Vader de ruimte om het uit te roepen: 'Mijn God, Mijn God, waarom?!' (Matth. 27:46) We zouden zelfs kunnen zeggen dat God de ruimte om deze vraag uit te roepen Zelf gecreëerd had door de drie uren duisternis.
Het gaat er in het pastoraat om dat de lijdende, angstige mens tot zijn recht komt, er mag zijn, ook met zijn angst. En de bevrijding is geen daad van de pastor, maar wordt door God geschonken. De pastor is reisgenoot. Hij is onderweg met angstige mensen, ook wanneer ze angstig blijven.

Troosten
Wanneer we als pastor met een (mee)lijdend persoon in aanraking komen, dan is de verwachting vaak dat de pastor als trooster op bezoek komt in naam van de andere Trooster. Uit het bovenstaande kunnen we afleiden dat troosten echter iets anders is dan iets tegen het verdriet, de pijn, het lijden aan zetten.
Troosten is niet het antwoord weten alvorens de vraag werkelijk is beluisterd. Het is niet aanbrengen van goedbedoelde adviezen, die mensen zo doodmoe kunnen maken en een onbegrepen gevoel geven. Troosten is ook niet te vinden in pasklare antwoorden op de vele waaromvragen.
Iemand troosten wil zeggen dat we echt aanwezig zijn bij wie alleen is en hem of haar opbeuren en sterken. Een lijdend mens vindt troost in iemand die luisterend en vol deelneming bij ons aanwezig is. Iemand die in staat is om de lijdende met grote zorg te omringen. Dit is dan ook de allereerste taak van een pastor.
Troosten is aandachtig luisteren, zodat verdriet in woorden en tranen naar buiten kan stromen.
Troosten is kunnen zwijgen en in een blik, in een aanraking signalen van hoop, veiligheid en vertrouwen laten voelen. Het is samen worstelen, zoeken en hopen. Het is veeleer mee-eten van het lijdensbrood, dan wegnemen van verdriet. Het is verdriet durven noemen.
Troosten is mensen helpen te leven met vragen waarop geen antwoorden zijn.
Troosten is geen dam tegen verdriet, maar juist de bedding voor verdriet.
Op die manier kan de aanwezigheid van een pastor een middel in Gods hand zijn om iemand zijn lijden helpen te verwerken, in plaats van te stikken in de machteloosheid en de daaruit voortvloeiende angst.
Gebed in meervoudsvorm Wanneer een pastor op deze wijze een bedding gevormd heeft voor het uiten van verdriet, pijn en alle andere gevoelens, komt er ook plaats om heel voorzichtig en in eerste instantie minimaal andere pastorale ‘hulpmiddelen’ te gebruiken. De belangrijkste middelen in deze omstandigheden zijn het Woord en het gezamenlijke gebed.
Het gebed met een angstig, lijdend persoon heeft een priesterlijk karakter: de pastor treedt voor de mens in bij God. Hij doet een beroep op Gods genade en smeekt Zijn nabijheid af. Hij doet dit samen met de ander. De ander is er getuige van en bidt het mee.
Wanneer we in deze situatie werkelijk hebben meegeleden, is het ook voor de handliggend dat in het gebed in meervoudsvorm wordt gesproken tot God. De pastor laat daardoor blijken werkelijk deelgenoot te zijn geworden van de lijdende pastorant.
Voor het daadwerkelijk bidden kan er al een gesprek zijn geweest over de inhoud van dit gebed, het waarvoor en hoe. Daarbij gaat het in het gebed om iets heel anders dan de Heere te vragen dat Hij ons gauw bevrijdt van ons lijden. Het gebed is niet een gebed om directe verlossing, maar allereerst om verlossing van de onmacht om met de situatie om te gaan. Een gebed om aanvaarding van het feit dat het leven een kruisweg is, om acceptatie van de gegeven omstandigheden en kracht om het te dragen. Te midden van het lijden kunnen we ‘béter worden’, maar dit is nog niet altijd hetzelfde als ‘genezen’.

Bijbellezen
Naast het gebed is het Woord een belangrijk middel voor het begeleiden van onze troostende aanwezigheid. Op deze wijze gaat Jezus immers ook met de Emmaüsgangers om?! Bijbellezen als troost en bemoediging, wellicht in eerste instantie de bedding voor het uiten van verdriet. Gods barmhartigheid en kracht wil ons dragen door het (mee)lijden heen.
Ook hierover kan eerst een gesprek zijn, over de keuze van het gedeelte en de betekenis. Op deze wijze hoeft een bijbelgedeelte niet een ‘tegenover’ te zijn of te blijven, maar komt het ‘naast’ de pastorant, of wordt de pastorant er deelgenoot van.

Medelijdende Hogepriester
Als er één zó troostend aanwezig kan en wil zijn, dan is het wel dé Pastor met een hoofdletter: de Heere Jezus Christus. Van Hem staat immers geschreven dat 'Hij als medelijdende Hogepriester in alles verzocht is geweest, uitgenomen de zonde' (Hebr. 4:15-16).
Juist vanwege Zijn eigen lijden is Hij op een unieke en ultieme manier in staat om troostend bij ons op bezoek te komen, ons te dragen en te verdragen in al ons (mee)lijden en verdriet. Het kruis van Golgotha wil ons deze mogelijkheid van Zijn meelijden leren. De theoloog Dietrich Bonhoeffer heeft het kernachtig verwoord als hij schrijft: ‘God laat Zich uit de wereld terugdringen tot op het kruis, God is zwak en machteloos in de wereld en juist zo en alleen zo is Hij met ons en helpt Hij ons. In Mattheüs 8:17 staat overduidelijk dat Christus ons niet helpt krachtens Zijn almacht, maar krachtens Zijn zwakheid, zijn lijden!’
Juist vanwege Christus’ lijden, Zijn kruisdragen, wordt het voor ons mogelijk ons eigen kruis te dragen. Hem daarin te volgen en te blijven volgen. Vanwege Zijn eigen kruis weet Hij af van ons kruis.
Ook het kruis van de machteloosheid in het meelijden. Alleen door Hem is het mogelijk om het lijden van de ander te aanvaarden, mee te eten, te verwerken, als (bloed) verwant en als pastor. Om vanuit die machteloosheid met het zicht op de Gekruisigde te zeggen: ‘Als ik zwak ben, dan ben ik machtig’ (2 Kor. 12:10).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 2007

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Een bedding voor verdriet

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 2007

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

PDF Bekijken