Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Globaal bekeken

4 minuten leestijd

Uit het boek van ds. G. Hamoen, Het begin van de Reformatie in de Alblasserwaard (zie ook blz. 12, 13), een fragment over melaatsheid.

Het probleem is (…) meestal of een melaatse mag trouwen. Verder is de vraag of een melaatse toegang heeft tot het avondmaal. Op een classicale vergadering van 19 april 1595 komt een concreet geval aan de orde. Mag een man die melaats is en die door zijn vrouw is verlaten nu opnieuw trouwen? De kerk kan hier niet over oordelen, omdat de magistraat eerst moet bezien of de scheiding wettig is. Maar men acht de zaak belangrijk genoeg om die voor te leggen aan de synode, die bij de Staten van Holland moet aandringen op een goede regeling, vooral omdat er zoveel wantoestanden heersen. In de augustusvergadering van de synode in Gorinchem komt deze vraag inderdaad ter sprake. Een jaar later komt het antwoord: een melaatse mag alleen trouwen met toestemming van de magistraat. De classis Rotterdam achtte het in 1586 overigens raadzaam dat een vrouw van wie de man melaats is geworden van hem zal scheiden.

Anders ligt het bij de viering van het avondmaal. De classis van Dordrecht neemt op 2 november 1598 een principieel besluit. ‘Alsoo door Christum het onderscheyt der persoonen wechgenomen is, dat men densulcken niet en can weygeren tot de gemeynschap des Aventmaels ende dat ten alderlaetsten aen de tafel alleene.’ Men laat de melaatse wel toe maar dan als laatste. Op 1 augustus 1600 scherpt men de regel nog wat aan. De melaatse die met zijn vrouw en moeder samen een huishouding vormt, moet als laatste deelnemen ‘en dat zij haren eygenen beker oft glas zullen gebruycken’.

Aan de vooravond van de presentatie van de Herziene Statenvertaling (HSV) een citaat uit de rede die prof.dr. C.C. de Bruin, schrijver van De Statenbijbel en zijn voorgangers, in 1984 uitsprak, toen hij de zogeheten meesterschapprijs kreeg namens de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden.

Het staat vast dat zij een diepgaande invloed heeft uitgeoefend op de opbouw van het Nederlands als cultuurtaal. Vroeger placht men daarvoor te verwijzen naar de talrijke woorden en wendingen die ontleend zijn aan de tale Kanaäns van de Statenbijbel. Er is, zo meen ik, nog een andere factor die bijgedragen heeft tot het ontstaan van wat ik nu maar het standaard-Nederlands noem. In calvinistische gezinnen las de pater familias in de huiselijke godsdienstoefening driemaal per dag een hoofdstuk uit de Statenbijbel voor, ruim 1000 maal per jaar. Aangenomen dat hij dat 30 jaar kon blijven doen, weerklonk in het gezin 30.000 maal het hardop gelezen Woord. In het bewustzijn van de man die dat deed, was de Statenbijbel geschreven in een sacraal Nederlands, dat anders klinkt dan zijn dialect; voor hem was (en is) het de taal van de kerk en van de predikende en op huisbezoek komende predikant. Naast de twee grondtalen van de Bijbel was het als het ware een derde taal, de ‘sprake’ van het heilige boek waarin Gods eigen Woord was vervat. Zo gezien nam het Nederlands van de Bijbel de functie over die het Latijn van vroeger had vervuld. Het dialect was de moedertaal. De taal waarvan de H. Geest zich met de pen van de Statenvertalers had bediend, de vadertaal. Wanneer gedurende enige eeuwen in honderdduizenden gezinnen de Bijbel hardop werd voorgelezen, dan moet dat de eenwording van het Nederlands als algemene omgangstaal in de hand gewerkt hebben. In de Oudheid en Middeleeuwen placht men hardop te lezen. Na de uitvinding van de boekdrukkunst kwam geleidelijk het stillezen in zwang. Ook bij de individuele lezing van het heilige boek las men de tekst hardop. Wanneer Rembrandt zijn bijbellezende moeder portretteert, dan kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat de lezende vrouw de woorden van het voor haar liggende boek misschien binnensmonds maar toch met hoorbare en verstaanbare stem uitspreekt. Ook zij vervangt dan als tweetalige de taal van haar streek of stad voor enige tijd door die van het heilige boek.

v.d.G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 2010

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 2010

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

PDF Bekijken