Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De heilsordelijke draad

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De heilsordelijke draad

Meerstromenland in hervormd-gereformeerde prediking [1]

11 minuten leestijd

In het meerstromenland van de Gereformeerde Bond laten zich drie stromingen onderscheiden. Ze zijn ook in de prediking te herkennen, al vallen de diverse accenten op de kansel niet één op één terug te voeren op het verschil in stroming.

Tijdens de studieweek voor theologiestudenten die de Gereformeerde Bond vorig jaar organiseerde, sprak ik over het meerstromenland van de Gereformeerde Bond. Drie stromingen onderscheidde ik: de kuyperiaanse, de verbondsmatige en de bevindelijke. Elk van deze drie bloedgroepen manifesteert zich kerkelijk op een eigen manier. De kuyperiaanse onderstroom kenmerkt zich door een grote inzet. Een negatieve kant is activisme; een positieve het besef van heiligheid van de kerk, zorg om de rechte leer en het rechte leven, nuchtere zin voor organisatie. Het verbondsmatige in het DNA van een gereformeerdebonder doet hem zicht houden op de katholiciteit der kerk, geeft mildheid aan zijn kuyperiaanse stoerheid en bewaart hem voor experimenteerzucht op liturgisch terrein. Het gevaar is vaagheid of het tolereren van allerlei zaken omwille van de lieve vrede. De bevindelijke ader doet ons beseffen dat het in alles wat we doen gaat om brood voor het hart en dat het ten diepste draait om God en de ziel; dat is de kracht van deze ader. Haar zwakte is dat er, omdat men eigenlijk alleen het aambeeld kent dat er wat met een mens moet gebeuren, er minder zicht is op de breedte van de theologie en weinig belangstelling voor de kerk als instituut. Al is dit natuurlijk enigszins generaliserend gesproken, toch is het behulpzaam om te weten hoe het grondwater van ‘ons deel’ van de kerk is samengesteld.

Prediking
De insteek van dit verhaal over het meerstromenland is tot dusver nogal sociologisch van aard, ze gaat vooral de kerkleer (ecclesiologie) aan. Ik kies er nu voor om de manier van preken (homiletiek) naar voren te halen. Kernvraag is: vertaalt het geschetste meerstromenland zich ook door in de prediking en zo ja hoe? Dat moet haast wel, zou je denken. Inderdaad, het meerstromenland van de Gereformeerde Bond zien we ook terug in de prediking. Ik zeg dat met enige terughoudendheid. De diverse accenten in de prediking zijn namelijk niet één op één terug te voeren op het verschil in stroming. Om het direct met naam en toenaam te illustreren: één van de oprichters van de Gereformeerde Bond, prof.dr. Hugo Visscher, was een volbloed kuyperiaan. Dat blijkt uit zijn dolerende kerkbegrip – zij het dat Visscher doleerde bínnen de Hervormde Kerk, terwijl Kuyper door zijn activisme buíten onze kerk kwam te staan. Maar in zijn prediking was Visscher zeer bevindelijk, wat van veel gereformeerden uit de kerk van Kuyper niet gezegd kon worden. Niet voor niets wordt ds. I. Kievit tot zijn leerlingen gerekend. En het is ook niet voor niets dat deze ds. Kievit soms – zij het niet terecht – geclaimd wordt door meer ‘zware’ medebroeders en zusters.

Bevindelijke tonen
Ook de latere Gereformeerde Bondsvoorzitter prof.dr. J. Severijn sloeg in zijn prediking bevindelijke tonen aan, al zou je hem in eerste instantie vanwege zijn godsdienstfilosofische achtergrond eerder onder de meer voorwerpelijke predikers scharen. En wat te denken van ds. G. Boer, die tot op de dag van vandaag gewaardeerd wordt om zijn bevindelijke prediking, welke zeker later sterk kohlbruggiaans doorademd was. En dat terwijl de kohlbruggiaanse dominees aan het begin van de vorige eeuw geweldig tegen de Gereformeerde Bond hadden gefulmineerd en heel de beweging als een werk van het vlees zagen. En, om nog een naam te noemen: die van ds. Woelderink: voor iedereen toch op en top de prediker van het verbond. Maar de objectiviteit en vastheid van Gods verbond verwerd bij hem niet tot objectivisme. Integendeel, hoe dicht wisten hij en andere voorgangers die zich zijn gedachtegoed hadden eigengemaakt (ds. L. Blok, ds. C. van der Wal) bij het hart van de gemeente te komen. Ik wil er maar mee zeggen dat de ecclesiologische en de homiletische lijnen niet geheel parallel lopen. Zij zijn niet rechtstreeks tot elkaar te herleiden.

Heilsordelijk
Toch waag ik een poging tot rubricering, met natuurlijk het gevaar van brandmerken. Ik zou, ten eerste, de prediking zowel van de meer kuyperiaanse als van de meer bevindelijke onderstroom willen typeren als een heilsordelijke prediking – in hervormd-gereformeerde kring een gangbare uitdrukking om er een bepaald type prediking mee aan te duiden. Ik heb trouwens bij de voorbereiding van mijn inleiding gemerkt hoe actueel veel van de gebruikelijke termen zijn. Heilsorderlijke prediking is een prediking waaraan de drieslag van de catechismus (ellende, verlossing en dankbaarheid) ten grondslag ligt. Anders gezegd: een prediking die als leidraad heeft de ‘gouden keten van het heil’ uit Romeinen 8: verkiezing-roeping-wedergeboorte- rechtvaardiging-heiligingverheerlijking. Een prediking dus die graag in het licht stelt wat God in het hart van een mens werkt en hoe Hij dat werkt. Een prediking – dat moet ook opgemerkt worden – die na 1 mei 2004 minder in de kring van de Gereformeerde Bond wordt gehoord.

‘Kennen wij het?’
Ik geef door middel van een uitvoerig citaat een voorbeeld van zulke prediking. De preek gaat over Hebreeën 11. ‘Kennen wij het geloof ? Misschien zucht u bij die vraag. (...) Wie dat geloof heeft, is (...) rijk. Voor die is de hel gesloten en de hemel open, en hij komt binnen, wis en zeker. (...) Zou u nu durven zeggen dat u buiten dat geloof staat? En zo ja, hebt u dan rust en vrede in uw bestaan? Heeft uw hart genoeg aan de dingen van dit leven? Of is er een innerlijke onvrede over uzelf en een begeren naar het geloof, dat zulke wonderlijke zaligheden ons deelachtig maakt? Onderzoek u nauw, met de bede dat God u het ontdekkend licht van Zijn Heilige Geest en Zijn Woord geeft. (...) Als genade over ons haar zalige heerschappij uitspreidt, dan worden we overtuigd met God te doen te hebben. (…) We doorleven het voor Hem niet te kunnen bestaan in onszelf. Het Woord gaat ons ontdekken, in onze schuld, in onze diepe verlorenheid, in onze totale verdorvenheid, in onze bittere vijandschap tegen God de Heere. (...) – Maar zie nu ook de andere zijde. Genade doet nooit half werk. Zij opent het zielsoog voor al de rijkdommen en schatten van heil van Immanuël en voor Gods oneindige zondaarsliefde in de Heere Jezus, Die hij overgaf voor Zijn vijanden. En dan roept het Woord ons toe, zó dat het is alsof God Zelf het ons zegt: ‘Die Christus is voor u, arme zondaar!’ Gelooft u dat? (...) Sta naar dat geloof, wie u ook bent. Want er is geen groter zonde dan ongeloof. (...) Laat het u de weg zijn om met allen die Christus liefhebben (...) in de bange strijd van het leven te genieten de heerlijkheid van het wereldoverwinnend geloof.’

Weg des levens
Nog een voorbeeld, van wat recenter datum, maar het verschilt qua taal en gedachtegang niet veel van het vorige. In een preek over Filémon lezen we: ‘Wat een smart doorvlijmde het hart van Onésimus. (...) Hij had gezondigd tegen God. Kent u ook die zielensmart? Al heeft de Heere ons bewaard voor de zonde van de diefstal, toch zijn wij allen van nature aan Onésimus gelijk. Ons hart staat schuldig tegenover de heilige God. (...) Worstelt u wel eens om de genade van ontdekking? (...) Wanneer slaat het Godsuur van onze zielenredding? Wanneer wij zijn uitgewerkt. (...) Pijnlijk voor ons hoogmoedige hart. (...) Toch is dit de weg des levens. In zo’n ure ontfermt zich Gods genade zó over ons dat wij Jezus Christus leren kennen als een volkomen Borg en Middelaar. (...) Maar bekering moet uit de vrucht blijken. (...) Gelukkige Onésimus, (...) hij gaat in de weg die de Heere hem wijst. (...) Dat is nu een zoete vrucht van het geloof.’ Beide citaten maken duidelijk hoe God een mens bekeert: dat is langs de weg die via ontdekking van eigen zonde, schuldbesef en overgave aan de Middelaar uitkomt bij de zoete vrucht van het geloof en bij het genieten van de heerlijkheid daarvan.

Beschrijvend
Het is goed als deze (heils)orde op de een of andere manier aan de prediking ten grondslag ligt. Vanuit homiletisch oogpunt: zij geeft structuur aan de verkondiging. Niet dat elke preek op hetzelfde stramien geborduurd moet worden. Dat is saai, ik zou bijna zeggen: de dood in de pot. Ons stramien verdraagt zich niet met de dynamiek van de Schrift. Ook vanuit pastoraal en catechetisch oogpunt is het goed om de zogenaamde orde van het heil te hanteren. Nogmaals: niet als systeem, als schema, maar als thema. Want het systeem doodt, maar het thema maakt levend. Zo krijgt het geloofsleven van de voorganger zelf gehalte en gestalte, zo kan hij ook de gemeente vormen. Meer dan eens is de heilsordelijke prediking beschrijvend van aard. Zij zet uiteen hoe God te werk gaat in een mensenhart. Dat gebeurt – grammaticaal gezien – dikwijls in de derde persoon. Waarop dan de vraag volgt: ‘Verstaat u er iets van? Ken jij dat?’ Ik geef opnieuw een voorbeeld, nu naar aanleiding van Psalm 62: ‘Davids ziel is stil tot God. We zeggen tegen elkaar: Hoe is dat mogelijk? Dat is alleen mogelijk door genade. Omdat David uiteindelijk de Heere had leren kennen als een barmhartig en genadig God in Christus. Omdat hij door de Heilige Geest uitgedreven was als goddeloze en hij Christus in de belofte had mogen omhelzen in het geloof. En hij ten diepste mocht weten dat de Heere nooit laat varen wat Zijn hand begon. Ja, dat Hij ook in de grootste moeiten en zorgen uit kan helpen en doorhelpen. (...) In het geloof door genade is het mogelijk om rust te ontvangen daar waar wij anders door onrust voortgedreven zouden worden. Onrustig is ons hart tot dat het rust vindt in U, o God. Is die rust al uw deel geworden? Wie de Heere aanroept in de nood, vindt Zijn gunst oneindig groot!’

Bevindelijkheid
Prof.dr. C. Graafland heeft voor zulke beschrijvende prediking in zijn Verschuivingen in de Gereformeerde Bondsprediking (1965) weinig goede woorden over. Het geloofsleven, zegt hij, wordt tot in de kleinste details beschreven, maar de gemeente wordt er niet bij betrokken. Zij is naar zijn overtuiging toeschouwer, óf in positieve zin, omdat ze kennis heeft aan wat gepreekt wordt, óf in negatieve zin, omdat ze zich erbuiten voelt staan. Een dergelijke objectivering verhindert dat het in de verkondiging tot een echte ontmoeting komt tussen God en mens. Wij moeten, houdt dr. Graafland ons voor, niet óver de bevinding preken, want dat is het opzeggen van een schools lesje. Werkelijk bevindelijk preken is het Woord Gods zó tot de mens brengen dat hij er niet meer onderuit kan. Pas toch op, waarschuwt hij aan het eind van zijn geschrift nogmaals, voor een ‘prediking van een gerationaliseerde bevindelijkheid’. Prof.dr. F.G. Immink is het in zijn artikel ‘De Gereformeerde Bond en de prediking’ in herdenkingsbundel Uw Naam geef eer. Honderd jaar Gereformeerde Bond niet helemaal met de analyse en opvatting van prof. Graafland eens. De preek dient ook iets indirects te hebben, waardoor er onderwijs gegeven kan worden, gepaard met reflectie en bezinning. Een beschrijving, ook van onze weerstand, kan juist ruimte scheppen voor de activiteit van onze geest en de Heilige Geest. Dr. Immink wil ervoor waken geestelijk geweld op een mensenziel uit te oefenen.

Draad van Ariadne
Het is goed dat het boek Orde op zaken stellen – in het voorjaar in de Artiosreeks van de Gerefor-meerde Bond verschenen – expliciet aandacht vraagt voor de heilsorde. De auteur, ds. G. Wassinkmaat, omschrijft die aan de hand van Calvijn als de wijze waarop wij deel krijgen aan de genade van Christus, welke vruchten daaruit voor ons voortkomen en wat dit in ons uitwerkt. Wie het boekje leest, en vooral: wie over deze thematiek nadenkt, merkt dat de heilsorde geen verouderd model is, maar eerder een draad van Ariadne door het labyrint van de Schrift. Daarom pleit ik ervoor dat er door het weefsel van de prediking heilsordelijke draden lopen en dat een predikant niet schroomt de gemeente van tijd tot tijd te vragen of ze iets (her)kent van Gods werk in eigen hart en leven. Dat kan geen kwaad. Werp de mensen maar een ogenblik terug op zichzelf. Tegelijkertijd dient een voorganger zich ervan bewust te zijn dat het stellen van een vraag niet de enige manier is om het hart van de gemeente te raken. Ook het appèl en de dialoogvorm zijn daarvoor geschikt. Bovendien, als de voorganger mij vraagt of ik een bepaald iets (her)ken, bijvoorbeeld of Christus zó mijn leven is binnengekomen dat Hij in mijn hart woont en of ik dat zo ervaar, moeten we dan niet dikwijls zeggen dat we er niets van ervaren en dat het er, als we naar onszelf kijken, niet op lijkt? Een christen heeft niet zoveel om over naar huis te schrijven.


Volgende week: deel 2, over heilshistorische, trinitarische, onderscheidenlijke en appellerende prediking.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 2011

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

De heilsordelijke draad

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 2011

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

PDF Bekijken