Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Stipendium Bernardinum

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Stipendium Bernardinum

Beurs helpt Hongaarse gereformeerde student

7 minuten leestijd

Het Stipendium Bernardinum vierde in 2011 zijn 250e verjaardag: een studiebeurs voor gereformeerde Paltsers en Hongaren om aan de Utrechtse universiteit hun theologiestudie voort te kunnen zetten. Al met al hebben zo’n 1250 Paltsers en Hongaren het stipendium ontvangen.

Het begin van het Stipendium Bernardinum ligt bij de Nederlandse koopman Daniel Bernard Guiljammz. Wie was deze man eigenlijk? En wat was de reden waarom hij 9000 pond Engelse bankactiën reserveerde ten behoeve van studenten uit de Palts, Hongarije en Transsylvanië (Zevenburgen) in de gereformeerde theologie aan de Utrechtse universiteit?
Om bij het begin te beginnen. Daniel Bernard werd volgens de inscriptie op zijn grafsteen op 27 oktober 1676 te Frankenthal geboren. Volgens het Kirchenbuch der niederländischen Gemeinde Frankenthal werd Daniel vijf dagen voor zijn geboorte – op 22 oktober 1676 – gedoopt. Dat klinkt verwonderlijk, maar in Utrecht werd in 1700 de Gregoriaanse kalender pas ingevoerd.
In november 1688 werd Frankenthal door de Fransen veroverd, in het voorjaar van 1689 gesloopt, en in september 1689 in brand gestoken en volledig verwoest. De familie Bernard zal dus in 1688 of 1689 als vluchteling naar Nederland zijn gekomen.
Over de tijd die Daniel Bernard vervolgens in Amsterdam doorbracht is weinig tot niets bekend. Gezien zijn latere carrière bij de Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) is het aannemelijk dat hij in Amsterdam in een groot handelshuis heeft gewerkt. Er is geen enkel bewijs dat hij theologie gestudeerd heeft.

Carrière
In 1699 vertrok Daniel voor de VOC naar Indië. In 1706 trouwde hij met Dina Maria Leydekker, een kleindochter van Jan van Riebeeck, stichter van Kaap de Goede Hoop.
Haar vader was Melchior Leydekker, een bekend doctor in de theologie en geneeskunde. Zij kregen in ieder geval vier kinderen. Op 2 december 1712 overleed Dina Maria Leydekker. Nog geen jaar later, in 1713, overleed ook hun zoon Abraham, nog geen twee jaar oud.
Het overlijden van zijn vrouw moet grote impact op Daniel hebben gehad, want in februari 1714 vroeg hij zijn ontslag aan, dat weliswaar door de ‘Indische Regeering’ werd afgewezen.
Daniel Bernard had een glanzende carrière bij de VOC. Hij was in 1699 als assistent naar Indië vertrokken om vervolgens in 11 jaar tijd op te klimmen tot gouverneur en directeur van de kust van Coromandel, gelegen aan de oostkust van India.

Tweede huwelijk
In 1716 keerde Daniel terug naar Amsterdam. Hij had in Indië blijkbaar zulke goede zaken gedaan, dat hij al op veertigjarige leeftijd kon gaan rentenieren. Op 10 januari 1718 trouwde hij te Amsterdam met een 41-jarige nicht, Izabella Bernard. Deze nicht was evenmin onbemiddeld.
Voor Daniel leek zij een goede partij. Maar ook andersom. Met haar rijke neef Daniel kon ze in principe de toekomst met vertrouwen tegemoet zien. Maar een mens kan niet alles in het leven hebben. Zij schijnt geen schoonheid geweest te zijn; ze was bijziende en droeg een bril.
Op 13 juni 1719 betrokken Daniel en Izabella een huis aan de noordzijde van het Janskerkhof te Utrecht. Daniel zou daar ook tot zijn dood blijven wonen. Al spoedig moeten er wrijvingen zijn ontstaan tussen hen. Het is niet helemaal duidelijk waardoor. Izabella zal zich zeker in haar vrijheid beknot hebben gezien, want zij kon niet meer gaan en staan waar zij wilde.
Er waren ook bepaalde verwachtingen waaraan zij niet kon of wilde voldoen. Zo diende zij zich ten opzichte van het personeel te gedragen als de vrouw des huizes. Daarbij paste geen informele omgang als ze ‘ordre onder het volk’ wilde houden. Ook had Izabella ‘doorgaans de gewoonte’ om aan de deur van de kamer te staan luisteren als Daniel bezoek had. En die was daarvan duidelijk niet gediend.
De kinderen van Daniel Bernard waren eveneens een bron van conflicten. Die waren zeker niet altijd even braaf, maar Izabella gaf Daniel ook de schuld van de ‘onnozelheid’ van zijn jongste zoon. Andere beschuldigingen van Izabella – over hoe Daniel zijn kinderen behandeld zou hebben – worden door zijn kinderen zelf weersproken.

Echtscheiding
De verhouding tussen Daniel en Izabella werd er in de loop van de tijd niet beter op. Izabella wilde hoe dan ook van Daniel af, maar Daniel zag niets in een scheiding.
In januari 1738 begon Izabella daarom een echtscheidingsproces. Een jaar later werd de scheiding (van tafel en bed) uitgesproken.
Opmerkelijk is dat in het echtscheidingsproces theologische motieven nauwelijks een rol spelen. Toch blijkt uit het taalgebruik dat het geloof veel voor Daniel Bernard betekende. Begrippen als ‘berouw’, ‘genade’ en ‘vergeving’ worden door hem ook steeds theologisch geduid. En over het heilig avondmaal spreekt hij als ‘de gezegende genaade Bondzeegels des Heijligen Nagtmaals’.
Het echtscheidingsproces – en later het proces rond de nalatenschap van Izabella – heeft grote invloed gehad op Daniel Bernard.
De ‘langduurige ondergaane sukkelingen en smertelijckheden’ – zo noemt hij het zelf – hebben hem veel verdriet en pijn gedaan.

Veel sympathie
Het testament waarin Daniel Bernard de instelling van het Stipendium Bernardinum regelde, is van 18 augustus 1761. Nog geen twee weken later, op 1 september, overleed hij. De reden waarom ook Hongaren in aanmerking voor een stipendium kunnen komen, is niet vanuit de archiefstukken te verklaren. Waarschijnlijk sloot Daniel Bernard daarmee aan bij de gewoonte van zijn tijd. In de achttiende eeuw was er in de Nederlanden namelijk nog steeds veel sympathie voor de verdrukte gereformeerde gemeenten in Hongarije en Zevenburgen.

Letter en geest
In de loop van de tijd is het testament soms naar de letter en soms naar de geest geïnterpreteerd.
Mocht het namelijk ‘bij toeval’ eens voorkomen dat er meer aanmeldingen waren dan beschikbare stipendia, dan hadden de Paltsers de voorkeur. Maar al direct na de stichting van het Stipendium Bernardinum bleek dat het toeval regel was. Volgens de letter van het testament zouden daardoor geen studenten uit Hongarije en Zevenburgen in aanmerking komen voor een stipendium. Het was echter in de geest van het testament om vanaf 1770, ongeacht het aantal aanmeldingen uit de Palts, het stipendium ook aan enkele Hongaren en Zevenburgers toe te kennen.
In de periode 1771-1795 hebben vijftig studenten uit Hongarije en Zevenburgen het stipendium genoten. Opmerkelijk genoeg zijn er in de periode 1761-1945 slechts twee Hongaarse Bernardiners in Utrecht in de theologie gepromoveerd. Andere Hongaarse Bernardiners die in Utrecht promoveerden, deden dat vooral tot doctor in de medicijnen.

Wel erg kort
Na 1795, het jaar van de Bataafse Revolutie, waren er nog wel Hongaren in Utrecht. Maar het betreft slechts een enkeling. In de periode 1811-1855 hebben slechts acht Hongaren het stipendium ontvangen.
Toen rond 1840 bleek dat Bernardiners soms wel erg kort in Utrecht bleven, schreven de curatoren aan een pas benoemde Paltser dat hij een bewijs moest opsturen waaruit bleek dat hem ‘een wettig verlof is gegeven om hier zonder onderbreking drie jaren te verblijven’. En zij voegden daaraan toe: ‘zonder dit bewijs gezonden te hebben, behoeft gij niet te komen’. Deze student liet zich niet van de wijs brengen. Hij kwam en vertrok gewoon na twee jaar.

Grenzen
In de twintigste eeuw zien we dat de curatoren het testament van Daniel Bernard meer naar zowel de letter als naar de geest gingen interpreteren. Niet alleen wetenschappelijk toptalent kwam in aanmerking voor een beurs. Ook Hongaren deelden mee in het genot van de beurs van de heer Bernard. Paltsers moesten kunnen aantonen dat zij uit de Beneden-Palts kwamen (met Mannheim als hoofdplaats) en gereformeerd waren.
Ook bij de Hongaren werd er op gelet dat zij afkomstig waren uit het historische Hongarije. Er zou het beeld kunnen ontstaan dat de curatoren onvermurwbaar waren.
Over het algemeen waren zij welwillend als studenten met een verzoek kwamen. En dan ging het meestal over geld.
Maar er waren ook grenzen. De Bernardiners werden geacht goed hun best te doen en zich ordentelijk te gedragen. Op een enkele uitzondering na deden zij dat ook.
De meesten werden predikant en sommigen zouden later een professoraat bekleden of zelfs bisschop worden. In beide gevallen hebben zij echter vele hoorders: in de kerk of in de collegezaal. Daardoor heeft het Stipendium Bernardinum een theologische reikwijdte die veel verder gaat dan Utrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 2012

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Stipendium Bernardinum

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 2012

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

PDF Bekijken