Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Christelijk onderwijs: voor de heen- en de terugreis

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Christelijk onderwijs: voor de heen- en de terugreis

13 minuten leestijd

Hoe vanzelfsprekend is christelijk onderwijs in Nederland? Sinds 1848 is de onderwijsvrijheid grondwettelijk verankerd, sinds 1917 de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs. Dat mag je gerust sinds mensenheugenis noemen. Er zijn christelijke scholen en ze worden door de overheid betaald – we weten niet beter.

Historisch geïnteresseerden herinneren zich echter dat er een schoolstrijd voorafging aan de genoemde wetgeving. En wie het politieke onderwijsdebat volgt, kan daar horen dat sommige politici graag van de huidige vorm van onderwijsvrijheid af willen. Daarom is het belangrijk ons af te vragen wat voor vandaag de waarde is van christelijk onderwijs.

Urgentie
Die vraag is op verschillende manieren urgent geworden. Niet eens zozeer door politiek Den Haag, hoewel de afnemende tolerantie ten opzichte van religie zeker tot meer vragen aan het christelijk onderwijs zal leiden. Het is vooral omdat er intern in de scholen het nodige in beweging is. Neem de oude School met de Bijbel, die alle kinderen van het dorp binnen haar muren verzamelde. Die school krijgt steeds meer te maken met leerlingen van een andere godsdienstige achtergrond of met leerlingen uit nietgodsdienstige gezinnen. En de ontkerkelijking die zich in de maatschappij voltrekt, werkt ook door onder het personeel. Hoe kan die school in deze tijd vormgeven aan haar christelijke karakter?
Ook scholen met een gesloten toelatingsbeleid van leerlingen en een gesloten benoemingsbeleid van personeel worstelen met vragen rond de vormgeving van hun christelijke identiteit. Is het genoeg: een zuivere grondslag, het openen van de Bijbel aan het begin van de dag en afspraken over bepaalde vormen? De gedachte dat die ‘smalle identiteit’ niet genoeg is, dringt breder door. Maar wat kan er meer zijn?

Heenreis en terugreis
Christelijk geïnspireerd onderwijs is onderwijs dat God ter sprake brengt. Voor de verdere verkenning van wat dat ‘God ter sprake brengen’ inhoudt, gebruik ik een uitdrukking die drs. T.M. Gilhuis in de jaren zeventig introduceerde in het christelijk onderwijs. Hij stelde dat leraren hun leerlingen moeten begeleiden op de heenreis én op de terugreis. Op de heenreis neemt de meester of de juf de leerling vanuit diens concrete levenssituatie mee naar God. Het godsdienstonderwijs in allerlei vormen (dus ook buiten de godsdienstles) maakt hun de Bijbel als openbaring van God bekend. Ze horen van Zijn daden en van Zijn wil. Ze horen speciaal van Gods reddende genade in Jezus Christus. Leerlingen moeten echter ook begeleid worden op de terugreis: vanuit God terug naar de maatschappelijke werkelijkheid. Het alledaagse leven, het gezin, de buurt, de taak op school en alles wat zo’n leerling bezighoudt, wordt op die terugreis verbonden met de Bijbel.
Het aantrekkelijke van het beeld van de heenreis en de terugreis zit in de evenwichtige visie op christelijk onderwijs. De heenreis kan niet zonder de terugreis. Godsdienstonderwijs als een geïsoleerde activiteit, los van de dagelijkse werkelijkheid van de leerlingen, kan best goed klinken. Dat onderwijs gaat echter op z’n minst voorbij aan het bijbelse gegeven van het dúbbele liefdegebod, dat niet alleen betrekking heeft op God, maar ook op onze naasten. Alleen begeleiden op de heenreis is te weinig om onderwijs voluit christelijk te noemen.
Het kan echter ook andersom. De school legt grote nadruk op maatschappelijke betrokkenheid en burgerschapsvorming krijgt alle aandacht. Al naar gelang leeftijd en bevattingsvermogen wordt de leerlingen duidelijk gemaakt dat ze verantwoordelijk zijn voor zichzelf, voor hun naasten, voor deze wereld. Zo begeleidt de leraar zijn leerlingen op de terugreis. Maar wáárom zouden ze die verantwoordelijkheid op zich moeten nemen? Waarom zouden ze het eigenbelang niet voorop mogen stellen of mogen leven alsof ze koning zijn in hun eigen koninkrijk? Daar komt geen christelijk antwoord op als leraren de terugreis gaan met hun leerlingen zonder eerst de heenreis te hebben afgelegd.

Integraal christelijk
Op de christelijke school die leerlingen begeleidt op de heenreis én op de terugreis, worden leerlingen gevormd tot geïntegreerde mensen. Dat begint bij de man en vrouw voor de klas. Leeft die zelf uit het geloof? Heeft die zelf een duidelijke christelijke visie op het kind en op de werkelijkheid? Al te vaak is er sprake van dualisme en worden het geloof en het dagelijks leven twee afzonderlijke terreinen. Na de bijbelles gaan de juf en de leerlingen dan over tot de orde van de dag. Taal, rekenen, aardrijkskunde, biologie – al die vakken die op school gegeven worden. Hoe zijn ze in de visie van de meester of de juf verbonden met het geloof? De schoolvakken staan niet op zichzelf. Ze zijn een onderdeel van Gods schepping. Dat houdt in dat ieder schoolvak in relatie tot God gebracht kan worden. Iedere leraar zou zich de vraag moeten stellen: ‘Wat betekent het dat ik als christen nadenk over taalonderwijs, economie, wiskunde, enzovoort?’
Dat dualisme kan er ook zijn in de kijk op kinderen. Als de leraar neigt naar dualisme, is de kans aanwezig dat hij zijn leerlingen gelijkstelt aan hun intellectuele capaciteiten. Als hij een christen ‘uit één stuk’ is, ziet hij z’n leerlingen allereerst als schepselen van God. Vanuit die monistische visie komt ook het hele schoolleven in beeld. Na de dagopening gaat er geen knop om; het besef blijft dat wat in de vakken besproken wordt, behoort tot wat God geschapen heeft. Dat geschapene is verworden door de zonde, maar die wetenschap mag het zicht op wat de Heere geeft in natuur en cultuur niet verminderen. En bovendien: het besef dat die zonde de structuren en verhoudingen aangetast heeft, behoort ook tot het openleggen van het leven voor Gods aangezicht.

School en ouders
Het is een open deur te zeggen dat de schoolkeuze in een gezin een belangrijk, maar vaak lastig punt is. Als christelijke ouder kun je die keuzes niet tussen neus en lippen door maken, en ze ook niet overlaten aan je puberzoon of -dochter. Daarvoor was de vraag die bij de doop van je kind gesteld werd net iets te duidelijk.

De doopbelofte doet een dringend beroep op ouders om te kiezen voor goed christelijk onderwijs (zie kader op de vorige pagina). Ook de maatschappelijke ontwikkelingen roepen daartoe op. Christelijk onderwijs staat onder druk. Scholen die werk maken van hun christelijk karakter verdienen steun van de ouders, ook als er onderdelen in het schoolleven zijn waar je als ouders wat vragen bij hebt. Christelijke ouders hebben de school nodig en een christelijke school heeft de ouders nodig.
Dat houdt in dat de ouders zich niet kunnen opstellen als kritische consumenten, die op school vooral komen halen. Er is een ander soort betrokkenheid, door een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor het kind.
Zoals ouders thuis kunnen worstelen met de christelijke opvoeding, zo kan ook de meester of juf worstelen met de vraag hoe het onderwijs echt christelijk is. Laat er daarom thuis aan tafel gebed zijn voor de leerkrachten. Vanuit die betrokkenheid mogen ouders ook vragen stellen aan de school. Niet alleen kritische vragen op het moment dat er iets mis is, maar juist helpende en meelevende vragen. School en ouders hebben immers een gedeelde roeping om kinderen te onderwijzen en op te voeden.

School en kerk
De leerlingen van de christelijke school zijn veelal de doopleden van de christelijke gemeente. De jongen die ’s middags met de scheikundeleraar het periodiek systeem der elementen bespreekt, zit ’s avonds bij de dominee op catechisatie. Alleen al vanwege die gedeelde doelgroep zal de christelijke gemeente moeten nadenken over haar verhouding tot het christelijk onderwijs.

Predikanten en kerkenraden moeten zich bewust zijn van het grote belang van het christelijk onderwijs voor de gemeente.
Hun catechisanten brengen veel meer tijd door op school dan in de kerk of in het kerkelijk verenigingsgebouw. Vooral op school vinden ze hun vrienden – en de invloed daarvan kan niet onderschat worden. De school behoort tot de leefwereld van een belangrijk deel van de gemeente en alleen al daarom mag in de openbare voorbede het gebed voor het onderwijs niet ontbreken.
Zou het geen goede gewoonte zijn als een kerkenraad een keer per jaar aandacht geeft aan de relatie met de scholen waar de jongeren van de gemeente onderwijs volgen? Welke scholen zijn dat en hoe vallen die scholen te karakteriseren? Op welke manier is dat onderwijs eigenlijk ingericht? Wat zijn de belangrijkste waarden die ze aangereikt krijgen? Dergelijke vragen zetten kerkenraden en predikanten aan tot nadenken over hun omgang met jonge gemeenteleden.

Weten wat er speelt
Nadenken over deze vragen kan bijvoorbeeld reden zijn tot bezinning op de catechese. Het is bekend dat de spanningsboog van leerlingen beperkt is. Daarmee wordt binnen het onderwijs rekening gehouden. Het is een illusie te denken dat we in kerkdienst en catechese deze werkelijkheid kunnen negeren. Voor de verkondiging van het Evangelie in déze tijd en déze context – en dat is de roeping waar de kerk voor staat – is het nodig ons hiervan bewust te zijn.
Hetzelfde geldt voor de taal. Laat de predikant eens bij een leerkracht van de plaatselijke school informeren hoe zij de kinderen aanspreekt, of vraag eens hoe dat in het middelbaar onderwijs gebeurt.
Anders kan het zomaar zijn dat een goedbedoeld aanspreken van jongeren in kerkdienst of catechese al bij het eerste woord ernaast schiet. De rijke inhoud van de Evangelieboodschap is het waard hierover na te denken.
Maar laat de kerk zich ook inhoudelijk op de hoogte stellen. Wat maken vmbo’ers en mbo’ers mee tijdens hun stage? Leerlingen in de bovenbouw van havo en vwo krijgen te maken met allerlei levensvisies. Studenten aan de universiteit bewegen zich in een omgeving die geloof en wetenschap als twee elkaar uitsluitende grootheden beschouwt. Daar kan de dominee niet in elke preek op ingaan, maar als hij zich hiervan bewust is, kan hij op z’n minst bij tijd en wijle bemoedigen en soms proberen om vanuit de Bijbel antwoorden aan te reiken. Op deze manier begeleidt de predikant zijn jonge gemeenteleden ook op de heenreis én op de terugreis.

Contact
Niet in elke gemeente is rechtstreeks contact tussen kerk en school mogelijk. Als er contact is, zal dat veelal met de plaatselijke basisschool zijn. Later we vooral zuinig op dat contact, zowel met de christelijke als met de openbare school. Kerk en school kunnen bijvoorbeeld rond biddag en dankdag of rondom kerkelijke feestdagen hetzelfde materiaal gebruiken. Voor leerlingen in de basisschoolleeftijd is dat heel belangrijk. Er ontstaat op een natuurlijke manier iets van eenheid van leven waarin het terrein van het geloof verbonden wordt met het terrein van het (school)- werk. Soms wordt de predikant uitgenodigd om in de klassen van de openbare school iets te vertellen over het kerstfeest. Vooroverleg met mensen die godsdienstonderwijs op de openbare school geven, is in zo’n geval belangrijk, maar dan: met een gebed om liefde, wijsheid en de goede toon er zijn!

Maatschappelijk belang
Ten slotte: de christelijke school kan zich niet meer verbergen in de protestantse zuil. Ze staat net als de gezinnen in de gure wind van de secularisatie. Laat het biddend zijn en met opgeheven hoofd. Meer dan ooit zoekt onze samenleving naar richting en zin. Die richting kan het christelijk onderwijs wijzen als het jonge mensen meeneemt in het proces van ‘kom en zie’ (aldus de godsdienstpedagoog Bert Roebben met een verwijzing naar Johannes 1:46). Dat is niet alleen voor die jongeren van belang, maar voor de hele samenleving. Volgens het onderwijsrapport Onderwijs 2032 moeten leerlingen in het onderwijs ‘vaardig, waardig en aardig’ worden. Werkelijk christelijke vorming geeft de jongeren daarbij een levensvisie waarmee ze, volwassen geworden, als christenen uit één stuk hun plaats in gezin, kerk en maatschappij kunnen innemen.


Doopformulier
In het klassieke doopformulier gaat de derde vraag die aan de ouders gesteld wordt over de opvoeding. Vader en moeder beloven daar hun kind een christelijke opvoeding te geven. Opvallend is dat de vraag niet alleen spreekt over het ‘onderwijzen’ dat de ouders zelf voor hun rekening nemen. Er wordt ook gesproken over het ‘laten onderwijzen’. Daar komt onder andere de school in beeld. De belofte bij de doopvont heeft dus alles te maken met de schoolkeuze voor je kind. Bij die keuze kunnen allerlei motieven een rol spelen. De ruimte ontbreekt nu om daar dieper op in te gaan. Maar deze oproep is op z’n plaats: laat het christelijk karakter de doorslag geven! Zoek een school met een ‘stevig’ christelijk karakter. Want een duidelijke eenheid van leven tussen het christelijk gezin en de christelijke school is tot zegen van de kinderen.


De Heidelbergse Catechismus en de scholen
In het antwoord op de vraag ‘Wat gebiedt God in het vierde gebod?’ (vraag 103) duikt naast de kerk plotseling de school op. Mijn indruk is dat daar in hedendaagse catechismuspreken niet heel veel mee gedaan wordt. In een recente uitzondering op deze regel werd gesteld dat de schrijvers van de catechismus met ‘de scholen’ de predikantsopleidingen bedoelden. Wie het Schatboek van Zacharias Ursinus, een van de opstellers van de HC, daarop naleest, vindt echter een bredere visie. De scholen moeten volgens het Schatboek in stand gehouden worden ‘aangezien zonder de geleerdheid en de kennis van talen en kunsten de mensen niet geschikt zijn om te leren, noch de zuiverheid der leer onderhouden of tegen de ketters verdedigd worden kan. Uit de scholen dienen voort te komen, en moeten zij genomen worden, die de gemeenten tot Gods eer en zaligheid der gelovigen zullen regeren. Daarom heeft men onder Gods volk steeds op de scholen goed gelet.’ (Citaat uit de uitgave die verzorgd werd door ds. J. van der Haar, deel II blz. 346, Dordrecht 1978)

Verderop in het Schatboek wordt verwezen naar de Romeinse keizer Julianus de Afvallige. Hij verbood het onderwijs in de christelijke leer, want zo zou het christendom vanzelf in verval raken. In de laatste eeuw zijn dergelijke geluiden ook te horen geweest van communistische regimes.


Gespreksvragen
1
Hoe zou u het christelijk karakter van de school waarmee u het meest te maken hebt typeren? Kunt u met concrete voorbeelden aangeven waar dat uit blijkt?
2 Hierboven wordt geschreven over ‘integraal christelijk onderwijs’ dat begeleidt op de ‘heenreis’ en op de ‘terugreis’. In hoeverre ben u zelf in uw opvoeding, uw preken, uw omgang met jongeren in de gemeente op de beschreven manier integraal christelijk? Kunt u concrete voorbeelden noemen?
3 Zacharias Ursinus, een van de opstellers van de Heidelbergse Catechismus, had een duidelijke visie op het belang van het onderwijs (zie kader). In hoeverre heeft zijn visie ons vandaag nog iets te zeggen?
4 Heeft u weleens met de ogen van keizer Julianus de Afvallige (zie kader) naar het christelijk onderwijs gekeken? In hoeverre bent u het met zijn observatie eens?
5 Wordt er in de kerkenraad van uw gemeente weleens gesproken over het onderwijs? Hoe vindt u dat?
6 Hoe is in uw gemeente het contact tussen kerk en school? Wat vindt u daarvan?


Verder lezen
• Dick den Bakker, Scholen met lef. Tien notities bij christelijk geïnspireerd onderwijs in een seculiere tijd. Woerden, 2013
• A.J. Kunz, Voor Anker. De betekenis van de ‘Nederlandse Geloofsbelijdenis’ voor leraren. Apeldoorn, 2016
• Ewald Mackay (red.), Een venster op de hemel. Christelijk leraarschap in de lespraktijk, Apeldoorn, 2014
• Bram de Muynck, Henk Vermeulen en Bram Kunz, Essenties van christelijk leraarschap. Een kleine onderwijspedagogiek. Gouda, 2017
• Henk Vermeulen en Bram de Muynck, Hoe is de christelijke school christelijk? Reformatorisch Dagblad, 20 februari 2016. Te raadplegen via www.digibron.nl.


Auteur van deze brochure is drs. H. Vermeulen uit Ouderkerk aan den IJssel. Hij is werkzaam in het onderwijs en betrokken bij het onderzoekscentrum christelijk leraarschap van Driestar educatief te Gouda.


Uitgave van de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk
Bijlage bij De Waarheidsvriend, 26 januari 2017

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 januari 2017

De Waarheidsvriend | 1 Pagina's

Christelijk onderwijs: voor de heen- en de terugreis

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 januari 2017

De Waarheidsvriend | 1 Pagina's

PDF Bekijken