Bekijk het origineel

DE BIJBELSE GESCHIEDENIS 229.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

DE BIJBELSE GESCHIEDENIS 229.

7 minuten leestijd

Antwoorden 91 t/m 100.

91. Uit 2 Sam. 18:5 kunnen we opmaken, dat David ervan overtuigd was dat de Heere hem de overwinning geven zou. De strijd moest nog beginnen toen hij de krijgslieden beval dat zij zachtkens met de jongeling, met Absalom zouden handelen. Hij zag de ondergang van Absalom en zijn leger voor zich. Ook uit de psalmen, die David in die tijd gemaakt heeft, straalt herhaaldelijk zijn geloof en vertrouwen op Gods hulp door. In Psalm 3 : 7 en 8 lezen we b.v.: k zal nUt vrezen voor tienduizenden des volks, die zich rondom tegen mij zetten, Sta op, HEERE, verlos mij, mijn God; want Gij hebt cd mijn vijanden op het kinnebakken geslagen; de tanden der goddelozen hebt Gij verbroken. Zijn sterkte had hij dus in het gebed gevonden.

92. „Uit de stad ter hulp komen", wil zeggen: in de stad blijft een gedeelte van het leger achter. Deze troepen dienen om de vesting te beschermen terwijl het hoofdleger te velde getrokken is. „Ingeval van nood kunt u ons met deze achterhoede te hulp snellen". Zo was althans de bedoeling van zijn manschappen. Inderdaad heeft David hen geholpen, maar dan door het gebed.

93. Het woud verteerde zoveel mensen, omdat God op een bijzondere wijze tegen het leger van Absalom streed. Behalve de 20.000 Israëlieten die door het zwaard van Davids knechten vielen, verongelukten er velen in de kuilen en de moerassen van het woud. Misschien hebben ook de wilde dieren wel een aantal van de verbijsterde opstandelingen gedood.

94. Absalom stierf als een toonbeeld van de vloek Gods. Hij hing tussen hemel aarde. Een gehangene is Gode een vloek, zo staat er in Deut. 21 : 23. In de wijze'waarop Absalom stierf is dus zeker een bijzonder oordeel Gods op te merken. Indien zijn muildier hem in zijn vlucht op de grond had geworpen, zou hij wellicht ook in de handen van Davids soldaten gekomen zijn en door Joab zijn gedood. Maar de Heere wilde - eveiials voor Korach, Dathan en Abiram - iets nieuws scheppen, opdat het bekend zou worden, hoe deze man de Heere getergd had Num. 16 : 30). Tussen hemel en aarde hangende was hen niet alleen weerloos overgegeven aan zijn vervolgers, maar ook onderworpen aan de vloekspraak uit Deuteronomium. Het is ook opmerkelijk dat zijn, lange

haar, waarop hij zo trots geweest was, nu diende als een strop waaraan hij moest hangen tot schande en verschrikking.

95. Neen, Absalom had geen eerbare begrafenis, want zij wierpen zijn lichaam in het woud in een grote kuil (vs. 17 en 18).

96. Op zijn graf was een gedenkteken, maar het was een gedenkteken tot zijn schande. Zoals vroeger met Achan gebeurd was, deden ze nu met Absalom: zij stelden op hem een zeer grote steenhoop. Hierdoor werden de voorbijgangers herinnerd aan het rampzalig einde van een oproennaker, die volgens de wet Gods gestenigd had moeten worden. En om de smaad van zijn begrafenis te verzwaren, wordt ons in vs. 18 nog medegedeeld, dat hij tijdens zijn leven zich een pilaar had opgericht in het Koningsdal nabij Jeruzalem. Hij had dit gedaan om een monument voor zichzelf te stichten: een eervolle nagedachtenis. Ook hierin werd hij door Gods voorzienigheid tegengewerkt, want een ruwe steenhoop zal zijn nagedachtenis wezen en de marmeren pilaar zal zijn naam wel dragen, niet tot zijn eer - zoals hij zich voorgesteld had - maar tot herinnering aan zijn dwaasheid.

97. Ahimaaz wilde dfe boodschapper van de afloop zijn omdat hij zoveel genegenheid voor David had. Zijn opzet was hem een onvoorzichtige tijding van Absaloms dood te besparen. Cuschi was een krijgsman, van wie hij niet verwachtte dat hij rekening zou houden met de gemoedsgesteldheid van de koning.

98. Joab wilde aanvankelijk Ahimaaz niet laten gaan. Hij zal gemeend hebben dat een priester niet zo goed in staat was het verloop van de strijd te melden dan een soldaat.

99. Sommigen vinden Davids ontzettende droefheid over de dood van zijn oproerige zoon onbegrijpelijk. Wij menen echter dat men dan uit het oog verliest dat David behalve koning, ook vader was. Ds. Heikoop merkt zo op, dat David op de ene tijd vlees kon afstaan, doch dat het op een andere tijd onmogehjk was. (Het leven van David, blz. 199). In de natuurlijke liefde van ouders tot kinderen hgt niets vreemds. Dat Absalom zijn vader haatte en ter dood toe vervolgde, was iets onnatuurlijks. Daarenboven zien we in David hoe sterk de natuurlijke liefde van een vader jegens een kind kan zijn. „Handelt mij zachtkens met de jongeUng, met Absalom", , zo had hij aan zijn bevelhebbers gevraagd. Het is alsof hij Absalom wilde verontschuldigen wegens zijn jonkheid: „Hij weet nog niet wat hij doet". En nu hij dood is, wordt David werkzaam met de vloek, die hiji zelf over zijn hiüsgezin gehaald had door zijn zonde. Niet Absalom is in zijn waarneming de hoofdschuldige, maar hijzelf is de kwaaddoener. Zijn eigen schuld acht hij zo groot dat hij Absaloms overtredingen voorbijziet. David zal inzonderheid ook daaraan gedacht hebben, dat zijn eigen zonden waren vergeven en dat hij sterven kon. Absaloms was in zijn zonden gestorven. Nu kon hij niet meer met God verzoend worden: zijn sterven was een overgang naar de eeuwige dood.

100. David heeft in de bange tijd van Absaloms oproer verscheidene psalmen gemaakt. Men vermoedt dat vooral de psalmen 3, 4, 27, 28, 38, 39, 42, 43, 61, 62, 63 en 84 daartoe behoren. We vinden alleen boven psalm 3 de aantekening: „als hij vlood voor het aangezicht zijns zoons Absaloms". Boven de andere psalmen missen we de mededeling van de omstandigheden waaronder zij ontstaan zijn. Psalm 63 heeft nog tot opschrift: „Een psalm Davids als hij was in de woestijn van Juda”.

Toch behoeven we er niet aan te twijfelen dat de bovengenoemde psalmen verband houden met de geschiedenis van zijn vlucht voor zijn zoon Absalom. We moeten echter bedenken dat bij Davids psalmen twee tijdstippen te onderscheiden zijn. Het eerste is het moment, waarop het Ued in beginsel-is ontstaan - het tweedfe is het tijdstip waarop het werd uitgewerkt. Tussen het eerste en het tweede lag meestal een tijdsruimte, die de dichter gebruikt heeft tot rustige overdenking van de stof. De grootheid van de gevaren die hij had doorgemaakt, het smeken tot de Heere om uitredding, het hopen op verhoring en het ondervinden van de lieifelijke gunst des Allerhoogste, het ligt allemaal als hoofdgedachte ten grondslag aan de bovengenoemde psalmen. De gebeurtenissen zelf en de presonen, die er bij betrokken waren, worden echter zelden genoemd, althans zij worden niet scherp aangeduid. Alleen een geoefend oog kan ze herkennen. Evenwel omdat David zijn, psalmen meestal lange tijd na de eigenlijke gebeurtenis maakte had hij gegelegenheid gehad zijn afgelegde weg te overzien in het licht van de verborgen leiding des Heeren. Zijn psalmen verkregen daardoor temeer een diepe, geestelijke betekenis. En juist die karaktertrek maakt zijn psalmen zo.geschikt tot algemeen kerkelijk gebruik. Nu kan de gemeente Gods (en ieder van Gods gunstgenoten in het bijzonder) de bevinding en de aandoening van het eigen zieleleven in die „gouden kleinoden Davids" uitgedrukt vinden.

Wanneer ik, op mijn legerstee, Aan U gedenk in stille nachten, Dan peinst mijn ziel met al haar krachten, Hoe Gij voorheen in angst en wee. Wanneer me de vijand wild omringen. Mij vaardig zijt ter hulp geweest. Dies zal ik nu ook, onbevreesd, In schaduw Uwer vleug'len zingen.

Psalm 63 : 4.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juni 1969

De Wachter Sions | 4 Pagina's

DE BIJBELSE GESCHIEDENIS 229.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 juni 1969

De Wachter Sions | 4 Pagina's

PDF Bekijken