Bekijk het origineel

I. HET GELOOF IN GOD DE VADER ALS ONZE SCHEPPER.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

I. HET GELOOF IN GOD DE VADER ALS ONZE SCHEPPER.

12 minuten leestijd

Zondag 9.

Het is niet alleen in betrekking tot het geestelijke leven, maar ook tot het tijdelijke leven, een veelomvattend en dierbaar getuigenis dat de Heere Zijn volk doet horen in Jesaja 54 : 5, als Hij daar zo zegt: „Want uw Maker is uw Man, Heere der heirscharen is Zijn Naam; en de Heilige Israels is uw Verlosser, Hij zal de God des gansen aardbodems genaamd worden." God is ons aller Maker, maar Hij is niet ons aller Man. Tot Zijn volk alleen zegt de Heere dus: „Want uw Maker is uw Man." In de grondtaal staat er eigenlijk in het meervoud: „Want uw Makers zijn uw Mannen." Zo staat er ook in Prediker 12 in het meervoud: „En gedenk aan uwe Scheppers in de dagen uwer jongelingschap."

Alle drie, de Goddelijke Personen hebben hemel en aarde geschapen. Als er echter zo in die meervoudsvorm wordt gesproken, dan wijst ons dat ook op de grootheid en heerlijkheid des Scheppers. Gods volk heeft veelal ook nog geringe gedachten van de Schepper. En zo heeft men dan ook meest maar te geringe gedachten van Zijn trouwe onderhoudende zorg in de weg der voorzienigheid.

Men behoeft echter van Hem geen geringe gedachten te hebben. Hij noemt Zich door de mond van de profeet de Heere der heirscharen. En ook wordt er nog zo met nadruk gezegd: „Hij zal de God des gansen aardbodems genaamd worden."

Het is geen kleine zaak, als die God onze Man wil zijn. Hij is dus onze Maker. Hij heeft eenmaal de mens geschapen tot Zijn eer en heerlijkheid. Aan dat doel beantwoordt de van God afgevallen mens niet meer. Maar nu wü God Zich verheerlijken in het werk van een genadige herschepping. Daar spreekt de dichter van Psalm 100 van, als hij zegt: , ^Weet, dat de Heere God is; Hij heeft ons gemaakt, (en niet wij). Zijn volk en de schapen Zijner weide." Hij geeft er dus Zijn volk die troostvolle wetenschap van, dat Hij hun tot Man en Maker is. „Uw Maker is uw Man", zo spreekt Hij door de mond van de profeet tot Zijn volkop zulk een liefderijke wijze. Hij is de Man Zijns volks door een geestelijk huwelijksverbond. Als Man heeft Hij heerschappij over Zijn volk, maar bewijst Hij Zijn volk ook zulk een tedere liefde en ontbreekt het Zijn volk ook niet aan Zijn trouwe zorg.

Zo beluisteren we dus in Jesaja 54 een veelomvattend en dierbaar getuigenis, niet alleen in betrekking tot het geestelijk, maar ook tot het tijdelijk leven. De Heere wil Zich als die hemelse Man en Zielebruidegom aan Zijn volk verbinden, als Hij de ziel tot de wetenschap brengt van met Hem in een geestelijk huwelijksverbond gebracht te zijn. Daar spreekt Hij het Zelf tot de ziel: „Want uw Maker is uw Man, Heere der heirscharen is Zijn Naam." Dat is een weldaad waar een oprecht bekommerde ziel met sterk verlangen naar uit kan zien. Mocht men zo de Heere toch ook eens zijn Man en Maker noemen ! Het was voor de arme Ruth geen geringe zaak, als de rijke Boaz naar haar omzag en zich over haar ontfermde en haar zich tot een vrouw wilde nemen. En geen mindere eer viel Ester ten deel, als zij behorende tot het in ballingschap verkerende volk, door de machtige Ahasveros getrouwd werd en koningin gemaakt werd in de plaats van Vasti. Zou het dan geen grote zaak zijn, als de Heere der heirscharen en de Gods des gansen aardbodems ons niet alleen tot een Maker, maar ook tot een Man wil zijn ? Hij is de Maker van elk schepsel. Een slang is ook een schepsel Gods. Ja, het afzichtelijkste schepsel is het werk Zijner handen. En zo zijn ook zelfs de duivelen Zijn schepselen. Neen, Hij heeft geen duivelen gemaakt, maar engelen. Toch zijn de gevallen engelen ook Zijn schepselen, die wel goed en recht door Hem ge­ schapen zijn, maar door hun val nu duivelen in de hel zijn geworden. En deze duivelen wü Hij niet meer tot een Man zijn, want waarlijk. Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan.

Eeuwig wonder toch, als het voor ons zal mogen gelden: „Want uw Maker is uw Man, Heere der heirscharen is Zijn Naam." Hij voegt er verder ook nog aan toe: „en de Heilige Israels is uw Verlosser, Hij zal de 'God des gansen aardbodems genaamd worden." Hij is de verlosser Zijns volks, geestelijk en uitwendig. Hij verlost Zijn volk uit die ellendige en jammervoUe staat waarin het zich door de zonde heeft gebracht. Hiervan is genoeg te zeggen, zoals we zullen begrijpen.

Hij is echter ook de Verlosser Zijns volks uit alle uitwendige noden. En dat als de Heere der heirscharen en als de God des gansen aardbodems. Zou er voor die God iets te wonderlijk zijn .? Wat is het dan toch een voorrecht, om zulk een Man te mogen hebben. Die voor ons zorgt in alle moeilijke omstandigheden des levens. Geen betere man kunnen we ooit hebben om yoor ons te zorgen. Een aardse man kan goed voor ons zijn en liefderijk zorg over ons dragenr maar zijn vermogen kan tekort schieten om ons te helpen. Bij de Heere ontbreekt het aan macht en vermogen niet. Als de Man Zijns volks wil Hij Zijn volk raad geven in zulke wegen waarin men waarlijk om raad verlegen is. Ziet men zich weerloos tegenover zijn benauwers, dan zal deze Man het aan Zijn hulp niet doen ontbreken. Is men treurig, neergebogen en verslagen. Hij wil Zijn volk tot een Trooster zijn. Verkeert men onder armoede en gebrek naar de wereld, bij Hem is geen armoede en gebrek, want Hij is de God des gansen aardbodems. De koning Ahasveros sprak eens zeer liefderijk tot de koningin Ester, als hij haar de gouden scepter toereikte: „Wat is u, koningin Ester, of wat is uw verzoek ? Het zal u gegeven worden, ook tot de helft des koninkrijks." In veel meerdere mate wil de Heere de begeerten Zijns volks vervullen, want waar het vermogen van die machtige koning Ahasveros ophield, al regeerde hij ook van Indië af tot aan Morenland toe, daar gaat het vermogen van die Goddelijke Man door, daar Hij de God des gansen aardbodems is. In zulk een almachtige Schepper van hemel en aarde. Die Zijn trouwe zorg over Zijn volk doet uitgestrekt zijn in dit aardse tranendal, mag de ware christen, tot zijn zaligheid geloven en geeft daarvan getuigenis in die kostelijke belijdenis waarvoor we met de hulp des Heeren aan de hand van de 9e zondagsafdeling van onze Heidelbergse Catechismus thans uw aandacht hebben te vragen.

Zondag 9.

Vraag 26:

Wat gelooft gy met deze woorden: Ik geloof in God, de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde ?

Antwoord:

at de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus, Die hemel en aarde, met al wat er in is, uit niet geschapen heeft. Die ook dezelve nog door Zijn eeuwige raad en voorzienigheid onderhoudt en regeert, om Zyns Zoons Christus' wil, myn God en myn Vader zij; op Welke ik alzo vertrouw, dat ik niet twijfel, of Hij zal mij met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzorgen, en ook al het kwaad, da Hij my in dit jammerdal toeschikt my ten beste keren; want Hy zulks doen kan als een almachtig God en ook doen wil als een getrouw Vader.

We worden hier dus bepaald bij: het geloof in God de Vader als onze Schepper.

En we willen dan zien:

1. Wat dat geloof belijdt.

2. Hoe dat geloof ons troost.

Onze twaalf geloofsartikelen spreken dus over God de Vader en onze schepping, over God de Zoon en onze verlossing en over God de Heilige Geest en onze heiligmaking. In de zondagen 9 en 10 zal het nu eerst gaan over God de Vader en onze schepping.

Zondag 9 bepaalt ons bij de schepping van hemel en aarde en zondag 10 bepaalt ons bij de voorzienigheid Gods, want die voorzienigheid is aan de schepping onafscheidenlijk verbonden. Thans vraagt dus het werk der schepping in het bijzonder onze aandacht. En toch moeten we er ook weer erg in hebben, dat deze zondagsafdeling niet helemaal alleen over de schepping spreekt. We zijn geneigd om bij de behandeling van deze zondag de schepping van hemel en aarde als hoofdzaak te zien van wat in dit geloofsartikel yvordt beleden, maar deze' zondag laat ons juist weten dat dit niet de hoofdzaak van dit geloofsartikel is. De hoofdzaak in dit artikel is het eeuwig Vaderschap Gods.

In het antwoord .-dat we in deze zondagsafdeling kuimen vinden, mag de ware christen belijden te geloven dat de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus, om Zijns Zoons Christus' vril, zijn God en Vader zijt. Dat is de hoofdzin in dit antwoord. Als bijzin wordt er aan toegevoegd: „Die hemel en aarde, met al wat er in is, uit niet geschapen heeft. Die ook dezelve nog door Zijn eeuwige raad en voorzienigheid onderhoudt en regeert."

Moeten we dan helemaal maar niets van de schepping zeggen? Ja, het is zelfs wel hoognodig, voornamelijk in deze tijd, dat et

over het grote wonderwerk van Gods schepping iets wordt gezegd. Dit moet echter niet alléén onze aandacht bezighouden. Onze Catechismus is een troostboek voor Gods kerk. Dat blijkt ook weer uit de toelichting die hier gegeven wordt op de inhoud van dit geloofsartikel.

Allereerst wordt gezegd dat in dit artikel wordt beleden, dat de eerste Persoon in het Goddelijk Wezen de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus is. Zondag 13 zal ons daar nog nader bij bepalen, waarom we daar ook nu niet uitvoerig op ingaan. Christus is de van eeuwigheid gegenereerde Zoon des Vaders. De Vader deelt onophoudelijk aan Hem hetzelfde Goddelijke Wezen mee. Dat betekent kort en goed die generatie, zoals de Middelaar daar ook Zelf die omschrijving van gegeven heeft in Johannes 5 : 26, waar Hij gezegd heeft: „Want gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelven, alzo heeft Hij ook de Zoon gegeven het leven te hebben in Zichzelven."

Omdat de eerste Persoon alzo de Zoon genereert, wordt Hij de Vader genoemd. Bij de mensen is er van vaderschap en generatie sprake, omdat daar ook bij God sprake van is. Dus niet omgekeerd spreken we op een menselijke wijze van vaderschap en generatie bij God, want al het geslacht in hemel en op de aarde wordt uit God genoemd. Als er zo gesproken wordt over „al het geslacht", betekent dat ook vaderschap en maagschap. Het vader-zijn onder de schepselen heeft uit God zijn oorsprong.

Van God de Vader nu wordt verder in dit geloofsartikel beleden, dat Hij de Almachtige is. De almacht is een mededeelbare eigenschap Gods. Mededeelbaar zijn die eigenschappen, waarvan iets bij de mensen is te vinden. In God zijn echter die eigenschappen ook weer oneindig en onmededeelbaar'. Bij de mensen is er ook wel macht en daarom noemen we die eigenschap een mededeelbare eigenschap. In God is echter de macht een almacht en zo is dus die eigenschap in God oneindig en onmededeelbaar. Verder is deze eigenschap een wezenseigenschap, zodat dus de Zoon en de Heilige Geest zowel almachtig zijn als de Vader. Wordt hier dus in dit artikel van God de Vader als de Almachtige gesproken, dan wordt daarmee niet gezegd dat de Vader alleen almachtig is en dat de Zoon en de Heilige Geest dat niet zijn. Ook de Zoon en de Heilige Geest zijn almachtig en ook Zij zijn Schepper van hemel en aarde.

De drieënige God is Schepper van ttet ganse heelal. 'Van de Zoon Wordt gesproken als het Woord en •ioor dat Woord zijn alle dingen gemaakt. Ook van de Heilige Geest Wordt er duidelijk als Schepper gesproken. „Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt. en door de Geest Zijns monds al hun heir." Ook lezen we in Psalm 104: „Zendt Gij Uwe Geest uit, zo worden zij geschapen.!'

Toch-wordt in het bijzonder van de Vader als de Almachtige gesproken en wordt Hem ook in het bijzonder de schepping toegeschreven. De apostel zegt immers „Nochtans hebben wij maar één God, de Vader, uit Welke alle dingen zijn en wij tot Hem." De Heere Jezus heeft gezegd: „Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt." Hij wordt daar dus de Heere des hemels en der aarde genoemd.

En hier in het antwoord lezen we:

„Dat de eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus, Die hemel en aarde, met al wat er in is, uit niet geschapen heeft. Die ook dezelve nog door Zijn eeuwige raad en voorzienigheid onderhoudt en regeert, om Zijns Zoons Christus' wil, mijn God en mijn Vader zij."

De Vader heeft dus hemel en aarde met al wat er in is, uit niet geschapen. Dat wordt hier zomaar kortweg gezegd. Maar daarmee wordt dan ook aangenomen als in het voorbijgaan, dat dit voor ons een ontwijfelbare waarheid is. En dat dient het ook voor ons te zijn. We hebben ons niet in te laten met al die wetenschappelijke beschouwingen waarmede men het wonderwerk van Gods almacht, namelijk de schepping, weet te loochenen. We moeten ons heel eenvoudig aan het scheppingsverhaal houden, zoals we dat in het begin van onze Bijbel kunnen vinden. God schiep hemel en aarde in zes dagen tijd. Scheppen is iets uit niets voortbrengen en is alzo van maken onderscheiden, want maken wil zeggen: aan een reeds bestaande stof een zekere vorm geven. Zo kan de mens slechts maken. Als het hem maar niet aan grondstof ontbreekt, kan hij heel wat maken, maar bij het ontbreken van de grondstof houdt zijln werk op. God echter schiep uit niets, dus ook niet uit eeuwige stof. Als de stof er van eeuwigheid was geweest, dan was de stof niet geschapen en mitsdien van God onafhankelijk en dus ook God. Maar de stof is geschapen en wat geschapen is, is niet van eeuwigheid. Vóór God schiep, was er niets, dus zelfs geen stofje. Er was niets anders dan de eeuwige God Zelf.

En God schiep in den beginne. Men kan zeggen dat dit een rekbaar begrip is, want immers „in den beginne" kan ook wel een hele tijd geweest zijn volgens de hedendaagse geleerden maar wij hebben er niet anders door te verstaan dan het begin van de schepping Gods. We houden tegenover al de geleerdheid van deze tijd strak vast aan het geloof in een schepping uit niets, in zes gewone dagen.

Wordt vervolgd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1973

De Wachter Sions | 8 Pagina's

I. HET GELOOF IN GOD DE VADER ALS ONZE SCHEPPER.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1973

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken