Bekijk het origineel

KERK STAAT en SCHOOL

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

KERK STAAT en SCHOOL

5 minuten leestijd

Overheid en onderdaan, 38

De afscheiding (verrolg).

Groen van Prinsterer vervolgt zijn verdediging van de afgescheidenen door te wijzen op het ondoeltreffende, het ontoereikende en het nadelige van de vervolgingen. Ondoeltreffend omdat, „volharden voor de afgescheidenen pUcht is zolang hun overtuiging niet verandert." Ontoereikend omdat „tot gewetensdwang elke straf ongenoegzaam is." Nadelig omdat met vervolging slechts „verontwaardiging bereikt wordt." Daarenboven is de vervolging onrechtmatig; gerechtigheid is de zekerste grondslag van elke Troon. „Men behoort het onregt als onregt te verwerpen."

Onpartijdigheid vraagt hij, beslissingen zonder aanzien des persoons want de afgescheidenen zijn ingezetenen van Nederland, dus geen inkwartieringen. Zij zijn leden ener gezindheid die de openbare orde of veiligheid niet stoort, dus vrije godsdienstoefening. Zij zijn ook leden der Gereformeerde gezindheid, dus hebben zij evenals de leden van het Kerkgenootschap, recht op gelijke bescherming welke aan alle in het Rijk bestaande gezindheden wordt toegekend.

Stuk voor stuk noemt Groen de wetsartikelen op die geschonden worden door de vervolgingen. Nauwgezet beschrijft hij waarin de afgescheidenen achtergesteld worden bij de overige bevolking. De vervolging werd bedreven omdat de afgescheidenen geen bestaande gezindheid vormden. Uit het verband der wetsartikelen toont hij aan dat het begrip „bestaande" in geen enkel opzicht van toepassing kan zijn op de afgescheidenen. Integendeel, zij zijn leden van een gezindheid die de openbare orde of veiligheid niet verstoort en hebben daarom een grondwettelijk recht tot onbelemmerde godsdienstoefening. „Het is bepaaldelijk aan de Regering dat de grondwet - de handhaving van de dierbaarste aller vrijheden opgelegd heeft: „de Koning zorgt dat geen godsdienst gestoord worde in de vrijheid van uitoefening die de Grondwet waarborgt." Groen vervolgt: „Betaamt het dat in Nederland en onder een Vorst uit een bij uitnemendheid Godsdienst- en vrijheidslievend geslacht geen twintig mensen zonder toestemming van het Gouvernement een gebed, een lofzang tot God mogen heffen ? Is dit in 1814 en 1815, toen de lof van milde en vrijzinnige begrippen geheel Europa doorklonk, de mening dèr Grondwet geweest ? "

De afgescheidenen zijn geen nieuwe secte, zij zijn gereformeerd, leden der Gereformeerde gezindheid. „Is het niet bekend en overbekend dat zij Gereformeerden zijn; Gereformeerden bij uitstek en dat hierin juist de grond der scheiding ligt ? Afvalligen wellicht van het Kerkgenootschap, maar voorzeker getrouwe leden van de gezindheid, van de kerk. En het is niet aan het kerkgenootschap van 1816, het is aan de in 1815 bestaande Hervormde Gezindheid dat bescherming door de Grondwet toegekend wordt. De belijdenis, de uitdrukking van het gemeenschappelijk geloof, kentekent de Gezindheid. De Afgescheidenen, wel verre van de Hervormde belijdenis te laten varen, klemmen zich veeleer, indien ik het dus uitdrukken mag, er aan vast." Waarom wordt hun dan de naam - gereformeerd- betwist ? De overheid kent buiten het Hervormd kerkgenootschap geen Hervormden, dat is het antwoord ! Maar wie gaf het recht die cirkel te trekken .? „Hoe zou iemand die der belijdenis van de Hervormde Kerk hartelijk genegen, die in nadruk Gereformeerd-gezind is, van de Gereformeerde gezindheid uitgesloten zijn ? Het deelnemen'aan een kerkgenootschap kan worden belet, maar nooit het behoren tot een gezindheid; dit is een zaak van het hart."

De Hervormde Kerk wenst zich „eenzelvig" met het Kerkgenootschap te beschouwen. Daarom had die kerk op het kenmerkende der gezindheid prijs moeten stellen. Het tegendeel is waar. Wat geloofseenheid betreft is het kerkgenootschap in feite opgeheven. Wat bestuur aangaat heeft het de gereformeerde beginselen terzijde gelegd. Het genootschap heeft zich daarmee feitelijk van de Gereformeerde kerk afgescheiden; de afgescheidenen hebben niet de kerk verlaten, maar zij die in het genootschap bleven.

Tot zover Groen van Prinsterer in zijn verdediging van de afgescheidenen. Zijn optreden getuigt van scherpzinnigheid en een moed die te waarderen is. Toch zijn er bedenkingen. Hij beroept zich overwegend op rechten en vrijheden die in grondwet en andere wetten vastgelegd waren. De grond van zijn verdediging is daarom juridisch terecht; zijn pleiten is dat van een bekwame advocaat. Maar is het ten rechte verdediging te zoeken op gronden die op zich zelf verwerpelijk zijn ? Immers, de wetgeving waaraan hij argumenten ontleent en waarop zijn verdediging voor een groot deel steunt, draagt de kenmerken van de Franse revolutie. Ook Groen verlangt godsdienstvrijheid, weliswaar op geheel andere gronden dan de revolutie, maar toch godsdienstvrijheid. In zijn betogen wordt het onderscheid tussen godsdienstvrijheid en gewetensvrijheid gemist. Calvijn, de Bres, Datheen en de oude gereformeerden verlangden meer. Zij hielden staande dat de Overheid Gods dienaresse is en daarom had te „weren en uit te roeien alle valse godsdienst." Geen vrijheid dan alleen voor DE Kerk.

De afgescheidenen, althans een deel van hen, hebben juist dat scherp gezien toen zij de aangeboden vrijheid weigerden. De Koning had namelijk bij Besluit van 5 juli 1836 „nopens onwettig bestaande godsdienstige verenigingen en bijeenkomsten" onder een aantal deels materiële voorwaarden vrijheid aangeboden. Die vrijheid moest gevraagd worden ! Daarmee zouden de afgescheidenen erkennen een on- ' wettig bestaan te hebben. Zij ontzegden de Koning het recht om hun vrijheid te schenken. Hun recht was een hoger Recht, namelijk dat van de Koning der Kerk, niet van een aardse heerser. Zij vormden de aloude Nederlandse Gereformeerde Kerk en konden daarom op deugdelijke gronden aanspraak maken op alle rechten.

Toch volhardden velen niet bij dat beginsel; de vervolging drukte zwaar. Utrecht was de eerste gemeente die. zwichtte en vrijheid vroeg. Amsterdam volgde en daarna andere gemeenten. Zij werden Christelijk Afgescheidenen. Die geen vrijheid vroegen werden Gemeenten onder het Kruis.

Na de troonsafstand van Koning Willem I in 1840 kwam zijn zoon, Willem II aan het bewind. Deze wilde „doen ophouden de klagten over de toepassing" van het Besluit van 1836 en vaardigde daarom een nieuw Besluit uit (1841) om de ambtelijke willekeur bij de vrijheidsaanvragen te beperken. De voorwaarden om tot vrijheid te komen echter bleven. Koning Willem III bracht verdere vereenvoudigingen aan, in een Koninklijk Besluit van 1852. Inmiddels was echter een geheel gewijzigde staatkundige toestand ingetreden.

Wordt vervolgd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 1974

De Wachter Sions | 8 Pagina's

KERK STAAT en SCHOOL

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 september 1974

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken