Bekijk het origineel

antwoord per brief

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

antwoord per brief

17 minuten leestijd

Geachte Mevr. A.V.v.R.,

Uit een „Antwoord per brief" die in het begin van het jaar in ons blad gestaan heeft, hebt u vrijmoedigheid gevonden om me ook een vraag te stellen. Daar ben ik verblijd mee, want ik zie liever dat men door mijn brieven vrijmoedigheid krijgt om te schrijven dan dat daardoor de vrijmoedigheid wordt ontnomen. Goed verstaan, ik bedoel daarmee zulk een vrijmoedigheid als die u daardoor kreeg, want er kunnen er ook altijd nog zijn die een vrijmoedigheid krijgen om te schrijven waar ik niet mee ingenomen ben. U hebt me echter iets uit uw zieleleven meegedeeld en me doen weten wat in de duisternissen uwer ziel u voorgekomen is, maar waar u echter ook weer bestrijding op gekregen hebt. Daar ik echter geschreven heb, dat ik hoopte ertoe verwaardigd te mogen worden om de neergebogenen tot een hand en een voet te mogen zijn, heeft u dat de vrijmoedigheid doen vinden om het nu dan maar eens op papier te zetten wat u steeds nog maar niet hebt durven schrijven. In de bange verlating waarin uw ziel verkeerde, is u zo voorgekomen: „Uw weg was in de zee, en Uw pad in grote wateren, en Uw voetstappen werden niet bekend." Die laatste woorden hebt u echter maar niet kunnen begrijpen. U hebt moeten denken aan die bekende regels uit Psalm 65:

Waar Gij Uw voetstap zet. Daar doet Gij 't al ten zegen dijen. Daar druipt het al van vet.

Nu weet u er heel geen raad meer mee, want u hebt niets anders kunnen denken, dan dat die voetstappen in uw weg gemist werden. En nu vraagt u mij, of uw weg nu onder het oordeel ligt en van niet anders dan de vloek getuigt, of dat de Heere misschien in zo'n weg Zijn gezegende voetstappen in uw hart zou willen zetten.

Als ilc uw vraag tracht te beantwoorden, doe ik dat vanzelf aan de hand van het gehele briefje dat u naar me hebt geschreven. Neen, ik zal niet alles schrijven wat u naar mij geschreven hebt, want dat neemt het vertrouwen weg. Dat moet dus tussen ons blijven. Naar mijn weten ken ik u persoonlijk niet, althans kan ik u in mijn gedachten wat uw persoon betreft niet voor me halen. Alleen heb ik in bijzondere omstandigheden u even aan de telefoon gehad, wat me goed deed, want u hebt daarin uw medeleven getoond. En zulk medeleven doet te meer goed, als men die dan van een onbekend persoon ontvangt, terwijl degenen van wie men medeleven zou moeten kunnen verwachten, dan juist niets van zich doen horen. Ook wat dit laatste betreft, gaat mijn weg veelal door de zee en mijn pad door grote wateren.

Daarom deed het me te meer goed, als u zo meelevend was. Alleen was ik er een beetje over beschaamd, dat ik op dat moment me niet heriimeren kon, een briefje van u te hebben ontvangen. Dat briefje had ik achteraf gezien, nog maar een week in mijn bezit. En toen ik zag dat het voor deze rubriek bestemd was, heb ik bij gebrek aan tijd het maar ineens bij het gehele stapeltje brieven gelegd. Maar nu heb ik het gevonden en wil ik ook als blijk van erkentelijkheid voor uw medeleven nu eerst dat briefje trachten te beantwoorden.

Maar ja, nu komt de moeilijkheid, want ik heb voor mezelf over het algemeen ook zo weinig licht over die tekst. Ik schreef u zoeven, dat mijn weg veelal ook door de zee gaat, maar de dichter zegt dat zijn weg Gods weg was, want we lezen: , ^w weg was in de zee, en TJw pad in grote wateren." Die weg is voor ons verborgen en wij kunnen dan ook niet anders zien dan dat onze weg voor de Heere verborgen is. U hebt me er wat van geschreven en ik voelde daarin ook enige verbinding, omdat ik ook zo'n arme sukkelaar ben. Och, uit wat ik van anderen gehoord en gelezen heb, valt het me niet zo moeUijk om iets te zeggen of te schrijven over de weg des Heeren met Zijn volk. Met beschouwende kennis kan men het zeer ver brengen. Het ontbreekt velen niet aan een goede opsluiting. 2e hebben Gods volk horen spreken over de wegen des Heeren en ze hebben dat verstandelijk goed in zich opgenomen, Ook hebben zij die keimis die ze op die wijze vergaard hebben, altijd tot hun beschikking. Ze rijgen zomaar het ene aan het andere. Voor predikanten is dat ook heel erg gemakkelijk. Ze kurmen er een bevindelijke preek mee brengen en schijnen voor velen een diep geestelijk inzicht te hebben. Het verstand kan geweldig veel doen.

Maar Asaf spreekt in Psalm 77 over een volk dat met zijn verstand niets beginnen kan. Daar zorgt de Heere ook wel voor. U hebt u zelfs met de kanttekening nog niet kumien helpen, want u hebt er de kanttekening op nageslagen en die liet u weten dat de kinderen Israels door de Rode Zee gegaan waren, maar dat er geen teken van zulk een doortocht overbleef, want de wateren keerden weder en waren als tevoren. We kunnen dat lezen in Exod. 14. Daar lezen we dat de Egyptenaren de kinderen Israels achterna gingen, als de kinderen Israels droogvoets door de Rode Zee geleid werden, maar Mozes moest zijn hand uitstrekken over de zee en toen kwamen de wateren terug, die de Heere eerst tot een muur had doen zijn voor de kinderen Israels aan hun rechter- en aan hun linkerhand. Dus die Egyptenaren konden niet door de zee in de voetsporen van de kinderen Israels.

Ik denk dat u daarom ook veelal niet anders kunt denken dan dat u net als die Egyptenaren bent. U kunt de voetstappen van de kinderen Israels in de Rode Zee niet vinden. De wateren zijn er overheen gegaan. Anderen kunnen precies de voetstappen van de kinderen Israels vinden, want ze hebben het de kinderen Israels horen vertellen hoe ze door de zee gegaan zijn en wat daar toen op gevolgd is. Vandaar krijg je zulke mooie bekeringswegen en kan men met wat men van anderen gehoord heeft, nog bevindelijk preken ook. O die apen en die papegaaien onder de godsdienst ! En ze zijn toch zo brutaal! Ja, want ze weten altijd de weg. Hun verstand laat ze niet in de steek. Ze worden zelf nooit Egyptenaren, die verdrinken moeten in dezelfde zee waar de kinderen Israels droogvoets doorgeleid werden. Maar als ik uw briefje lees, dan bent u bang dat uw weg onder het oordeel is, want u kunt de voetstappen des Heeren met Zijn volk er niet in vinden. U hebt diep in de put gezeten en u hebt u van God en Zijn volk verlaten gevoeld (dat mag ik toch wel even verraden ? ) en als u aUeen thuis was, hebt u het zomaar stilletjes voor de Heere uit zitten wenen, wat volgens uw schrijven maar zelden gebeurt. En dan hebt u aan de Heere verteld dat u geen weg meer wist en Hem gevraagd of in Zijn ganse Woord uw weg dan niet was te vinden. U wist het waarlijk niet meer. En toen zijn u die woorden uit Psalm 77 voorgekomen, maar toen wist u het nog niet. En met de kanttekening werd u ook niet wijzer. Nu vraagt u het aan een man die het ook meestentijds niet weet. Daarbij komt dan nog dat raadsel, dat de voetstappen des Heeren van vettigheid druipen, terwijl uw ziel in magerheid verkeert. Nu vraagt u mij, of uw weg nu onder het oordeel ligt en van niet anders dan de vloek getuigt, of dat de Heere misschien in zo'n weg Zijn gezegende voetstappen in uw hart zou willen zetten. Maar tegelijk laat u mij ook nog weten, dat u ernaar kunt hunkeren, dat de Heere nog eens een woordje van vrede en genade tot uw schuldige ziel zou willen spreken.

O, dat kan ik goed van u verstaan. U stelt me dus wel die vraag, maar wetende dat de Heere u de weg moet wijzen en dat u met niet minder kunt geholpen zijn. Al zou de voornaamste leraar u zo precies naar de Schrift en de bevinding der heiligen de weg des Heeren met Zijn volk verklaren, dat u er niet onder uit kon dat dit de weg is die u ook moet gaan, zo zou u er toch ook weer niet mee geholpen kunnen zijn. De kinderen Israels hadden de hemelse vuur- en wolkkolom nodig om ze te geleiden. Maar och, we mochten elkander toch ook nog eens tot een hand en een voet zijn op de weg des levens. Diezelfde 77e Psalm laat ons toch ook weten, dat de Heere Zijn volk leidde als een kudde door de hand van Mozes en Aaron.

Het is mijn innerlijke verzuchting altijd geweest, zoals ik in de door u bedoelde brief heb laten weten, dat de Heere me voor Zijn ware bekommerde en veeltijds zo neergebogen volk nog tot onderrichting en bemoediging zou willen gebruiken. En dat heeft u de vrijmoedigheid nu eindelijk doen vinden om aan mij te schrijven. Tot de ware bekommerden 'durft u zich niet te rekenen, maar wel kunt u zeggen dat u tot de neergebogenen behoort. Met het bekommerde volk heb ik ook echter niet bedoeld degenen die zo goed weten dat zij bij het bekommerde volk behoren. Als men zich nog bij het bekommerde volk kan scharen, dan zijn de voetstappen des Heeren nog niet zo onbekend. En velen zijn van een bekommering tot een bevestiging gekomen, maar niet door het nooit ontdekte spoor, zoals de berijmde Psalm daarvan spreekt. De meesten hebben tegenwoordig een plattegrond van de weg der bekering. Men kan zich met een wegenkaart goed behelpen. Bent u jaloers op al die gerechtvaardigde mensen die er op het ogenblik in Nederland zijn ? Zo donker als de tijd ook is en zo weinig geestelijk leven als er ook te vinden is, men gaat steeds meer horen van gerechtvaardigde mensen. Och ja, om niet te onbetekenend te zijn, moet men toch kunnen zeggen dat men gerechtvaardigd is. Maar ik heb begrepen dat u van uzelf meest niet kunt denken dat er een ware bekommering bij u te vinden is. Toch mag u niet gering achten dat u zo'n antwoord hebt gekregen uit Ps. 77. U hebt me uw zielsgesteldheid waarin u dat antwoord kreeg, medegedeeld. U hebt wenend aan de Heere gevraagd of uw weg die zo verborgen voor u is, in Gods Woord te vinden is. En ja, nu is het zo groot om het voor een antwoord van de Heere te houden, als u die woorden uit de 77e Psalm zo voorgekomen zijn. U hebt met die woorden u ook niet kunnen helpen. Wat zijn nu die onbekende voetstappen ? Met de woorden van Ps. 77 voor u, bent u net als de kamerling met Jesaja 53 voor zich, op de wagen teruggekeerd naar Morenland. En nu vraag ik u, zoals Filippus aan de kamerling deed: „Verstaat gij ook wat gij leest ? " En dan hoor ik u zeggen: „Hoe zou ik toch kunnen, zo mij niet iemand onderricht ? "

Och, mocht nu die lieve Geest er eens bij mij aan te pas komen, evenals bij Filippus, om mijn mond tot u te openen, maar ook om u dat water te doen zien waardoor dat onbekende spoor loopt. Dan blijft er geen verhindering meer voor u over. „Ziedaar water; wat verhindert mij gedoopt te worden ? " En waarlijk, dan zal de vrucht daarvan ook bij u zijn, dat ge uw weg met blijdschap zult reizen, dus dan gaan de voetstappen van vettigheid druipen. U zult de Heere moeten volgen in het nooit ontdekte spoor. Op mensen die zich met een wegenkaart kunnen helpen, al zou het er ook één van Eva v. d. Groe zijn, behoeft u niet jaloers te zijn. Zulke mensen hebben een voorbeeld voor zich en volgens dat voorbeeld gaan ze op een bepaalde tijd (ze weten dag en uur te noemen) zacht en kalm in Christus over. Maar Psalm 77 zegt ons: „De wateren zagen U, o God, de wateren zagen U, zij beefden; ook waren de afgronden beroerd. De dikke wolken goten water uit, de bovenste wolken gaven geluid; ook gingen Uw pijlen daarheen. Het geluid Uws donders was in het rond; de bliksemen verlichtten de wereld; de aarde werd beroerd en daverde." En dan lezen we: „Uw weg was in de zee, en Uw pad in grote wateren, en Uw voetstappen werden niet bekend." Jacobs zaad was in menigte uitgegroeid. Die uit Egypte trokken waren zeshonderd duizend te voet, mannen alleen, behalve de kinderkens. Daar waren heus wel schrandere mensen onder. Maar als men nu aan al die mensen had gevraagd, door welke weg de Heere nu verder het volk leiden zou, was er wel niet één onder hen, die had kunnen zeggen dat de Heere nu een weg door de zee zou baren. O, dat blindelings volgen van de Heere houdt toch wat in ! De kinderen Israels hebben gemurmureerd voor de Rode Zee. Maar de Heere sprak tot Mozes: „Wat roept gij tot Mij ? Zeg den kinderen Israels, dat zij voorttrekken." Ja maar, hoe kon men daar nu voorttrekken ? Dan moest men verdrinken.

Ja Mevr., u moet verdrinken. Gods weg is in de zee. Daar zijn de voetstappen des Heeren. U schrijft mij, dat u zich met die woorden niet hebt kunnen helpen, daar u zo gevoeld hebt dat die voetstappen zo in uw leven worden gemist. U hebt er geen erg in dat u zelf daarmee verraadt, dat die voetstappen u niet bekend zijn. Er druipt voor u nog geen vettigheid van die voetstappen af. Daarom denkt u dat die voetstappen in uw weg worden gemist. Maar o hoe zullen die voetstappen gaan druipen van vettigheid, als God u door die zee heenhaalt. Er is er Eén door die zee gegaan om de weg te banen, anders zou die weg er niet zijn. Die moest waarlijk Zijn weg gaan door het nog nooit betreden spoor. De weg der zaligheid in die Middelaar geopend, heeft geen engel of mens kunnen uitvinden. Het is in het hart des mensen niet opgeklommen, wat God bereid heeft dien die Hem liefhebben. Al die zeshonderd duizend mannen die daar bij de Rode Zee stonden, konden die weg niet uitvinden. Maar die weg was er al. Die was door God van eeuwigheid al gebaand in de stille Raad des Vredes. Maar als ge nu één plant met Christus wordt in de gelijkmaking Zijns doods, dan komt u in het door u nog nooit ontdekte spoor. Maar dan zult u weten dat er Eén geweest is, voor Wie het waarlijk gegolden heeft, dat al Gods golven en baren over Hem zijn heengegaan. Als u Hem moogt volgen in die weg, waarin Hij borgtochtelijk is voorge­

gaan, dan gaan Gods voetstappen druipen van vet. Dan ziet u Hem de toorn dragen, opdat zich aan u de liefde zou openbaren. En dat nu door zo'n rechte weg. En worden dan de voetstappen u bekend ? Ze worden u bekend en ze worden u niet bekend. Ge zult tot het waarom van het werk der zaligheid nooit kunnen doordringen. Maar dat wordt nu juist de vettigheid voor uw ziel. In God te bewonderen ontsluit zich de zaligheid. In eeuwigheid worden die voetstappen u niet bekend. Maar zo zult ge ook eeuwig in vettigheid u mogen verlustigen. „Hoort aandachtiglijk naar Mij en eet het goede, en laat u ziel in vettigheid zich verlustigen." Al wat daar buiten is, is toch zo mager. In het vrije werk is er vettigheid te vinden voor de ziel.

Och beste vriendin, ik zie het voor u veel beter liggen dan voor mezelf, maar ik zou het u toch niet kunnen schrijven, als ik van die weg niet iets wist. Maar ik kan niet boven u uitkomen, want mijn weg schijnt veeltijds ook zo voor de Heere verborgen te zijn. Echter trok daarom toch uw briefje me zo aan. Och, ik krijg steeds minder behoefte aan een omgang met zulke grote mensen, die het zo goed weten. Ik wens alleen zo nu en dan in gezelschap van een arme sukkelaar mijn weg door dit tranendal voort te mogen zetten. En al kan ik dan voor mezelf veelal mijn weg niet bekijken, maar voor die arme dwalenden in de woestijn, die geen stad ter woning vinden, wens ik toch nog groot van God op te geven. Waarlijk, waar Hij Zijn voetstap zet, daar doet Hij 't al ten zegen dijen; daar druipt het al van vet. Hier druipen Zijn voetstappen van het vet van Zijn eeuwige liefde, van Zijn zoete gunst, van Zijn onnaspeurlijke wijsheid, van Zijn goedertierenheid die Hij nooit meer van de Zijnen wegneemt en van Zijn onveranderlijke trouw. „Zij waren hongerig, ook dorstig; hun ziel was in hen overstelpt. Doch roepende tot den Heere in de benauwdheid die zij hadden, heeft Hij hen gered uit hun angsten. En Hij leidde hen op een rechte weg, om te gaan tot een stad ter woning. Laat hen voor den Heere Zijn goedertierenheid loven, en Zijn wonderwerken voor de kinderen der mensen .... Wie is wijs ? Die neme deze dingen waar; en dat zij verstandiglijk letten op de goedertierenheden des Heeren."

Och Mevr., ik kan toch echt, terwijl ik dit briefje schrijf, niet zo laag van die God opgeven. Als Hij mij door de zee gaat leiden, trek ik altijd terug. De kinderen Israels gingen bij de Rode Zee alweer omkijken naar Egypte, alsof ze het daar zo goed gehad hadden. Maar ik kijk op een andere wijze terug. Dan zeg ik: „Och, wierd ik derwaarts weer geleid !" Maar de Heere zegt: „Zeg den kinderen Israels dat zij voorttrekken." Zijn voetstappen worden niet bekend. Als ik steeds maar terug kon naar het vorige, dan behoefde ik niet als zo'n blinde mijn weg te gaan. Maar nu zijn Gods 'wegen steeds hoger dan de mijne en Zijn gedachten hoger dan mijn gedachten. En daarom moet ik net als u, soms wenend daar neerzitten, omdat ik de weg niet meer weet. Men wordt iedere keer weer geleid door een weg die men eertijds niet gegaan is. Maar als de weg die we gaan moeten, Gods weg maar is tot onze zaligheid, dan druipen de voetstappen des Heeren van vettigheid. Men wordt door al die onbegrijpelijke wegen steeds nauwer aail die God verbonden. U moet de gehele 77e Psalm maar eens goed lezen, dan zult u zien hoe de dichter door de mist heen moest, maar hoe wonderlijk dat Gods weg voor hem werd. Er schoot niet anders over dan:

Heilig zijn o God, Uw wegen; Niemand spreek' Uw hoogheid tegen; Wie, -wie is een God als Gij, Groot van macht en heerschappij ? ]a. Gij zijt die God, Die d' oren Wond'ren doet op wond'ren horen; Gy hebt Uwen roem alom Groot gemaakt bij 't heidendom.

Mevr. ik moet nodig af gaan breken. Ik heb geen tijd meer om door te bHjven schrijven, al ontbreekt het me op het ogenblik niet aan de lust. O dat vet van die onbekende voetstappen ! De wegen des Heeren vallen voor het vlees niet mee, maar de Heere valt toch zo mee. Mijn weg is ook weer eens even door de zee gegaan en de voetstappen des Heeren waren me weer zo onbekend. Totdat er weer eens geen schuldiger en ellendiger schepsel overschoot dan ds. Mallan van Rhenen. Maar toen zijn toch de voetstappen des Heeren voor mij weer gaan druipen van vettigheid, 'k Zal toch eeuwig zingen van Gods goedertierenheên.

Nu, ontvang deze letteren in liefde en wees verder Gode en Zijn genade van harte bevolen !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1979

De Wachter Sions | 8 Pagina's

antwoord per brief

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 1979

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken