Bekijk het origineel

(21) Sprekende nadat zij gestorven zijn

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

(21) Sprekende nadat zij gestorven zijn

8 minuten leestijd

Ds. Th. v. d. Groe: Dankzeggingsleerrede op het Heilig Avondmaal (3)

Maar welke zijn nu die zondaren, die Christus ontvangt en aanneemt, en aan wie Hij Zijn dierbare genade schenkt? O, zij zijn allerellendigste en rampzaligste zondaren, wier jammer en ellende niet om uit te drukken is: 1. Zij zijn snode vijanden Gods, die vol wrevel, haat en boosheid zijn tegen^ hun allerhoogste Schepper en Maker, die Gods heerschappij verzaakt en zich in des duivels macht begeven hebben; die God hun Schepper onbeschrijflijk zeer gehoond, gesmaad en beledigd hebben, en niet één van Zijn Geboden ooit gehouden of gehoorzaamd hebben, maar die het onrecht als water ingedronken hebben en daarom gruwelijk en stinkende zijn, Job 15 : 16.

2. Zij zijn zondaren, die ten aUen dage en ten enenmale slaven zijn van de zonde, en vleseHjk, verkocht onder de zonde, Rom. 7 : 14, zodat het zondigen tegen God hun eigen aard en natuur is, hun hoogste genoegen, lust en vermaak, ja het element, waarin zij leven, als een vogel in de lucht en als een vis in het water, invoege er niets anders dan alle boosheid en ongerechtigheid steeds van hen voorkomt.

3. Zij zijn allen rampzalige en verdoemelijke hellewichten, die wegens hun zonden liggen onder de schrikkelijke toorn Gods, onder de vloek en de verdoemenis van de Wet, in de macht en slavernij des eeuwigen doods, die in een verbond staan met de hel en het eeuwig verderf.

4. Het zijn gans dwaze en bHnde zondaren, die geheel verduisterd zijn

in hun verstand, Ef. 4 : 18, die de kennis Gods uit hun harten geworpen hebben, en die de duisternis zelve zijn, Ef. 5 : 8.

5. Zij zijn ook jammerlijk verstokte en verharde zondaren, die een stenen hart hebben, een dood en ongevoelig hart, hetwelk zich in het minst niet ten goede kan bewegen, tenzij dan, dat God Zelf geweld doet op dat stenen hart, om het door het vuur en door de hamer van Zijn Woord te verbreken.

Ziet, zulke ellendige en rampzalige zondaren ontvangt de Heere Jezus; over zulken ontfermt Hij Zich in Zijn oneindige genade en grondeloze barmhartigheid. Die zichzelf dan niet waarlijk als zulk een zondaar kent, en belijdt te zijn, maar die nog wat beters van zichzelf denkt, en niet gaarne hoort, dat hij zo snood, zo gruwelijk en ten enenmale verdoemelijk en rampzalig is, — o, die zal de Heere Jezus dan ook geenszins aannemen, of Zich over hem ontfermen, even zo weinig als een geneesheer hulp of dienst zal doen aan gezonde mensen, die geen ziekten of kwalen hebben. Neen, de zondaren die de Heere Jezus in genade bij Zich ontvangt en aanneemt, zijn niet alleen waarlijk in zichzelve zo aüereUendigst en rampzalig, als wij gezien hebben, maar zij bezitten door de krachtdadige werking des Heiligen Geestes in hun zielen ook nog zekere hoedanigheden van heÜige boetvaardigheid en oprechte vernedering van het hart, waardoor zij toebereid en vatbaar zijn voor de dierbare genade van den Heere Jezus, en van alle ongelovige, onboetvaardige en verworpen zondaren gans onderscheiden zijn, als dewelken Christus nimmer aanneemt, zoals zij ook nooit in ware zielsvernedering tot Hem komen om Zijn genade te zoeken.

En wilt gij dan nog nader horen, hoedanige of welke zéndaren de Heere Jezus dan eigenlijk aanneemt en met Zijn Goddelijke genade begunstigt? Och, luistert toe: 1. Zij zijn zulke zondaren, die van hun zonden, goddeloosheid, helwaardigheid en hun volkomen ellende en jammer, door de werking des Heiligen Geestes, zeer grondig overtuigd zijn; wien de Heere de ogen geopend en recht aan zichzelven. ontdekt en bekendgemaakt heeft, zodat zij hun allerrampzaligste toestand recht inzien en er kennis van dragen; die hun gruwelijkheid, snoodheid, dood- en doemwaardigheid van ganser harte voor God belijden, en hun zonden en hvm rampzalig gemis van God zeer beklagen, uitroepende: o wee onzer, dat wij den Heere zo gesmaad, onteerd.en vertoornd, en zo grotelijks tegen Hem gezondigd en al Zijn heilige Geboden zo schrikkelijk en zo lang overtreden hebben en nimmer nog iets gedaan hebben, dat Hem behaagde of goed in Zijn ogen was, enz.

2. Zij zijn zulke zondaren, die een algeheel mishagen aan zichzelve hebben, die zichzelf zo schuldig voor God, zo verdorven, onrein en walgelijk vinden, dat zij zichzelf gans en geheel verfoeien en niet het minste goed bij zich gewaar worden, waarvan zij spreken of roemen kunnen; die zichzelve waarlijk haten en groteUjks tot een last zijn enz., én steeds ook van hun beste werken uitroepen: onrein! onrein! '^^ISS

3. De zondaren, welke Christus ontvangt, zijn zulken, die bij zichzelve hartelijk verlegen zijn en gans belast en beladen met hun zonden; die in him gewetens zeer benauwd en verschrikt zijn over de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis, die zij bevinden, dat op hen ligt, en die zij weten, dat zij rechtvaardig verdiend hebben; die het onmogelijk daaronder langer uithouden of stellen kunnen; die bitterlijk kermen, treuren en wenen over him zonden en hun rampzalige staat, en nacht of dag elders geen rust vinden, maar moeten zeggen met David, Ps. 38 vers 4 en 5: Er is niets geheels in mijn vlees vanwege Uwe gramschap; er is geen vrede in mijn beenderen vanwege mijn zonden; want mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd, als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden.

4. Zij zijn zulken, die him jammerlijke zielsblindheid en 'machteloosheid levendig gevoelen, die ten enenmale hulpeloos en radeloos bij zichzelf terneder zitten en met de stokbewaarder moeten uitroepen in de allerdiepste zielsverlegenheid: Och, wat moet ik doen om zalig te worden? Hand. 16 : 30; wie hun machteloosheid en het gevoel van hun verloren staat zo drukt, dat hemel en aarde hen te bang en te benauwd vallen, en dat zij nergens bij enig schepsel de allerminste troost of hulp kunnen vinden voor hun benauwde en gewonde gewetens, zodat zij zijn gelijk die verdrukten, door onweder voortgedrevenen en ongetroosten, van welke de Heilige Schrift spreekt, Jes. 54 : 11.

5. Ja, zij zijn zulke zondaren, die onder dat aUes nochtans een heilbegerig hart hebben, en niet met een Judas in goddeloze wanhoop tot de strop uitgaan, maar die, door Gods genade aangeraakt, gaarne zouden begeren, behouden en zalig te worden, zulken die het waarlijk om zalig te worden te doen is, die het zo ernstig op de zaligheid gezet hebben, en er zo gans op toeleggen, dat zij tevreden en bereid zijn, alles te ondergaan en hartelijk goed te keuren, wat God hun daartoe wil voorstellen. Die niet-met-al wiUen uitzonderen of tegenstaan van Gods ganse raad en weg, in de arme zondaar de zaligheid uit genade te verzorgen en te schenken, maar die kunnen zeggen: och, mag ik maar Gods gunst en genade hebben en de vergeving van al mijn zonden, dan wil ik gaarne aUes omhelzen, wat de Heere mij tot mijn behoudenis wil voorleggen; niets is mij te zwaar of te hard, als ik maar genade mag hebben bij de Heere en maar van mijn zonden mag verlost worden.

6. Eindelijk, die de Heere Jezus ontvangt, zijn zulke zondaren, die met al hun zonden en zielsellende ook oprecht gelovig intijds tot Hem komen, onder volkomen afzien en verzaking van hun eigen ik en van aller schepselen hulp: die op grond van de evangelische beloften, door de genade des Heiligen Geestes, de Heere Jezus als hun enige en volkomen Zaligmaker en Verlosser aarmemen, en zichzelven aan de voeten Zijner genade nederwerpen; die al hun heü en zaligheid alleen bij Hem zoeken, evenals al die zondaren en tollenaren, die hier vers 1 gezegd worden, dat zij tot de Heere Jezus naderden om Hem te horen, dat is: om van Hem te horen en onderwezen te worden, hoe zij konden bekeerd en zalig worden en genade bij God bekomen. Zietdaar, geliefden, al zulke zondaren neemt de Heere Jezus aan en ontvangt hen met open armen van liefde en genade, als zij maar waarlijk tot Hem komen, gelijk wij nu nog nader bezien zullen.

B. De gelukkige, maar ellendige voorwerpen van de liefde en genade van de Heere Jezus beschouwd hebbende, moeten wij nu Zijn liefde en genade zelve ook wat nader bezien. De tekst zegt, dat de HeUand hen ontvangt en met hen eet. Twee zeer kostelijke en heerlijke dingen,

a. Jezus ontvangt hen, dat is volgens de kracht van het woord: Hij ontvangt hen met begeerte en toegenegenheid, wanneer zij, belast en beladen met al hun zonden en rampzalige ellenden, om hun behoudenis tot Hem komen vluchten, en Hem om Zijn Goddelijke hulp en genade ootmoedig komen smeken. Indien zij Hem zo ontvangen tot hun Verlosser en Zaligmaker, dan ontvangt Hij hen ook aanstonds tot de voorwerpen van Zijn genade en grondeloze barmhartigheid. Deze ontferming van de Heere Jezus over die arme gelovige zondaren, om hen te helpen en zalig te maken, wordt in de Heilige Schrift ook wel als een aannemen der zondaren aan ons voorgesteld, ziet Hebr. 2 vers 16: Waarlijk, Hij neemt de engelen niet aan, maar Hij neemt het zaad Abrahams aan; en Rom. 15 vers 7: Daarom, neemt elkander aan, gelijk ook Christus ons aangenomen heeft, tot de heerlijkheid Gods, en zo luidt Gods dierbare belofte tot alle arme, boetvaardige en gelovige zondaren, 2 Cor. 6 vers 17 en 18: En Ik zal ulieden aannemen, en Ik zal u tot een Vader zijn, en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heere, de Almachtige. En onder dat ontvangen of aannemen van Christus wordt nu, zonder onderscheid, het gehele werk der verlossing en zaligheid verstaan, hetwelk de Heere Jezus verricht aan de arme zondaren, die zo oprecht tot Hem komen, om door Hem geholpen en uit genade behouden te worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1980

De Wachter Sions | 10 Pagina's

(21) Sprekende nadat zij gestorven zijn

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 september 1980

De Wachter Sions | 10 Pagina's

PDF Bekijken