Bekijk het origineel

antwoord per brief

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

antwoord per brief

19 minuten leestijd

Geachte mevr. R.W. te M.,

Het z? een dierbaar onderwerp waarover u me iets geeft te schrijven. U vraagt me iets te schrijven overjoël 1:4 en Joel 2:25. Injoël 1:4 lezen we: Wat de rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan af gegeten, en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever af gegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm af gegeten''. Injoël 2:25 lezen we: Alzo zal Ik ulieden de jaren vergelden, die de sprinkhaan, de kever en de kruidworm en de rups heeft af gegeten. Mijn groot heir dat Ik onder u gezonden heb". U hebt de kanttekening daarover nagelezen, maar u vindt daarin meer de letterlijke betekenis voorgesteld van die twee teksten. Maar nu vraagt u mij, of die teksten ook in betrekking tot de ontdekkende werkingen van Gods Geest ons wat hebben te zeggen.

U hebt zeer juist begrepen dat wat in Joel 2 : 25 wordt gezegd, niet los te zien is van wat in de verzen gezegd wordt die daaraan voorafgaan. Daar lezen we: En gij, kinderen van Sion, verheugt u en zijt blijde in den Heere uw God; want Hij zal u geven dien Leraar ter gerechtigheid; en Hij zal u den regen doen nederdalen, den vroegen regen en den spaden regen in de eerste maand. En de dorsvloeren zullen vol koren zijn, en de perskuipen van most en olie overlopen". Nu hebt u er weüicht geen erg in gehad, om de kanttekening op die verzen ook even na te lezen. Daar wijst de kanttekening erop, dat we daar een belofte vinden van de Messias, als zijnde het fondament van Sions vreugde en van alle verbondszegeningen, die in het volgende verhaald worden. U hebt er echter wel erg in gehad, dat Joel 2 : 25 niet los te zien is van wat er in de versen 23 en 24 wordt gezegd. En dat is goed door u opgemerkt. Nu, die tekstwoorden hebben in vergelijking met Joel 1 : 4 in betrekking tot de ontdekkende werkingen van Gods Geest ons zeker heel wat te zeggen.

De profeet Joel, die uit Juda afkomstig schijnt te zijn en in Jeruzalem schijnt geprofeteerd te hebben, heeft het volk een nationale ramp aangezegd in een tijd van welvaart. Veld-en boomvruchten zouden door die ramp verdorven worden. De profeet heeft het volk niet alleen dit oordeel aangekondigd, maar ook opgeroepen tot bekering en verootmoediging voor het aangezicht des Heeren. Het was een bijzonder oordeel dat de Heere over het land zou brengen. Sprinkhanen, rupsen, kevers en kruidwormen zouden ertoe gebruikt worden om een hongersnood te brengen in het land, waarbij dan ook nog zou komen, dat door overvloedige en ontijdige regens veel van het gewas des lands zou verloren gaan. Immers lezen we in het 17e vers van het eerste hoofdstuk: "De granen zijn onder hun kluiten verrot, de schathuizen zijn verwoest, de schuren zijn afgebroken, want het koren is verdord". En waar de regen ontijdig kwam, daar bleef ze ook weer uit als het de tijd was waarin er naar regen werd verlangd. Zo horen we de profeet ook weer zeggen in het 18e vers van het eerste hoofdstuk: "O, hoe zucht het vee; de runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben geen weide; ook zijn de schaapskudden verwoest". Alles zal wel niet gelijk in één jaar hebben plaatsgevonden. Het zal wel een oordeel van enkele jaren geweest zijn. Maar nu heeft de profeet Joel ook weer de komst van de Messias het volk in het vooruitzicht mogen stellen. Dat er in het tweede hoofdstuk over de komst van Christus wordt gesproken, lijdt geen twijfel. Immers vinden we daar ook nog een voorzegging van wat na de komst van Christus geschieden zou. De Heilige Geest zou worden uitgestort. De apostel Petrus heeft op de Pinksterdag die profetie van Joel aangehaald en gezegd dat wat er nu met de uitstorting des Heiligen Geestes geschiedde, voorzegd was door de profeet Joel. Dus dit staat vast, dat de profeet Joel in het tweede hoofdstuk over de komst van Christus en over de uitstorting des Heiligen Geestes heeft gesproken.

En in dit verband heeft het toch zo onnoemelijk veel te zeggen, als we in het 25e vers van het tweede hoofdstuk lezen: "Alzo zal Ik ulieden de jaren vergelden, die de sprinkhaan, de kever en de kruidworm en de rups heeft afgegeten. Mijn groot heir dat Ik onder u gezonden heb". Maar laat ons nu ook niet vergeten, dat de profeet duidelijk heeft laten horen in zijn profetie, dat de Heere niet over de schuld heen of buiten ware schulderkenning om. Zijn zegen zou schenken na Zijn oordeel. We lezen immers in het 2e hoofdstuk eerst: "Nu dan ook, spreekt de HEERE, bekeert u tot Mij met uw ganse hart, en dat met vasten en met geween, en met rouwklage. En scheurt uw hart en niet uw klederen, en bekeert u tot den HEERE uw God; want Hij is genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwade. Wie weet. Hij mocht Zich wenden en berouw hebben; en Hij mocht een zegen achter Zich overlaten tot spijsoffer en drankoffer voor den HEERE uw God". En dan gaat de profeet nog verder met te zeggen: "Blaast de bazuin te Sion, heiligt een vasten, roept een vprbodsdag uit. Verzamelt het volk, heiligt de gemeente, vergadert de oudsten, verzamelt de kinderkens en die de borsten zuigen; de bruidegom ga uit zijn binnenkamer, en de bruid uit haar slaapkamer. Laat de priesters, des Heeren dienaars, wenen tussen het voorhuis en het altaar, en laat hen zeggen: Spaar Uw volk, o HEERE, en geeft Uw erfenis niet over tot een smaadheid, dat de heidenen over hen zou heersen; waarom zouden zij onder de volken zeggen: Waar is hunlieder God? ”

En dan gaat de profeet zeer opmerkelijk verder met te zeggen: ''''Zo zal de HEERE ijveren over Zijn land en Hij zal Zijn volk verschonen". Hebt u erg in het woordje "Zo? " Nu komen we vanzelf tot hetgeen waar u me naar hebt gevraagd, zonder onschriftuurlijk te worden. Tegenwoordig willen ze graag Schriftuurlijk zijn, maar dan om de bevindelijke en ontdekkende gangen des levens te omzeilen. Maar laten we er maar goed aan vasthouden, dat er buiten schuldontdekking en - erkenning om voor Christus geen plaats is. Bevindelijk moet worden beleefd wat in het 4e vers van het eerste hoofdstuk is gezegd. "Wat de rups heeft overgelaten, heeft de sprinkhaan afgegeten, en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten, en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten".

Ja maar, daar wordt toch over het oordeel gesproken dat de Heere over Juda zou brengen? Dat kan men nu toch niet geestelijk gaan verklaren? Ik hoor de Schrifgeleerden die opmerking al maken. Maar men vergeet dan, dat het oordeel zou komen over de zonden waarmee men buiten God en dan ook nog wel in eigenwillige godsdienst, zijn eigen weg gegaan was. Al wat men buiten God had opgebouwd, zou worden afgebroken. En dat opdat men als een gans schuldige, voor wie er geen andere weg meer overbleef, de Heere in de handen zou vallen en zo zijn hart zou leren scheuren en niet zijn klederen. Er zouden eigenlijk geen klederen meer te scheuren zijn. Als men het daar nog in zoeken kan, houdt men zich met een uitwendige verootmoediging en vertoning nog op de been. De koning Josia heeft ook zijn klederen gescheurd, toen hij het wetboek gevonden had, maar de profetes Hulda mocht weten dat er in de binnenkameren nog wel wat meer gebeurd was. Zijn hart was week geworden en hij had zich voor het aangezicht Gods vernederd. Aan de reformatie had het bij Josia niet ontbroken, maar de reformatie moest ertoe dienen dat het wetboek voor de dag kwam. Er waren heel wat gruwelen op te ruimen in zijn tijd. Maar met het opruimen van al die gruwelen, kwam hij niet op de plaats waar hij moest wezen zolang als het wetboek niet gevonden werd.

Daar moest het dus naar toe. En zo is het ook in de beleving der ziel. Wat de rups overlaat, moet de sprinkhaan afeten, en wat de sprinkhaan overlaat, moet de kever afeten, en wat de kever overlaat, moet de kruidworm afeten. Daar gaat het in de weg der ontdekking heen. Het is niet te zeggen waar de mens het al niet in gaat zoeken voordat hij als een verbrijzelde onder de wet voor God invalt. De rups kan al veel van ons hebben weggenomen, maar die kan bijvoorbeeld nog een vrome sabbatsheiliging ons hebben nagelaten die voor de sabbatsowr heiliging in de plaats gekomen was. Maar de sprinkhaan eet die vrome sabbatsheiliging wel op. Die sprinkhaan laat echter ook nog wel wat over. Men kan toch immers niet ontkennen dat er een keus in de ziel gevallen was. En dat in oprechtheid! Nu zijn er nog wel plaatsen genoeg in het land waar er geen kevers zijn. Daar laten ze ons dat houden en bouwen ze er ons in op. Maar in het land van Juda zou onder het oordeel Gods aan de kevers niet meer te ontkomen zijn. Zo wordt het voor de ziel in de weg der ontdekking ook. Maar de kever laat ons nog wel wat tranen en versjes en tekstjes houden. Dat doet de kruidworm niet. Een worm is altijd een lelijk beest. Er zijn wormen die zelfs in je ingewanden kruipen. Kruidwormen eten alles op wat nog tot herstel en genezing zou kunnen dienen. Dus dan kan men bij de kruidendokter ook niet meer terecht. Nu groeit er werkelijk niets meer op de akker van het hart waar men het leven nog bij zou kunnen vinden. Al het kruid gaat er aan en voor zover er nog kruid is, schiet er alleen maar onkruid over. Zo doet die kruidworm ons in het bijzonder wel denken aan het tiende gebod.

Mevrouw, ik weet niet hoe het u gaat, maar ik ontmoet weinig mensen meer die kennis gemaakt hebben met het tiende gebod. De kruidworm heeft het laatste ze nog nooit ontnomen. De kruidworm eet alles op wat met de geestelijkheid van de wet niet in overeenstemming is. De kruidworm knaagt alles af wat we nog meer hebben dan een goddeloos en bedriegelijk hart, dat dodelijk en arglistig is en ontneemt ons alles waarmee we meer dan een grote vijand en een verdoemelijk zondaar zijn. Dan wil er geen goed kruid meer groeien op de akker van hethart. En nu wordt er tegen zo'n mens gezegd: "Nu dan ook, spreekt de Heere, bekeer u tot Mij met uw ganse hart". Hoe moet dat nu? Ja, dat is toch echt heel eenvoudig. Zolang de kruidworm niet alles opgegeten heeft, kunnen we ons niet tot de Heere bekeren met ons gehele hart. Dan kunnen we wel erg ootmoedig doen, maar we spreken leugens tegen de Heere. Daarom zegt de Heere dat we niet onze klederen moeten scheuren, maar ons hart. En zo moeten we komen met vasten en met geween en met rouwklage. Dus er moeten toch wel tranen geschreid worden ? Ja, maar dat zijn geen vrome tranen en geen gemoedstranen. Deze tranen komen op uit de ontzettende gewaarwording van het in zich omdragen van zo'n boos, gruwelijk en afschuwelijk hart, waarin niets meer te vinden is wat met de heiligheid van Gods wet en dus met de volmaaktheid van Gods Wezen overeenkomt. Daar ligt de mens in zijn gevallen staat! Gods Beeld bezit hij niet meer. Het pronkstuk van de schepping ligt daar voor Gods heilig ogen als een grote schandvlek. O Mevr., er is toch wat gebeurd in die diepe val! Daar is in één ogenblik alle heerlijkheid van de mens afgevallen. God had hem zo geschapen dat Hij Zijn heerlijkheid in die mens zag, want de mens was Zijn gelijkend beeld. Maar in één ogenblik, als die mens de hand uitstak naar die verboden boom, ontviel hem dat heerlijke kleed van die ware gerechtigheid en heiligheid en werd hij een afgrijselijk monster. We lezen eerst, als de Heere de mens zo heerlijk had geschapen, dat Hij zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. En na de val lezen we: "En de Heere zag, dat de boosheid des mensen menigvuldig was op de aarde en al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos was. Toen berouwde het den Heere, dat Hij den mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem aan Zijn hart". Daar zullen we wat van weten als de kruidworm alles afgegeten heeft.

Hoe krijgen we nu terug wat we door de zonden kwijt zijn? Hoe worden we weer hersteld in onze vorige staat? Dan zal er een Goddelijk wonder moeten gebeuren. En daar spreekt Joel 2 van. In vers 23 vinden we die dierbare belofte: "En gij, kinderen van Sion, verheugt u en zijt blijde in den Heere uw God; want Hij zal u geven dien Leraar ter gerechtigheid; en Hij zal u den regen doen nederdalen, den vroegen regen en den spaden

regen in de eerste maand". Als er over de eerste maand gesproken wordt, wil dat zeggen dat de Heere de spade regen vóór de oogst zou schenken, als het de rechte of de bekwame tijd zijn zou.

De Middelaar kwam in de volheid des tijds. Als Hij het grote offer voor de zonden bracht, was de grote Verzoendag aangebroken, waarop de Heere werkelijk met geen andere offers meer genoegen kon nemen. "Daarom komende in de wereld, zegt Hij: Slachtoffer en offerande hebt Gij niet gewild, maar Gij hebt Mij het lichaam toebereid". De ongerechtigheid van het land zou op één dag worden weggenomen. O Mevr., dat borgtochtelijke werk van die gezegende Middelaar is toch zo onuitsprekelijk dierbaar. In een vorige brief heb ik geschreven dat elke ontdekte zondaar het de apostel Paulus zal betwisten dat hij de voornaamste der zondaren was. Maar men kan hem dat om nog een bepaalde reden betwisten. De Middelaar, hoewel zonder zonden, is de grootste der zondaren geworden. Als het Heilige kwam Hij uit Maria voort, maar toch lag Hij als de grootste der zondaren in de kribbe, in doeken gewonden. Hij droeg niet alleen de zonden van Paulus, maar van de ganse kerk. De apostel zegt: "Want Dien die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtvaardigheid Gods in Hem". "Alzo zal Ik ulieden de jaren vergelden, die de sprinkhaan, de kever en de kruidworm en de rups heeft afgegeten. Mijn groot heir dat Ik onder u gezonden heb". Maar het eerste gaat aan het tweede vooraf. Dat hebt u zeer juist gezien. U hebt mij gevraagd of die twee teksten in betrekking tot de ontdekkende werkingen van Gods Geest ons iets hebben te zeggen. Zeker Mevr., dat zal u nu uit de toehchting die ik reeds gegeven heb al wel duidelijk moeten zijn geworden. Door een weg van ware schuldontdekking-en erkenning heen zou de Heere alles overvloedig terugschenken wat de rups, de sprinkhaan, de kever en de kruidworm hadden opgegeten. Men krijgt veel meer terug dan dat men kwijtgeraakt is. "Troost, troost Mijn volk, zal ulieder God zeggen. Spreekt naar het hart van Jeruzalem en roept haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des Heeren dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden". Men ontvangt dubbel terug. In Adam kon men het nog verliezen wat men bezat, maar in de tweede Adam niet meer. Alzo zal de Heere de jaren vergelden, die de sprinkhaan, de kever en de kruidworm en de rups^ heeft afgegeten. Welk een troostvolle belofte toch voor een mens die zo geheel ontledigd wordt, dat hij niets meer overhoudt. Want het valt toch echt niet mee, als het beleving wordt, dat wat de rups heeft overgelaten, door de sprinkhaan wordt afgegeten, en dat wat de sprinkhaan heeft overgelaten, door de kever wordt afgegeten, en dat wat de kever heeft overgelaten, door de kruidworm wordt afgegeten.

Dan houdt men geen bepaald standje meer over, zodat men dan niet meer zal kunnen zeggen dat men dit en dat nog heeft, maar dat het andere nog wordt gemist. Zo weten velen precies hun stand te bepalen, maar dan is men met zijn gemis toch nog wel een begenadigd mens. Nooit komt men een keer verder. Neen, want de Heere laat het niet toe dat wij een rekensommetje van Zijn werk zullen maken. Velen gaan jaren door het leven zonder één stap verder te komen en zonder één stap terug te moeten. Het blijkt uit Joëls profetie dat het oordeel dat hij aan moest kondigen ook zomaar niet een enkel jaar geduurd heeft. De Heere zou de jaren vergelden, die de sprinkhaan, de kever, de kruidworm en de rups hadden afgegeten. In een weg van ontlediging, inwendig gaat het almaar terug en achteruit en zal men uit moeten roepen:

O Heere! koog geprezen, Hoe lange zal 't nog wezen, Dat ik moet blijven zo?

Eerst nog e.en begerig en een missend mens te zijn geweest en nu zo dood en zo dor daarheen te moeten gaan, ja, een vijandig mens te moeten worden. Wat de rups heeft overgelaten, dat eet de sprinkhaan af. De Heere zal de kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen. Het moet bevindelijk ook beleefd worden: "Zie, de Heere maakt het land ledig en Hij maakt het woest, en Hij keert deszelfs gestaltenis om". Er wordt geen bezittend en ook geen missend mens door God gerechtvaardigd, maar een goddeloze zondaar. Daarom gaat de Heere een weg met een mens in, waarin hij totaal niets meer overhoudt. Hij zal uit alle gestalten de grond schoon moeten verliezen, daar er anders nooit plaats zal komen voor een rechte kennis van het rijke volle Middelaarswerk. Het werk Gods is zeer eenvoudig, maar voor ons is het niet zo eenvoudig. Daarom doen we er soms zo lange tijd over om alles te verkopen en alle paarlen in te wisselen om de Schat in de akker en de Parel van grote waarde er voor in de plaats te krijgen. O, hoe verborgen is het Goddelijke doel daarin voor onze ziel! Hij moet komen. Die recht heeft op de kroon! Petrus moet er zijn Meester voor verloochenen en al de discipelen moeten aan Hem geërgerd worden.

Och Mevr. u moogt het van mij wel weten, dat de leiding Gods zo verborgen voor mijn ziel geweest is, omdat ik niet wist dat het mij niet vergund werd om me te verkneuteren in hetgeen waarin vele gevoelschristenen jaar en dag hun leven in vinden. De ziel moet wasdom in Christus ontvangen, wat niet anders inhoudt dan in de kennis van Hem toe te nemen. Dit gaat echter gepaard met een sterven aan het gevoelsleven. Als de sprinkhaan afeet wat de rups heeft overgelaten', en de kever afeet wat de sprinkhaan heeft overgelaten, en de kruidworm wat de kever heeft overgelaten, dan schiet er niets te eten meer over. De levensvoorraad van de mens moet er dus aan, opdat Christus het leven voor de ziel zal worden. Daarom staat er zo in het 26e vers van het tweede hoofdstuk: "En gij zult overvloediglijk en tot verzadiging eten, en prijzen den Naam des Heeren uws Gods, Die wonderlijk bij u gehandeld heeft; en Mijn volk zal niet beschaamd worden tot in eeuwigheid". De Heere stelt er dus wel wat tegenover. Wat stelt Hij er dan tegenover? Zijn eeuwige verbondstrouw. De Middelaar zou in de wereld komen en de verbondsbeloften zouden daarin worden vervuld. De Naam des Heeren zou erom geprezen worden. Dat is die Naam waarin Hij Zijn deugden tot uitdrukking brengt. Over Christus wordt als die Leraar ter gerechtigheid gesproken. In Hem zorgt God voor een gerechtigheid die alle schuld verzoent. En dan kan de regen weer nederdalen en de dorsvloeren vol koren zijn en de perskuipen van most en olie overlopen. Zo mag men van het overige leven, net als die weduwe die de schuldheer niet betalen kon en die al haar lege vaten vol zag worden, totdat ze geen kge vaten meer had. Die vrouw heeft hetzelfde moeten beleven als waar de profeet Joel over schrijft en waar ik dan nu wat over geschreven heb. Dit is ook weer een onderwerp om nog wat over te schrijven. Maar mijn brieven worden veel te lang. Van binnen zeggen ze me gedurig dat ik ze veel te lang maak, maar als ik zo aan het schrijven ben, is er ongemerkt iedere keer weer een blaadje vol. En dan moet ik u toch doen weten dat dit nog een ademtocht voor me is. Er zijn vragen die ik nog beantwoorden moet over andere onderwerpen, maar ik ben daar nog niet aan toegekomen. De vragenstellers behoeven niet te denken dat ik ze niet antwoorden wil, maar het een trekt me wel meer dan het ander. Toen ik uw brief ontving, kreeg ik lust om daarop in te gaan. Mevrouw, de kruidworm is nog steeds bezig bij me om af te knagen wat de rups en de sprinkhaan en de kever hebben overgelaten. Ik hoorde onlangs van een predikant die het zijn hoorders had weten te vertellen dat de weg wel smal begint, maar dat die weg steeds breder wordt en op de duur een vierbaansweg wordt. Nu, bij mij is het zo niet. En die predikant schijnt geen spookrijder tegen te komen. Als die op de vierbaansweg zit, is men op de vierbaansweg ook niet veilig, want zo'n spookrijder rijdt in tegenovergestelde richting. Die zit op een baan waar hij heel niet mag komen. Maar je zult hem maar op je aan zien komen. Dan weet je geen raad meer op de vierbaansweg. Maar die predikant zal wel geen last van spookrijders hebben. Die weet wel van geen tranenbrood en van geen banden tot de dood. De nabijkomende godsdienst verraadt zichzelf wel. Maar men wordt niet meer onderkend. Ik wil u alleen nog schrijven, dat hoe meer de kruidworm afeet bij me en bloedlozer hij me doet worden, hoe wonderlijker dat God toch voor me wordt. Hij zegt dus in de reeds vermelde tekst: "En Mijn volk zal niet beschaamd worden in eeuwigheid". Daar is dan ook net de eeuwigheid voor nodig.

Nu moet ik afbreken. Als u nog een dergelijk onderwerp voor me hebt, kom er maar mee. Ik weet niet of ik dan uw vraag beantwoorden kan. Maar als er nog weer een leeg vaatje bij me is, misschien druipt de olie dan nog wel weer.

Hartelijk gegroet en Gode bevolen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1983

De Wachter Sions | 8 Pagina's

antwoord per brief

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1983

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken