Bekijk het origineel

Hopende en Uitziende

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Hopende en Uitziende

8 minuten leestijd

Daniël 7 : 15 tot en met 18.

Mij, Daniël, werd mijn geest doorstoken in het midden van het lichaam, en de gezichten mijns hoofds verschrikten mij. Ik naderde tot een dergenen, die daar stonden en verzocht van hem de zekerheid over dit alles; en hij zeide ze mij en gaf mij de uitlegging dezer zaken te kennen.

Deze grote dieren, die vier zijn, zijn vier koningen, die uit de aarde opstaan zullen.

Maar de heiligen der hoge plaatsen zullen dat Koninkrijk ontvangen en zij zullen het Rijk bezitten tot in der eeuwigheid, ja tot in eeuwigheid der eeuwigheden.

HOPENDE: We lezen dus nu eerst van de ontstellende uitwerking die het gezicht dat Daniël kreeg, op hem heeft gehad. Zijn geest werd doorstoken in het midden van het lichaam en de gezichten zijns hoofds verschrikten hem. Wat de Heere Zijn volk geeft te zien van het werk der zaligheid, maar ook wel aangaande hetgeen zich in de wereld of kerk afspeelt, gaat niet buiten het lichaam om. Ziel en lichaam zijn nauw met elkaar verenigd. Als de Heere de ziel overtuigt van haar zware schuld en van het ontzaglijk oordeel daaraan verbonden, is het door anderen ook wel in de lichamelijke gestalte te zien. Er wordt dan ook wel belangstellend geïnformeerd naar de lichamelijke toestand. Zonder vertoning te willen maken naar buiten, komt toch de innerlijke zielsgesteldheid wel naar buiten openbaar. Als daartegenover de liefde Gods door de ziel op een bijzondere wijze mag worden gesmaakt, kan dat ook niet verborgen blijven. Verder geeft de Heere Zijn knechten soms ook wel wat te zien, wat niet zonder uitwerking blijft op lichaam en geest. Wel zijn er nu geen profeten meer zoals vroeger onder Israël en zoals we Nieuw-Testamentisch lezen van een Agabus, die profeteerde dat Paulus gevangen genomen zou worden en dat er een grote hongersnood over de gehele wereld komen zou, maar de Heere laat toch Zijn knechten nog wel zien in welk een vreselijke tijd dat ze leven en welke ontzettende oordelen er zeker zullen komen. Dit gaat ook niet buiten ziel en lichaam om. Daniël heeft twee keer de betekenis van een droom aan Nebukadnézar te kennen gegeven, als Nebukadnézar ook ontsteld was vanwege zo'n bijzondere droom, maar nu was Daniël zelf ontsteld en had hij ook nodig dat de betekenis van het nachtgezicht hem te kennen werd gegeven. Hij naderde tot een dergenen, die daar stonden, en verzocht van hem de zekerheid over dit alles. Daniël had gezien hoe Hij Die Zich zette op de troon des gerichts van ontelbare heilige engelen was omringd. En aan één van die engelen heeft hij nu gevraagd wat de betekenis was van wat hij nu aanschouwd had.

UITZIENDE: Daniël had dus een uitlegger nodig. Zouden wij dan geen uitlegging nodig hebben van wat de Heere in Zijn Woord ons openbaart ? Van de kamerling uit Morenland weten we, dat hij ook Gods Woord niet kon verstaan, als hij geen onderricht ontving. Hij las de profetie van Jesaja en dan juist dat gedeelte waarin de Middelaar in geheel de weg die Hij zou moeten gaan, zo duidelijk is aangewezen. En de kamerling begreep wel, dat de profeet dit alles niet van zichzelf had geschreven. Die profetie wees naar iemand anders heen. De Persoon des Middelaars, hoe duidelijk ook in de Schrift ons aangewezen, is toch zo verborgen voor de ziel. En die Persoon werd Daniël ook wel duidelijk in dat gezicht getoond. Daniël was wel geen heiden zoals die moorman. Hij was zelfs een begenadigd mens. O, we kunnen in Daniël toch zo duidelijk zien hoeveel zwakheden Gods kinderen hier op aarde toch altijd nog naar ziel en lichaam zijn onderworpen. Al is het verstand ook een door Gods Geest verlicht verstand geworden, maar we kennen hier altijd nog maar ten dele en we profeteren ten dele. Och vriend, het heeft me toch altijd zoveel te zeggen gehad wat we Agur horen zeggen in Spreuken 30. Als men ooit een man wil vinden in de Schrift met veel geestelijke kennis, dan is het die Agur toch wel. Welke wijze spreuken met diepe verborgenheden kunnen we van hem vinden. Maar deze Agur moest zeggen: , , Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand en ik heb geen mensenverstand. En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend. Wie is ten hemel opgeklommen en nedergedaald? Wie heeft de wind in Zijn vuisten verzameld? Wie heeft de wateren in een kleed gebonden ? Wie heeft al de einden der aarde gesteld? Hoe is Zijn Naam en hoe is de Naam Zijns Zoons zo gij het weet? " Als ik dat las, dan heeft me dat soms toch zo'n innerlijke betrekking op die Agur gegeven.

HOPENDE: Ja vriend, zulke wijze dwaze mensen worden je toch steeds meer zo aantrekkelijk in je leven. Maar ze zijn er niet zoveel, zeker niet in deze tijd. Aan beschouwing ontbreekt het niet. En aan napraters ontbreekt het ook niet. Maar met al die beschouwing en dat napraten komen er geen verborgenheden voor de dag. Aan Daniël werden verborgenheden geopenbaard. Daar mocht hij Gods kerk mee dienen. En de kerk des Heeren ook van deze tijd mag daar nog het profijt van hebben. De levende kerk, het volk Gods dus, wordt toch altijd maar het meest gesticht door de ontdekking van ware geestelijke verborgenheden. Als men als een blinde door Gods Geest geleid wordt, heeft men gedurig maar onderwijs nodig. En die knechten kunnen het meeste onderwijs geven, die zelf als onwetende dwaze mensen door de Heere moeten worden onderwezen. Maar daartoe brengt de Heere ze ook steeds in zulke onbegrijpelijke wegen. Daniël leefde ook in een zeer bijzondere tijd. Toen hij nog zeer jong was, had hij zijn vaderland en ook die schone stad Jeruzalem aanschouwd. En al heeft hij dat land en die stad nooit meer terug gezien, zijn gedachten zijn er altijd naar uitgegaan en hij deed zijn gebeden met open vensters naar Jeruzalem. Al was hij dus te Babel aan hetkoninklijke hof tot hoge eer verheven, hij mocht evenals weleer aan Mozes de zijde van het verachte en versmade volk van God kiezen. Maar daarom werden hem nu zulke dierbare verborgenheden geopenbaard, die op zijn volk betrekking hadden en daarom ook voor de kerk van alle tijden van zoveel betekenis zijn.

UITZIENDE: Ik denk dat daarom ook het 18e vers ons voor deze tijd wel zeer veel te zeggen heeft. In het 17e vers lezen we dat de engel Daniël heeft doen weten dat die vier dieren die hij gezien had, vier koningen waren, die uit de aarde zouden opstaan. In het 3e vers is gezegd, dat die dieren uit de zee opkwamen, maar met die zee wordt de aarde bedoeld, die als een onstuimige zee is, want in deze wereld zijn er steeds maar weer vele afwisselende gebeurtenissen en beroeringen onder de volken. En zo werd dan ook aan Daniël getoond, dat de ene grote macht de andere weer zou overweldigen. Maar nu werd hem ook getoond, dat er een Rijk zou zijn dat tot in alle eeuwigheid bestendig zou zijn. En de heiligen der hoge plaatsen zouden dat Rijk ontvangen. Mij dunkt, vriend, de betekenis van deze woorden is toch wel zeer begrijpelijk voor ons. En wat ik dacht, heb ik ook in de kanttekening zo gevonden, want de kanttekening zegt van die heiligen der hoge plaatsen: , , Dat is, die van God verordineerd zijn tot inneming en bezitting der hogere plaatsen, dat is, de hemelen, die zij ter bestemder tijd zullen innemen en bezitten. Zodat dit is een beschrijving der kerk, welke is een vergadering der heiligen, tot de hoogten of tot de hoge plaats, dat is, ten eeuwigen leven behorende". Vriend, het wonder is toch zo groot, als ik daaraan denk, dat ik tot die heiligen der hoge plaatsen zal mogen behoren.

HOPENDE: Ja vriend, ik weet ook nog wel dat er een tijd in mijn leven is geweest waarin ik Gods volk heb mogen zien als de heiligen der hoge plaatsen. Wat had ik toen toch een eerbied en ontzag voor dat volk! Ik zag echt geen zonden in dat volk. Ik was er toch zo jaloers op, want ik behoorde niet tot dat volk. En ik was niet alleen jaloers op dat volk omdat het dat hemelrijk straks bezitten zou, maar omdat ik dat volk werkelijk zag als de heiligen der hoge plaatsen. Die heiligen mochten een zeer hoge plaats innemen, want zij waren kinderen des AUerhoogsten. Zij' waren naar Gods Beeld vernieuwd en alzo de Goddelijke natuur deelachtig. En van dat volk zag ik me gescheiden. Bij mezelf zag ik precies het tegenovergestelde van dat volk. Als een mens die schuldig stond aan al Gods geboden en niet anders kon doen dan zondigen, zag ik me over de aarde gaan. Zo ging het met mij niet op de hemel aan. Straks zou ik eeuwig van dat volk gescheiden zijn. En het was ook een onmogelijkheid om ooit tot zulk een hoge plaats als dat volk te kunnen komen. Maar uit de eerbied voor het werk Gods, in het hart van dat volk verheerlijkt, was het mij een eer als ik maar iets kon doen voor dat volk, al was het maar de jas op de kapstok hangen.

UITZIENDE: Wat u nu zegt, daar weet ik ook wat van. Over dat 18e vers is er, dunkt mij, nog wel wat te zeggen.

HOPENDE: Ja vriend, we hopen daar de volgende keer nog wel even over door te gaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1987

De Wachter Sions | 8 Pagina's

Hopende en Uitziende

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 augustus 1987

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken