Bekijk het origineel

Hopende en Uitziende

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Hopende en Uitziende

8 minuten leestijd

Romeinen 10 : 18 en 19

Maar ik zeg: Hebben zij het niet gehoord? Ja toch, hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan, en hun woorden tot de einden der wereld.

Maar ik zeg: Heeft Israël het niet verstaan? Mazes zegt eerst: Ik zal ulieden tot jaloersheid verwekken door degenen die geen volk zijn; door een onverstandig volk zal Ik u tot toorn verwekken.

HOPENDE: Het geloof is dus uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods. We hebben dus het Woord Gods niet gering te schatten. Dat Woord is geen dode letter, maar het Woord Gods is levend en krachtig. En de prediking van het Woord wil de Heere als middel gebruiken om het geloof te werken en te versterken. Maar wel moet Gods Geest in de prediking van het Woord meekomen, zal dat Woord vrucht dragen tot bekering. Die Geest is de Werkmeester des geloofs. Het ware of oprechte geloof moet door Gods Geest gewerkt worden door middel van het Woord. Wel kan men met een historisch geloof dat Woord ook aannemen, want het historisch geloof is een toestemming van een gekende Waarheid. Maar zo kan men ook het Woord verwerpen, door niet te geloven wat er gepredikt wordt. Dat is het waar de apostel nu ons juist op wijst in de woorden die we thans willen overdenken. "Maar ik zeg: Hebben zij het niet gehoord? Ja toch, hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan, en hun woorden tot de einden der wereld". De apostel heeft dus eerst gezegd, dat het geloof uit het gehoor van het Woord Gods is. Nu zou men tegenbedenking kunnen maken door te zeggen: Maar het Woord van God is toch bij velen zonder kracht gebleven? Velen hebben toch ook het Woord horen prediken, maar zij zijn niet tot het geloof gekomen? Deze tegenbedenking zal de apostel nu aan het einde van dit hoofdstuk en in het volgende hoofdstuk gaan beantwoorden. En voor deze tijd heeft het ons ook wel zeer veel te zeggen wat de apostel ons nu zal gaan aantonen. Hij heeft al in het 16e vers gezegd: "Doch zij zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam geweest; want Jesaja zegt: Heere, wie heeft onze prediking geloofd? " Dat is een woord uit de profetie van Jesaja dat men in deze tijd ook wel graag gebruikt en men weet daarmee de mensen dan ook aan te sporen tot een geloven van wat er gepredikt wordt. Maar Jesaja zegt er nog wat bij. En dat ziet men steeds maar over het hoofd. Hij zegt niet alleen: "Wie heeft onze prediking geloofd? " Hij laat er gelijk op volgen: "En aan wien is de arm des Heeren geopenbaard? " Er is een kostelijke verklaring van Durham over Jesaja 53. En als men dan zijn verklaring van het eerste gedeelte van Jesaja 53 : 1 leest, dan is het te begrijpen dat men denkt daarin heel wat voedsel te vinden voor een algemene aanbieding zoals men die op heden zoveel voorstaat. Maar men moet eens lezen wat hij schrijft over het tweede gedeelte van die tekst. De arm des Heeren moet worden geopenbaard, om de prediking recht te geloven. Daar wil de apostel nu ook juist ons op gaan wijzen, want we zullen hem in het 20e vers horen zeggen: "En Jesaja verstout zich en zegt: Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden dengenen, die naar Mij niet vraagden”.

UITZIENDE: Zo wordt dan toch weer door de apostel strak vastgehouden aan dat vrije eenzijdige krachtdadige en onwederstandelijke genadewerk Gods dat in ons verheerlijkt moet worden. De mens blijft verantwoordelijk voor wat hij met die prediking doet die de Heere hem nog doet beluisteren. Hoe vreselijk is het toch, als het Woord der prediking ons geen nut doet, omdat het met het geloof niet gemengd is. Het geloof is van God, maar het ongeloof van onszelf En dat ongeloof stelt ons ten volle schuldig. De Heere maakt Zich door de rechte prediking van alle hoorders daarvan volkomen vrij. Dit heeft de prediker de hoorders dan ook altijd goed voor ogen te houden.

Het zal de mens toch zo zwaar vallen om onder de rechte prediking verloren te moeten gaan. Israël heeft het ook tot op de huidige dag moeten weten dat men de rechte prediking verworpen heeft. Christus Zelf als de grote Leraar ter gerechtigheid. Die leerde als Machthebbende en niet als de Schriftgeleerden, heeft op een duidelijk verstaanbare wijze de rechte prediking tot Zijn volk gebracht. Men heeft echter Zijn Woord verworpen. En het oordeel dat men over zichzelf heeft ingeroepen, is niet uitgebleven. Als men de bevrijding van de Duitsers herdenkt, dan wordt de Jodenvervolging ook wel steeds in herinnering gebracht. En zeker, het is een verschrikkelijke zaak geweest, als er zovele Joden zijn omgebracht. Men weet echter alleen daar maar op te wijzen en gaat eraan voorbij, dat het in wat Israël in de oorlog overkwam, toch het oordeel was dat men over zichzelf heeft ingeroepen. Als Pilatus heeft gezegd: "Ik ben onschuldig aan het bloed dezes Rechtvaardigen; gijlieden moogt toezien", dan heeft al het volk geantwoord: "Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen". Dat is geen bede van dat volk geweest, zoals men dat nu wel wil verklaren.

Neen, men heeft het oordeel over zichzelf en over zijn kinderen ingeroepen. En dat oordeel is te aanschouwen geweest, ook in de gruwelijke vervolging van de Joden in de Tweede Wereldoorlog. Maar we moeten ook weer niet laag op die Joden neerzien die Christus verworpen hebben. In het Jodendom dat Christus verwierp, is ons aller beeld te zien. En dan moeten we maar niet gering denken over het onbekeerd blijven onder de rechte prediking. Het is niet te zeggen wie de mens toch is in zijn gevallen staat. We hebben vast te houden aan de totale geestelijke doodstaat van de natuurlijke mens, maar die doodstaat is toch een schuldige doodstaat. De mens kan daarin niet anders dan zijn afkeer openbaren van God en Christus en van zijn eigen zaligheid. En dat terwijl men onder de rechte prediking met bewogenheid des harten door de door God geroepen predikers gewezen wordt op het verschrikkelijke van te blijven voortleven in zijn natuurstaat en om daarin voor eeuwig verloren te gaan, maar ook tevens op die ruime weg ter zaligheid die in Christus voor de grootste der zondaren geopend is.

HOPENDE: De apostel zegt: "Hebben zij het niet gehoord? Ja toch, hun geluid is over de gehele aarde uitgegaan, en hun woorden tot de einden der wereld". Vele Joden leefden ook in de

(vervolg op blz. 372)

(Vervolg Hopende en Uitziende)

verstrooiing. Ze woonden dus buiten het Joodse land. Maar het Woord Gods is toch ook tot hen gekomen, zowel als tot de heidenen. De apostel gaat echter verder en zegt dan: "Maar ik zeg: Heeft Israël het niet verstaan? Mozes zegt eerst: Ik zal ulieden tot jaloersheid verwekken door degenen die geen volk zijn; door een onverstandig volk zal Ik u tot toorn verwekken". De apostel wijst hier op wat door Mozes reeds gesproken was. Mozes heeft het dus de kinderen Israels al doen weten, dat als men zich van de zuivere inzettingen des Heeren zou afkeren, de heidenen dan tot het geloof gebracht zouden worden. Israël kon het dus weten, dat de bekering der heidenen heel wat te zeggen had. Maar in plaats van daardoor tot een heilige jaloersheid verwekt te worden, zou men er vertoornd om worden dat de heidenen tot het geloof kwamen. Men wilde van geen bekering van de heidenen weten. Die heidenen waren maar een dwaas en onverstandig volk. Juist, zo'n dwaas volk was Israël niet. Jezus is door Schriftgeleerden en Wetgeleerden verworpen. Dat zien we altijd nog doorgaan. En och vriend, nu moogt ge wel

van me weten, dat me dat toch wel tot een wonder is geworden, als ik heb mogen geloven en nog weleens mag geloven, dat de Heere nu aan zo'n dwaas schepsel als ik ben, de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen heeft willen openbaren. Er zijn in deze tijd ook zoveel wijze en ontwikkelde mensen, maar in hun geschrijf bespeur ik steeds dat ze te wijs voor de eenvoudige leer der Waarheid zijn. En zo blijft het woord van Christus ook altijd maar gelden: "Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard". Maar dan heeft de Heere Jezus daar ook op laten volgen: "Ja, Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U". En zo gaat het woord van de profeet Jesaja ook altijd nog maar in vervulling: "Want denwelken het niet verkondigd was, die zullen het zien, en welke het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan". Dat is het vrije Goddelijke welbehagen. Daar zal de apostel ons nu verder op gaan wijzen. Dus nu zullen we de apostel gaan volgen in hetgeen zeker voor de wijzen en verstandigen onverdragelijk is, maar voor Gods ware volk een eeuwig wonder.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 1996

De Wachter Sions | 8 Pagina's

Hopende en Uitziende

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juli 1996

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken