Bekijk het origineel

De wapenrusting Gods 271.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De wapenrusting Gods 271.

6 minuten leestijd

"En de voeten geschoeid hebbende met bereidheid van het Evangelie des vredes."

(Efeze 6:15).

Vierde kenmerk van Evangelievrede.

Evangelievrede vertroost de ziel en dat wel op krachtige wijze, wanneer zij geen andere troost heeft om er zich mee te vermengen. Het is een hartsterking, die in zichzelf krachtig genoeg is, en geen ander bestanddeel nodig heeft om er mee vermengd te worden. De Psalmist stelt God als het ware alleen en op Zichzelf "Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!" Psalm 73 : 25. Geef David slechts zijn God, dan mag, wie wil, al het andere voor zich nemen. Aan een gemakkelijk, genoegelijk leven is hem niets gelegen, zo hij slechts Gods liefde en gunst mag genieten. Vandaar dat des Christens vrede hem de rijkste inkomsten van blijdschap en vertroosting aanbrengt, wanneer de uitwendige genietingen daar het minst, ja volstrekt niets toe bijdragen, of zelfs benauwdheid en ontroering veroorzaken. "Doch David sterkte zich in den HEERE zijn God". Gij weet, wanneer dat was. Indien Davids vrede niet echt ware geweest, dan zou het denken aan God hem meer benauwdheid hebben veroorzaakt, dan al zijn andere rampen. "Die Uwe wet beminnen, hebben grote vrede, en zij hebben geen aanstoot". Psalm 119 : 165. Dit onderscheidt de vrede van de heilige beide van die des wereldlings en van die des geveinsden.

1. Van dien des wereldlings. Van die ongelukkige zullen vrede en vertroosting wegvloeien, zodra er geen uitwendige genietingen meer zijn. Als armoede, schande, krankheid, of wat het ook anders zij, hem in de weg staan voor hetgeen waarop hij zijn hart had gesteld, dan is zijn nacht aangebroken, en zijn dag ondergegaan in een sombere, treurige duisternis. In dit opzicht is het, naar mijn begrip, dat Christus Zijn vrede stelt tegenover die der wereld. "Vrede laat Ik u. Mijn vrede geef Ik u: niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef Ik hem u. Uw hart worde niet ontroerd en zijt niet versaagd", Johannes 14 : 27. Let wel op, bid ik u, dat Christus redenen ter vertroosting bijeenbrengt voor Zijn discipelen tegen de tijd van Zijn heengaan van de aarde, daar Hij wist, dat hun dit zo zeer ter harte zou gaan. Een van die redenen is ontleend aan het verschil tussen de vrede en de vertroosting, die Hij hun laat, en die, welke de wereld biedt. Zo Hij gezegd had: Indien de vrede en de vertroosting, die gij van Mij ontvangt ware gelegen in de dingen, waaruit de vrede der wereld bestaat - overvloed, gemak en genoegen, uitwendige voorspoed en vleselijke genietingen - dan voorwaar! zoudt gij van allen, die ooit een vriend ten grave hebben gebracht, bij Mijn begrafenis de grootste rouwdragenden zijn, want na Mijn verscheiden zult gij van dat alles niets hebben, integendeel, verwacht veeleer benauwdheid en vervolging. Weet echter, dat de vrede, die Ik u laat, niet gelegen is in uw huizen, maar in uw harten; dat de troost, die Ik u geef, niet bestaat in zilver en goud, maar in vergeving van zonden, in de hope der heerlijkheid en de innerlijke vertroostingen, welke de Trooster, Die staat te komen van Mij om bij u te blijven, naar Mijn bestel in uw harten zal geven, en dezen zullen al de blijdschap en het genot der wereld overleven. Dit is een legaat als nooit iemand aan zijn kinderen heeft nagelaten. Menig vader heeft in de afscheidswoorden, die hij stervende tot zijn kinderen gesproken heeft, hun alle vrede en vertroosting toegewenst na zijn dood, maar wie, behalve Jezus Christus, kan een Trooster zenden in hun hart, en hun vrede en vertroosting geven in hun gemoed? En wederom: het onderscheidt de vrede des waren Christens.

2. Van dien des geveinsden. Ofschoon deze voorwendt, dat hij zijn vertroosting niet verwacht van het schepsel, maar van God, en blijdschap schijnt te smaken in het deel, dat hij zegt te hebben in Christus en de dierbare beloften des Evangelies, dan zullen toch, als het er wezenlijk op aan komt om de proef te doorstaan, als al de gemakken en genoegens van dit leven van hem weggenomen worden zonder enige waarschijnlijkheid van ze ooit terug te ontvangen - terwijl dezen al die tijd zijn hart hadden, al wilde hij ook niet, dat men dit van hem dacht - als hij ziet, dat hij nu inderdaad en in der waarheid een andere wereld moet binnen treden, om tot in alle eeuwigheid te staan of te vallen, zoals hij dan naar Gods onderzoekende blik oprecht of vals zal worden bevonden in zijn aanspraken op Christus en Zijn genade - dan zeg ik, zullen zijn gedachten terugdeinzen, want zijn consciëntie klaagt hem aan van geestelijk bedrog te hebben gepleegd. Welaan ziel, spreek, is het aldus met u gesteld? Gaat uw vrede met u tot aan de gevangenisdeur, om u daar te verlaten? Zijt gij er van verzekerd, dat uw zonden u zijn vergeven, terwijl gij in het volle genot zijt van gezondheid en krachten, maar zodra de gerechtsdienaar aan uw deur klopt en vraagt u te spreken - ik bedoel, zodra de dood tot u nadert - verandert gij dan van gedachten, en zegt uw geweten, dat hij komt om u in uw voorgewende vrede en blijdschap als een leugenaar ten toon te stellen? Dat is een treurig verschijnsel. Voorzeker, ik weet het, de tijd van ramp of vervolging is een tijd van beproeving voor de genade. De oprechte Christenen kan voor een wijle evenals een moedig, dapper krijgsman verslagen worden, en de vijand satan kan in het bezit schijnen van zijn vrede en vertrouwen, ja sommige uitnemende heiligen zijn zo ver meegevoerd op de stroom van heftige verzoekingen, dat zij zich af gevraagd hebben, of hun vorige vertroostingen door de Trooster, de Heilige Geest, of door de boze geest, de bedrieger, tot hen gekomen zijn. Toch is er een groot verschil tussen de een en de ander.

a. Zij verschillen in de oorzaak van hun toestand. Deze duisternis, waarin de geest van de Christen verkeert, die zich in grote benauwdheid bevindt, ontstaat uit het onttrekken van het licht van Gods aangezicht, terwijl de schrik en benauwdheid van de ander voortkomt uit een schuldige consciëntie, die te voren in slaap was gewiegd door voorspoed, maar nu, ontwaakt zijnde, doordat de hand Gods op hem drukt, hem beschuldigt van leugenachtig te zijn geweest met God in geheel zijn belijdenis. Wel is waar, de Christen kan door achteloosheid of door het toegeven aan een sterke verzoeking een bijzondere schuld op zich geladen hebben, die zijn consciëntie hem verwijt, en de tegenwoordige verlatenheid, waarin hij zich bevindt, nog bitterder zal maken, in zo ver hij er toe kan komen om aan geheel zijn oprechtheid te twijfelen, wijl hij zich in deze bijzondere gevallen misdragen heeft, al heeft hij daar eigenlijk toch geen reden voor; maar zijn consciëntie kan er hem niet van beschuldigen, dat een huichelachtige opzet de drijfveer was, die hem in geheel zijn belijdenis heeft bewogen.

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1997

De Wachter Sions | 8 Pagina's

De wapenrusting Gods 271.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 juni 1997

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken