Bekijk het origineel

Antwoord per brief

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Antwoord per brief

16 minuten leestijd

Geachte mevrouw N.N. te N.,

U hebt me in het geheim geschreven, zoals uw brief mij vermeldt, dus ik neem aan dat u ook liever niet ziet dat uw naam afgekort boven deze brief geplaatst wordt. Ook hebt u mij er vrij in gelaten om een antwoord persoonlijk aan u te schrijven, maar me wel doen weten dat ik het ook in een antwoord per brief mocht doen. Ontdekkende en separerende preken van vroegere leraars hebt u ook altijd wel graag gelezen, ook al werd u er dan zo buiten geplaatst, dat u er voor uw ziel niets mee hebt kunnen doen. Wat ik u ook een keer door de telefoon gezegd heb, is niet verkeerd bij u gevallen, als ik er u op wees dat de kennis van de tweede Persoon in het Goddelijk Wezen zo noodzakelijk is. Ugevoelt wel dat het noodzakelijk is om buiten de kennis van die Persoon geen rust voor de ziel te vinden. Als ik uw briefje zo las, was ik eerst in twijfel of ik u een antwoord per brief hierover zou schrijven, maar ik kreeg ineens te denken aan de bekende geschiedenis van de kamerling uit Morenland, die we beschreven vinden in Handelingen 8. Ik zal dus proberen om daar nu een brief over te sctirijven.

We weten uit die geschiedenis hoe wonderHjk de Heere met die kamerhng gehandeld heeft. FiHppus kreeg de opdracht om zich op de weg te begeven die afdaalde naar Gaza, een woeste weg. Die weg had de kamerling ook gekozen als hij teleurgesteld terugkeerde naar zijn eigen land. Hij had in Jeruzalem niet gevonden wat hij er zocht. Vele Joden, waaronder in het bijzonder de farizeeërs en schriftgeleerden, konden het wel goed doen met wat de kamerling niet bevredigen kon. Er stond daar in Jeruzalem toch zulk een mooie tempel waar de Heere altijd in had willen wonen en waarin Hem vele offeranden werden gebracht. Dat was toch wel een mooie godsdienst, hoewel het steeds was gebleken dat Israël ook nog wel wat anders zocht, want het hart had zich altijd tot de afgoden geneigd. Dat was er ook wel weer een duidelijk bewijs van dat die mooie tempeldienst buiten Hem op Wie geheel die ceremoniële godsdienst wees, het hart leeg moest laten. Maar nu was er geen afgodendienst meer bij Israël te vinden en kon men het met de uiterlijke vormendienst wel goed doen.

Er was blijkbaar bij die kamerling wel wat anders aan de hand. Die zocht een bevrediging voor zijn ziel die hij in heel die mooie godsdienst te Jeruzalem niet vinden kon. Maar verder was hij er toch wel onwetend van wat hem alleen maar recht bevredigen kon. We moeten echter in die geschiedenis het wonderlijke en verborgen werk des Geestes zien. Deze geschiedenis staat ons immers in de Handelingen der apostelen beschreven. De uitstorting des Heiligen Geestes kunnen we in dat boek vermeld vinden. En dat boek der Handelingen laat ons dan ook weten hoe daarmee de Nieuwtestamentische Kerk tot openbaring is gekomen, waarmee de middelmuur des afscheidsels verbroken was. De kamerling was een heiden en zou nu als een heiden aan het geestelijk Israël worden toegevoegd. Christus ging Zijn Koninkrijk nu oprichten onder Jood en heiden. Die zwarte Moorman zou nu ook een pareltje mogen worden aan Christus' Middelaarskroon. Hij heeft niet geweten dat zijn reis daarom naar Jeruzalem niet tevergeefs zou zijn, al keerde hij nu teleurgesteld van Jeruzalem terug naar zijn land. Hij heeft echter niet de grote heirweg van Jeruzalem naar zijn land gekozen, maar de woeste weg die van Jeruzalem afdaalde naar Gaza. En op zijn wagen zat hij nu de profetie van Jesaja te lezen. Die profetie had hij wellicht daar in Jeruzalem wel opgedaan. In Jeruzalem lazen ze die ook wel, maar de inhoud ervan verstonden ze niet.

Aan de kamerling werd nu door Filippus de vraag gedaan: "Verstaat gij ook hetgeen gij leest? " Dat was me ook een vraag aan zo'n voorname geleerde man! Aan de farizeeërs en schriftgeleerden had Filippus zo'n vraag niet behoeven te stellen. Die zouden wel boos geworden zijn, als hun zo'n vraag gesteld werd. Die verstonden wel wat zij lazen. De priesters brachten in de tempel vele offeranden, wat ze wel graag deden, zonder echter er ooit een oog voor te hebben waar die offeranden hen op wezen. Ik denk dat men aan de schriftgeleerden van deze tijd ook zo'n vraag niet zou moeten stellen als Filippus aan de kamerling deed. De kamerling voelde zich echter niet beledigd door zo'n vraag. Hij was er juist begerig naar om nader hierover onderricht te worden. Daarom beantwoordde hij de vraag van Filippus met een wedervraag: "Hoe zou ik toch kunnen, " zo vroeg hij, "als mij niemand onderricht? " Hij bad zelfs Filippus dat hij bij hem op de wagen zou gaan zitten.

Die kamerling had dus onderricht nodig. We zien daarin ook weer dat de Heere middellijk wil werken. Er zijn ook altijd nog wel mensen die de middelen niet nodig hebben. Maar degenen die door Gods Geest geleid worden, gaan het onder de middelen zoeken. De kamerling is ons daarin ten voorbeeld. O, mevrouw, kwamen er nog maar zulke kamerlingen onder ons gehoor! Dan geeft de Heere wel uit te delen. Het is mijn ervaring altijd geweest, dat als er afnemers onder het gehoor waren, dat er dan wat uit te delen was. Aan zulke onwetende mensen als die kamerling heeft men meer dan aan zulke geleerde mensen die het een leraar wel kunnen verbeteren. Zulke geleerde mensen zijn benauwers voor Gods knechten. De kamerling bevond zich echter op een weg die niet omhoog ging, maar die afdaalde naar de laagte. Op zulk een weg brengt God Zijn volk ook nog steeds. Het moet altijd de laagte met hen in. Maar hier gold dan ook voor Filippus: Voegt u tot de nederige", (Rom. 12:16). Voor zulke nederigen is Christus in de wereld gekomen. Die worden door Hem nederig gemaakt. O, wat is dat werk des Geestes hierin toch ook wonderlijk! We moeten er eens over denken, dat deze kamerling toch wel een man van gezag was. Er staat dat hij een machtig heer van Candacé was, de koningin der Moren, die over al haar schat was. Dit staat ons alles niet voor niets beschreven. Deze man werd vatbaar voor geestelijk onderwijs gemaakt.

Och, het werk der zaligheid gaat nu eenmaal ons natuurlijk verstand te boven. Christus is toch ook zulk een verborgen Persoon voor de ziel. Wordt u dat ook gewaar? U kunt wel weten dat geheel de Schrift van Hem gewaagt. En al degenen die onder het licht van Gods Woord leven, kunnen ter onderscheiding van zo'n heidense Moorman dat ook wel weten. Maar we vinden Christus in de Schrift toch zomaar niet. Daar is hemels licht voor nodig. De Persoon des Middelaars is een Goddelijk Persoon. Zulk een Goddelijk Persoon moet ons door God ontdekt worden. Hij moet ook als een Goddelijk Persoon Zich aan onze ziel openbaren. Dan gaan we de Schrift anders lezen dan we ooit gedaan hebben. De Moorman las de profetie van Jesaja. En dan nog wel het 53e hoofdstuk van die profetie. Als er ooit een hoofdstuk in het Oude Testament te vinden is dat duidelijk naar Christus heenwijst, dan is het Jesaja 53 wel. Dat hoofdstuk spreekt over Zijn nederige geboorte, want Hij is als een rijsje voor Zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit een dorre aarde. Verder was er geen gedaante of heerlijkheid aan Hem. Als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte, dat wij Hem zouden begeerd hebben. Hij was veracht en de onwaardigste onder de mensen. Moest dat nu de Messias zijn? Zo'n Messias verwachtten de Joden niet. En ook geen Messias Die verwond en verbrijzeld zou worden. Als men geen verwonde ziel heeft, heeft men geen Middelaar nodig door Wiens striemen we genezen kunnen worden. En nu zat de Moorman ook juist nog te lezen het 7e vers van Jesaja 53, want de plaats der Schriftuur, die hij las, was deze: "Hij is gelijk een schaap ter slachting geleid; en gelijk een lam stemmeloos is voor dien die het scheert, alzo doet Hij Zijn mond niet open." De kamerling heeft aan Filippus gevraagd: "Ik bid u, van wien zegt de profeet dit, van zichzelven of van iemand anders? ”

De kamerling heeft dus wel aangevoeld, dat de profeet dat niet van zichzelf, maar van iemand anders gezegd moest hebben. Maar wie was die andere dan? En dan lezen we: "En Filippus deed zijn mond open, en beginnende van diezelve Schrift, verkondigde hem Jezus." Hier was nu echt plaats voor een Christusprediking. Daar moet plaats voor zijn. De kamerling was zeer

begerig geworden door wat hij las in Jesaja's profetie. Hij kende de Christus nog niet, maar zijn oog werd toch al voor die Persoon ontsloten. Zo kan het de ziel nog gaan, dat men de Persoon nog niet kent, maar Hem reeds in de Schrift mag zien voorgesteld. Er blijft dan ook reeds voor de ziel geen andere weg over. Zo is het met de kamerling ook gegaan. Zijn reis naar Jeruzalem had hem niet kunnen bevredigen. Met al die godsdienst die daar te vinden was, kon hij het niet doen. Maar verder wist hij de weg niet. Hij kwam nu op deze woeste weg terecht. Op de weg die van Jeruzalem afdaalde. Op zo'n weg brengt God Zijn volk. Wij begeren liefst een opgaande weg, maar de weg tot Christus is geen opgaande weg. Die zijn leven zal zoeken te behouden, zal hetzelve verliezen, maar wie zijn leven zal verliezen om Christus' wil, die zal hetzelve vinden. Dat heeft Christus Zelf gepredikt. Maar Hij heeft er ook nog wat aan toegevoegd. "Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint en lijdt schade zijner ziel? Of wat zal een mens geven tot lossing van zijn ziel? ”

Op die wagen naar Gaza zat een man die de lossing van zijn ziel nodig had. Och, mevrouw, hebt u die ook nodig? We zullen Gode het rantsoen niet kunnen geven, want de verlossing onzer ziel is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden. Dat wil zeggen dat die lossing nooit zal ophouden. Als wij Gode het rantsoen moeten geven, betekent dat een eeuwige betaling in een eeuwig lijden. We komen dan nooit uitbetaald. O, als we zo het gewicht der eeuwigheid eens recht krijgen te gevoelen, dan moet er wat gebeuren. Dan kunnen we ons nergens meer mee op de been houden. Hier zat een man op die wagen die ten einde raad gekomen was. Maar hier zien we ook het Goddelijke werk onwederstandelijk door gaan. Hij werd er niet boos om dat er een Filippus zich zo bij zijn wagen voegde en hem zulk een vraag deed, die velen wel een onbeschaamde vraag zouden vinden. Nee, die man zat met vele zielenraadselen op die wagen. Waar was nu de weg die hij zocht? Hij moest terugkeren naar zijn land, zonder gevonden te hebben wat hij zocht. Heel zijn reis was tevergeefs geweest. Maar die ziel die hij in zich omdroeg riep om voldoening, om een voldoening die hij niet vinden kon. Maar hier zou de Heere Zich door hem doen vinden. De Geest heeft tot Filippus gezegd: "Ga toe en voeg u bij dezen wagen.”

Het is voor Filippus ook wat geweest, als hij die man op die wagen de profeet Jesaja hoorde lezen. Hij hoorde hem de profeet Jesaja lezen, staat er. Dus hij zal die profetie hardop gelezen hebben. Vandaar dat Filippus hem de vraag stelde of hij ook wel verstond wat hij las. Och, als we dit lezen, zouden we er ook begerig naar worden om zulk een werk als Filippus te mogen doen. We ontmoeten zo weinig zwarte moormannen, die in zulk een verlegenheid zo'n vraag stellen als die moorman. Hoe zou ik toch kunnen, zo mij niet iemand onderricht? De meesten weten het zo goed. Ze hebben geen onderricht nodig. Ze weten het wel beter dan die man die op de preekstoel staat. Of anders kan het zijn dat men nog wel weet dat het zo is als het gezegd wordt, maar het glijdt verder langs de koude kleren van de hoorders a£ Men behoeft nog niet te sterven en God te ontmoeten met een hemelhoge schuld. Maar als er zo'n hoorder als die moorman op de wagen zit, kan Filippus zijn woorden kwijt. Hij mocht hem de Schrift uit gaan leggen. De plaats der Schriftuur die de kamerling las was deze: "Hij is gelijk een schaap ter slachting geleid; en gelijk een lam stemmeloos is voor dien die het scheert, alzo doet Hij Zijn mond niet open." O, wat werd die kamerling er begerig naar om te mogen weten wie er met die Persoon bedoeld werd! "Ik bid u, " zo sprak hij, "van wien zegt de profeet dit, van zichzelven of van iemand anders? " Nu kon Filippus zijn mond open doen en die tekstwoorden gaan verklaren en hem Jezus verkondigen.

Het was toch een dierbare stof die nu Filippus te spreken gaf Hoe dierbaar kunnen we het borgtochtelijke werk van de Middelaar in Jesaja 53 verklaard vinden. Elk woord dat Filippus sprak vond ingang in het hart van de moorman. Hij kreeg die Persoon in de geest te zien die in die profetie hem werd voorgesteld. O, welk een wonder is dit toch, als het oog voor die Persoon des Middelaars geopend wordt! De kamerling zal wellicht gehoord hebben wat zich in het Joodse land had afgespeeld. Israels godsdienst en geschiedenis zal hem in zijn land wel niet onbekend gebleven zijn. Die man is zomaar niet naar het Joodse land gegaan. Er heeft zich in zijn binnenste al wel heel wat af­ gespeeld. Het zal hem wel net zo zijn gegaan als bij een Rachab en bij een koningin van Scheba. En nu zal hij in Jeruzalem wel gehoord hebben dat er zo'n Jezus van Nazareth geweest was, Die zulke wonderen had verricht en zo machtig in Zijn spreken was geweest, ja Zich voor de Zoon van God aan het volk had voorgesteld, maar Die op zulk een smadelijke wijze aan het kruishout gehangen was. En nu krijg ik nog meer te denken, want toen Christus aan dat kruishout hing kwam er een duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe. Daar zullen velen wel geen acht op gegeven hebben, hoewel er ook een heidense wijsgeer is geweest, die gezegd heeft: "Dit is waarlijk iets bijzonders; de natuur is in het lijden of de God van de natuur is in het lijden.”

O, wat zien we toch weer het vrije Godswerk in de geschiedenis van de kamerling! Waar velen geen acht op hebben gegeven, daar heeft hij wel acht op gegeven. Die kamerling was een door God gekende en verkorene. Daar mag men van velen niet meer over praten. In heel hun zogenaamde rijke Christusprediking gebruiken ze het woord uitverkiezing niet. Aan Christuspredikers ontbreekt het niet, maar een man als die kamerling heeft aan die Christusprediking niets. Maar wel aan een Christusprediking zoals Filippus die mocht brengen. Zijn hart ging steeds meer open. En hij kreeg die dierbare Persoon in het oog. Maar nog meer, want de woorden die hij had gelezen en die nu door Filippus verklaard werden, kreeg hij nu te verstaan. Hij mocht geloven dat die Middelaar voor hem in de wereld was gekomen en voor hem die weg van diepe vernedering had moeten gaan. En de profetie van Jesaja had hem doen weten dat het bij die diepe vernedering van Christus niet was gebleven, want er was ook nog te lezen: "In Zijn vernedering is Zijn oordeel weggenomen; en wie zal Zijn geslacht verhalen? Want Zijn leven wordt van de aarde weggenomen.”

Een levende Jezus mocht de moorman in het oog krijgen. Die was gestorven, maar Die deed Zich nu door hem kennen, dus Hij leefde toch nog weer. Hoe ruim kreeg de moorman nu in dat borgwerk in te blikken. Hij had van Jezus wel gehoord en zijn ziel was wel begerig naar Hem gemaakt, maar nu geschiedde er meer. Hij mocht Hem als zijn schuldovernemende Borg leren kennen. Hij zag ineens een zeker water en hij zeide: "Ziedaar water; wat verhindert mij gedoopt te worden? " Nee, daar zijn geen verhinderingen meer. Het Godswerk is toch zo eenvoudig. De verhinderingen moeten er tussenuit. Die verhinderingen zijn van ons. Maar het is een Goddelijk werk om een mens daar te brengen. Filippus zeide: "Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoorloofd." En hij antwoordde: "Ik geloof, dat Jezus Christus de Zone Gods is." Dat had hij die vrome Joden in Jeruzalem niet horen zeggen. En misschien heeft hij er ook nog wel mensen ontmoet die tot het geloof in Christus waren gekomen, maar die hadden hem ook niet kunnen helpen. O, we moeten eens waarlijk met niets meer buiten die Persoon Zelf en Zijn gezegend Middelaarswerk te helpen zijn! Ik wens u dit ook toe, want de mens is toch zo'n gevaarlijk schepsel door zijn diepe val geworden. Het is de duivel die hij toegevallen is, net eender hoe hij de mens ten verderve sleept. Maar Gods Geest brengt ons op de plaats waar we moeten zijn. De kamerling heeft de betekenis van de doop mogen verstaan. Het was bij die onderdompeling een ingaan in het water, dat is sterven, maar ook een opstaan uit het water, dat is een opstanding ten leven.

En toen de moorman uit het water opgekomen was, nam de Geest des Heeren Filippus weg, en de kamerling zag hem niet meer. Maar hij reisde toch zijn weg met blijdschap. Hij werd er voor bewaard om in de mens te eindigen. En Filippus werd niet opgenomen in de hemel, maar werd gevonden te Azóte. Zijn werk moest hier op aarde ook nog doorgaan. Mevrouw, ik hoop dat ik in de avond van mijn leven u een dienst zal hebben mogen bewijzen zoals Filippus die heeft mogen bewijzen aan de kamerling. De Heere mocht u maar van alles afbrengen wat geen God en Jezus is, want met een bepaalde dominee kan men ook niet bekeerd worden, al wil de Heere Zijn knechten als middel in Zijn hand gebruiken. Maar het zal toch daar moeten komen dat men niemand ziet dan Jezus alleen. De Heere mocht daartoe mijn gebrekkig schrijven, dat ik toch ook nog net als Filippus met enig vermaak heb mogen doen, ten goede gebruiken voor uw ziel, want buiten Jezus valt alles als waardeloos weg. Wees hartelijk gegroet en Gode en Zijn genade bevolen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 2005

De Wachter Sions | 8 Pagina's

Antwoord per brief

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 2005

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken