Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Uit het leven van… Jane Witte-Welleman (1897-1954) (15)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Uit het leven van… Jane Witte-Welleman (1897-1954) (15)

9 minuten leestijd

Contacten met ds. J. Fraanje

Nieuwdorp, juli 1944

Geliefde dominee, vriend, broeder en vader in onze Heere Jezus Christus,
Wat zal ik schrijven. Waar moet ik beginnen en eindigen, want de Heere heeft mijn ziel in benauwdheid gekend en uitgeholpen uit vrije genade verlost en vrijgemaakt en een plaatsje gegeven in dat Vaderhart. O, eeuwig wonder.
’Hier weidt mijn ziel met een verwond’rend oog.’ De Heere heeft het beliefd uit vrije gunst mij neer te leggen op een smartelijk ziekbed, mij bezoekende met galsteenpijnen en mij nu al meer dan twee maanden vast in bed doen blijven. Het behaagde de Heere die pijnen aan te doen lopen tot koliek en daarbij Zijn lief aangezicht te verbergen, hetwelk mijn ziel in grote nood bracht, niet wetende wat te doen. Die lieve Christus, Die mij zo menigmaal geholpen had in mijn doorleven en ik wist ook goed waar en hoe ik Hem gevonden had, was mij ten enenmale verborgen. O, die vijandschap mijner ziel was als een vuur in mijn ziel. De Heere liet deze woorden in mij vallen: ’In het land uwer geboorte zal Ik u richten’, hetwelk mij met grote vreze voor die geduchte Rechter deed beven.
Zo heb ik van 1 mei tot verleden week geleefd, maar de laatste vijf nachten kwam er geen slaap meer op mijn ogen. O, dat gevoel van straf en van mijn Godsgemis! De dokter moest mij iedere avond spuiten voor de pijn en dan werd mijn lichaamssmart gedoofd, maar mijn zielensmart niet. Tot dinsdagmorgen; het sloeg net vier uur, toen werd ik voor dat recht gedaagd en daar ben ik geheel verloren gegaan. Ik verwachtte niet anders dan dat het nu verloren was. De satan was aan mijn rechterhand. En toen, o, eeuwig wonder, op datzelfde moment riep die Goddelijke Jezus mij met deze woorden: ’O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt’, enzovoort. Ik kreeg tegelijk een Goddelijk recht op de Persoon en toen mocht ik, arme, doodschuldige, een greep aan Christus doen, Die mijn ziel niet meer losliet of ik moest geholpen worden. Och, ik moet mij bekorten. Ik kan dat alles niet schrijven. lk heb daar twee dagen in geleefd met zulk een heilig en sterk zielsverlangen, dat ik menigmaal uitriep: ’Lieve Jezus kom, ja, kom en maak mij tot Uw eigendom.’ En bijzonder met die Kananese vrouw, om als een hondeke geholpen te mogen worden. Toen werd ik vrijdagmorgen wakker en ik was nog bij de Heere. Toen viel er zo in mijn hart: ’Wat buigt gij u neder, o mijn ziel’, enzovoort. En ik maar roepen: ’O Heere, help mij.’ Als het roepen wordt, heeft de ziel niet veel woorden meer. Ik voelde die liefde van Christus trekken en bij mij mijn schuld en Godsgemis drukken. De Heere riep: ’Gij zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils.’ Toen kon ik het niet meer buiten Jezus houden. O, daar had ik ook gestorven van dat verlangen. Daar bezweek mijn ziel van sterk verlangen. Geliefde vader in den Heere, daar raapte die Goddelijke Jezus mij uit vrije en loutere genade op uit dat geboortebloed van mijn erf- en dadelijke zonden en waste mij in Zijn bloed, net zo schoon of ik nooit zonde gekend noch gedaan had.
O dominee, die tedere liefde van die Zaligmaker lekte en kuste mijn ziel net zo schoon als Hij Zelf was. O, hier kan ik haast niet verder.
Toen ging Hij mijn naakte ziel bekleden met de klederen des heils en de mantel der gerechtigheid. Toen zei Hij: ’Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht’, enzovoort. O, ik was verwonderd en bedaard. lk zei: ’O mijn Liefste, ik geloof, maar kom mijn ongeloof te hulp, want ik heb van blijdschap geen geloof.’
Toen kuste Hij mij met kussen van Zijn Goddelijke mond. Dat was het zegel! Toen riep mijn ziel uit: ’Mijn Liefste is mijn en ik ben de Zijne.’ O, dat fijn lijnwaad te mogen ontvangen uit vrije genade en toen dadelijk de vrede die alle verstand te boven gaat. En dan die heilige betrekking in mijn ziel op God de Vader. Die lieve Jezus zei: ’Nu ben Ik uw Man, uw Hoofd, uw Goël, uw Borg; Mijn Vader, uw Vader, Mijn God, uw God. lk zal u Mijn Vader voorstellen ais een reine maagd, zonder vlek en rimpel.’
O, mijn ziel vloog op naar het hemelhof. Ik werd zo in wederliefde ontvonkt van binnen, dat mijn zwak lichaam het haast niet dragen kon en mijn ziel verlangde naar meer.
Toen ik zondagmorgen wakker werd (dat is nu gisteren acht dagen geweest) kwam de Heere mij voor dat ik voor dezen achter Christus had mogen schuilen, maar nu was ik een nieuw schepsel in Christus. Hij was mijn Man en Hoofd. Toen nam Hij mij mee en stelde mij Zijn Vader voor; hoe schoon Hij mij de Vader voorstelde en de Vader zei: ’Gij hebt niet ontvangen de Geest der dienstbaarheid wederom tot vreze, maar de Geest der aanneming tot kinderen, door Welke gij zult en moogt roepen: Abba, Vader.’ De Heilige Geest overkeek dat werk, dat van mijn achttiende jaar ingelegd was tot nu toe en Hij deed er een zegel aan, zeggende: ’Nadat gij geloofd hebt, zijt gij verzegeld geworden met de Heilige Geest der belofte.’ Ik had niets te doen, ik zakte maar in mijn onwaardigheid en verwondering weg, en ik moest maar ’amen’ zeggen. O, dat eeuwige wonder en dat voor mij, die honderdduizendmaal getwijfeld heeft en aan de andere zijde dikwijls verkwikt was.
’s Middags zeiden ze van binnen: ’Dat laatste is van je verstand geweest’, hetwelk mij in grote nood voor de Heere bracht. Maar mijn Goddelijke Jezus kwam haastelijk mij ter hulp en bracht mij weer in de binnenkamer. Daar sprak de Vader nog eens tot mijn arme ziel, zeggende: ’Want dat zal Mij zijn als de wateren van Noach, toen lk zwoer’, enzovoort. Lees die twee teksten. Toen was het verzekerd met een eed des Vaders. O, hier weidt mijn ziel met een verwonderend oog.
Toen nam mijn lieve Profeet en Leraar mij op Zijn school en heeft mij lief onderwezen in de Eenheid en de Drie-eenheid van het Goddelijke Wezen. Hij zei tot de Vader: ’Gij, Vader, in Mij, en Ik in U; en zij in Ons opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn.’ O dominee, dat wij toch één zijn in onze lieve Immanuël. O, die eenheid van de Kerk Gods in een Drie-enig God, om nu nooit verwijdering te mogen hebben.
De Heere geve een ieder veel van die lieve Goddelijke Geest in onze ziel, want de vruchten des Geestes zijn liefde, vrede, blijdschap, enzovoort. Dinsdagavond kreeg ik mijn hart terug, zo arm en ontbloot en machteloos in mijzelf. Nu ben ik een kind in mijn lieve Immanuël, Goël en Verlosser. Toen heeft de Heere opnieuw Zijn wet die op Sinaï gegeven is, in mijn ziel geschreven. Nu niet meer als voor dezen met de eis: doet dat en gij zult leven. Maar nu die liefde tot die wet om van mijn God en Koning vrucht en genade te begeren om naar dezelve te leven. Nu is dat derde versje van Psalm 16 mijn versje geworden:
God is mijn deel, Die mij bewaart nu voort;
Op U staat mijn rente gegrondet, Heere!
Dit heerlijk erfdeel, dat mij toebehoort,
Is mij in ’t schoonste geworden met ere.
Ja, ’t beste deel dat gevonden kan wezen,
Is mij recht toegevallen Heer’ geprezen.
O, dat lieve recht des Vaders en des Zoons, en die lieve Heilige Geest heeft het bewindsel van mijn zieleaangezicht verslonden en mij deze zaken bekendgemaakt. Die lieve Koning zei: ’En zij zalfden David ten anderen male tot koning.’ Toen liet de Geest mij zien hoe mijn arme ziel voor veertien jaar Hem statelijk tot Koning voor mij had mogen erkennen, maar nu had de Heere mij afgesneden van mijn drom. Nu was Hij statelijk Koning over mij geworden uit vrije gunst en genade. ’Door al Uw deugden aangespoord’, enzovoort.
O, lieve broeder in onze Heere Jezus Christus, als ik een vogeltje was, vloog ik naar Barneveld, want ik heb veel leermeesters gehad, maar één is mijn vader. De Heere heeft u willen gebruiken uit vrije genade om mij staande te houden en helder in mijn Godsgemis te zetten; en hoe meer ik Christus leerde kennen, hoe groter mijn gemis werd. Nu heeft de Heere het geheel vervuld. Ik hoop niet met u van de Heere af te gaan, maar laat mij dat nu eens zeggen uit betrekking in onze Heere en Koning.
En juffrouw [mevrouw Fraanje],
Houdt aan, grijpt moed, uw ziel zal vrolijk leven.
Nooddruftigen, veracht Zijn goedheid niet,
Nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven.
O, houdt aan, de Heere mocht u ook eens horen. Ik heb gezien hoe veilig de Kerk is in Christus. U durft toch niet ontkennen dat gij er iets van hebt? Maar er is geen rust, hè. O nee, ik ben geweest dat de Heere mij zoveel van Zijn gunst gaf, dat ik standelijk kon zeggen: Mijn liefste is mijn en ik ben de Zijne. En dan was toch altijd mijn gemis maar levendig.
O dominee, ik hoop dat de Heere u moed mag geven om door te gaan met uw zwaarwichtig werk. Dat de liefde van Christus u veel mag dringen. O, ik wil wel dominee wezen om de mensen het gevaar aan te zeggen die in de zonde is, en de genade die in Christus is.
Dat medelijden dat de ziel dan heeft. Ik zeide: ’Heere, moet ik hier nog blijven? Dat Gij mij op mijn plaats gebruiken mocht om het rijk des satans af te breken.’ Er staat toch dat er geen jongenloos voor Hem verschijnen zal.
Vijanden worden met God verzoend uit vrije genade in Christus. Wat heb ik toch verkeerd gewerkt. Nu zie ik dat van achteren.
Door mijn dwaasheid, niet om sommen,
Is mij kommen
Dit verderf en tegenspoed.
En nu is die lieve Doorbreker door de weeën doorgegaan. Dat zie ik nu ook weer van achteren, want mijn hart maakte getier in mij en ik brulde van het geruis mijns harten. Niet dat de mensen het hoorden, maar in mijn binnenste, vanwege het vuur van mijn vijandschap. Als de Heere gezegd had: ’als je eenmaal om genade vraagt, dan krijg je het’, het had voor eeuwig kwijt geweest. Maar nu, uit loutere en vrije gunst, heb ik het verkregen. Dat ’s Heeren volk moed scheppen mocht uit mijn behoudenis.

Nu moet ik afbreken want mijn lichaam kan niet meer. Ontvangt nogmaals de hartelijke groeten van ons allen en ook van mij,

Jane Witte-Welleman

Uit: Leven en werk van ds. J. Fraanje. @ 2000, Uitg. Den Hertog B.V., Houten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 2012

De Wachter Sions | 8 Pagina's

Uit het leven van… Jane Witte-Welleman (1897-1954) (15)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 december 2012

De Wachter Sions | 8 Pagina's

PDF Bekijken