Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Ter overdenking (XLII)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Ter overdenking (XLII)

Uit het dagboek van een nog levenden grijsaard

4 minuten leestijd

Eens hoorde ik van iemand vertellen, dat hij in het gebed de gemeenschap met God ondervond, want zoo de H. Geest invloeit, worden wij eenige oogenblikken boven het stof gevoerd! De duivel verzocht hem daarna met listige vragen; onder anderen met de vraag: «Meent ge„ dat God u daar een bezoek gaf?” De bidder zei in zijn gemoed: «Ja! die oogenblikken waren van boven.” De duivel zei; «Bedrieg u niet; het voorrecht dat gij genoot was van mij.” De christen werd er door geschokt, maar hij herstelde zich en zei: «Wel, leugenaar! zoo dat van u is geweest, geef mij dan dat gebed nog eens.” De booze week. Neen! het leven laat zich niet herhalen. In de schepping is er geen gelaat zooals het onze en bij herschepping in de genade door den H. Geest geene herhaling van het geestelijk gebed. Zoo het een Drieënig God behaagt zich andermaal aan ons te openbaren, zal het iets nieuws, iets oorspronkelijks zijn, en geene herhaling van vroegere geestelijke gebeden. Was ons scheepje altijd vlot, wij zouden onzen Hoogepriester vergeten en tot hoogmoed vervallen. Daarom houdt God Zijne kinderen arm. Wij steunen te licht op vurigheid van gemoed en vergeten onze afhankelijkheid. Een oude vrome zei: Petrus viel door zijn gestaltelijk licht. De man kende zijne onmacht nog niet, welke wij trapsgewijze moeten leeren kennen.”

Onder eene wandeling sprak eene vriendin tot mij: »Weet gij, dat de weduwe P. gevaarlijk ziek is?” Ik antwoordde haar, dat ik dit niet wist, maar haar nu terstond bezoeken zou. Toen ik daar was, zat de vrouw, die mij onder weg had aangesproken, daar reeds bij het ziekbed. Wij baden samen en onder ’t gebed zeide ik: «Meere! mogelijk zult gij haar herstellen en ’wij kunnen stervend” Na twee dagen was de zieke beter, maar de vrouw, die nog gezond bij het ziekbed gezeten had, lag op haar uiterste, terwijl mijne laatste bede voor haar nog was: »Wij v eten den dag onzes doods niet.”—

Er zijn bloemen, die op éénen stengel toch verschillen van kleur. De eene tros is wit en de andere rood. Ik had ze in mijn hand, toen ik in het gezelschap van eenige vromen kwam en na ,het gebed kon ik iets tot stichting spreken over de woorden: »Mijn liefste is blank en rood;’’ blank voor ons door Zijne heilige geboorte en onschuldig leven en rood door de striemen en de doornenkroon op Zijn bloedend hoofd!
Beeldjes uit de Natuur kunnen ons geestelijk opwekken.

DE ROZENSTRUIK EN DE SLAK.

Eens sprak een goede rozenstruik:
«Mijn bloem is heilzaam in’ t gebruik;
Ik breng het geurig roosje voort.
Dat ieders oog en hart bekoort.
En toon, bij ’t vluchtig schoon der aard’.
Dat ook de roos haar dorens baart.”

»Gij pronkt er mede,” zei de slak,
Wijl zij zich in den grond verstak:
Doch toen de winter was voorbij,
Zag zij op nieuw een rozenrij;
Ze zuchtte en zei: «Nog al niet moe?”….
En trok haar somber kluisje toe. —

Wat leeren wij hieruit voor ’t leven?
Door nutte gaven vreugd te geven.
Om vrucht te dragen hier beneên.
De trage zal uw deel versmaden
En, als de slak, de blaadjes schaden;
Hij spreidt geen geuren om zich heen.

In een «Wekkertje” las ik iets over het biljardspel en werd er door gewezen op mijne jeugd, toen ik aan dat spel verkleefd, veie kostelijke uren verloor. Dat wil ik onder Gods oog van mij neerschrijven. Speelde ik slecht, dan ging ik ontevreden uit de herberg. Speelde ik goed, deed ik een meetkunstige zet, waarop een toejuichend handgeklap volgde, dan vervoerde mij dit tot hoogmoed. Zelfs onder de prediking dacht ik’ er aan. Beschuldiging had ik*onder het spel, wanneer ik dacht: «God ziet mij !” en ik dacht met afkeer aan dat spel, waar drank en uithuizigheid het gemoed doet zondigen. Dit alles en nog erger kwam mij voor, toen ik genoemd blad las. Jongelieden kan ik niet genoeg tegen dat spel waarschuwen, want de ijdele woorden, die er mede gepaard gaan, zullen het geweten in lateren tijd bezwaren. Wat vrucht had ik toen van die dingen, waarvoor ik mij nu schaam? (Rom. 6.) Dat kinderen spelen, lichaamsoefening hebben, is goed en nuttig voor lichaam en geest; maar tot jaren gekomen, passen ons reinere genoegens, welke Natuur en Kunst ons genoeg aanbieden tot veredeling van ons gemoed.

Th.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1892

Het Wekkertje | 4 Pagina's

Ter overdenking (XLII)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 september 1892

Het Wekkertje | 4 Pagina's

PDF Bekijken